Theodor HolmanBeeld Artur Krynicki

Als het had gemogen, hadden we elkaar de hand geschud

PlusTheodor Holman

Veertiger. Aardige knaap. Onze hondjes kunnen het goed samen vinden. Elke week ontmoeten we elkaar zeker wel een keer of drie. “Ze mogen elkaar hè,” zeggen we dan over de hondjes. Teksten van buren die onmiddellijk verdampen en daardoor gezellig sociaal zijn als je naast elkaar op de spelen­de honden wacht.

We staan op anderhalve meter afstand van elkaar naar onze diertjes te kijken en dan zegt hij: “Nou, dit is de laatste keer dat Bobby en Koosje elkaar zien, want ik ga verhuizen naar Den Haag.”

“Ik geloof dat ik dat jammerder vind dan Koosje,” zeg ik.

“Jammerder,” herhaalt hij mijn vergrotende trap van jammer dat wat het Nederlands betreft toch klinkt als een oosterse vrucht die alleen lekker is als hij een tijd heeft liggen rotten.

“Misschien vind ik het wel het jammerst,” zegt hij, en hij vervolgt: “Midden in deze coronatijd hebben we toch besloten… nou ja… het kan gewoon niet meer… en mijn broer heeft een groot huis in Den Haag, dus...”

Ik ken zijn vrouw. Als ze net zo omging met hem als met Bobby begrijp ik eigenlijk niet waarom hij haar niet een paar jaar eerder heeft verlaten.

“Nog geen veertig vierkante meter met ons tweeën én Bobby is te weinig,” zegt hij, “en het is haar huis.”

Bobby en Koosje doen weer hun dagelijkse kontenbijtersdans waarbij hun staartjes in hetzelfde ritme kwispelen en ik merk dat ik eigenlijk niet weet wat te zeggen, behalve dan: “Ik vind het echt jammer.”

“Ja, ik ook. Weg van twaalf jaar verhouding, weg van Amsterdam, weg van alles… En dat in deze rottijd… Maar…” Hij wil nog wat zeggen, zoekt woorden en dan, wijzend naar de honden: “Maar zoals wij omgingen als zij… deden we dus niet meer.”

Meestal na zo’n paar minuten roep ik Koos en lopen we door, maar dit is een afscheid voor een vorm van lichtvoetige eeuwigheid die toch bitter is.

“Jammer… voor hen,” zeg ik, “en sowieso jammer…”

“Ja… Zij kan niet tegen Bobby, dus ik neem hem mee.”

“Ja, begrijp ik.”

We laten de honden nog even spelen, we beseffen wat er gaat komen.

“Hoe heet je eigenlijk?” vraag ik.

“Tim… Als het mocht, zou ik je nu een hand geven.”

“Dat mag niet.”

Ik voel dat ik, als oudere, min of meer de verplichting heb om Koos als eerste te ­roepen.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden