Erik Jan Harmens. Beeld Artur Krynicki
Erik Jan Harmens.Beeld Artur Krynicki

Als een dronken tor je iets toeschreeuwt, moet je daar niet te filosofisch op antwoorden

PlusErik Jan Harmens

Mensen zijn machines. Zeg je goedendag, dan zeggen ze goedendag terug. Schop je ze hard tegen de schenen, dan roepen ze au.

Stel je ze een vraag, dan geven ze antwoord. Vraag je: “Hoe gaat het?” dan antwoorden ze: “Goed.” Vraag je: “Weertje, hè?” dan reageren ze met: “Nou.”

Soms zijn vragen retorisch: “Mag ik binnenkomen?” Of: “Vind je toch niet erg, hè?” In die vragen zitten de antwoorden al besloten, respectievelijk: Ja hoor, je mag binnenkomen… al bén je op zich al binnen, want je wachtte mijn antwoord niet af. En: Nee hoor, vind ik niet erg… Hoewel, nu je erover begint: misschien vind ik het wél erg, maar het is inmiddels te laat om nog tegen te stribbelen.

Nog sterker dan de retorische vraag is de vraag die helemaal geen vraag ís. Pas zei de commentator bij een voetbalwedstrijd: “De reguliere speeltijd zit er bijna op, wat gaat de verlenging brengen?” Ging ik over een antwoord nadenken, dat ik vanzelfsprekend schuldig moest blijven, want die hele verlenging moest nog beginnen.

“Tja, wat zal ik zeggen?” hoor je ook wel eens. Dat is dus ook geen vraag, al klinkt het wel zo en vat ik ’m dus ook zo op, door te reageren met: “Nou, maakt niet uit, zeg gewoon wat in je opkomt.”

Ik heb proefondervindelijk vastgesteld dat als een of andere dronken tor je ’s avonds laat op straat toeschreeuwt: “Wat moet je nou?!” dat je daar dan niet al te filosofisch op moet antwoorden. Zeg niet: “Wat een interessante vraag zeg. Tjaaaa, wat móet ik eigenlijk?”

Wat je wel kunt doen is zwijgen, wegkijken en hopen dat de agressie overdrijft. Heel hard wegrennen is ook een optie, of je reageert in hetzelfde jargon: “Wat moet jíj́ nou, klapmongool?!” Dan is het wel hopen dat de ander overweldigd is en niet een vlindermes uit zijn kontzak haalt om je mee leeg te prikken tot je een vergiet bent.

Een keer moest ik optreden in een theater in Arnhem. Na afloop stond ik voor mijn hotel, maar ik ging nog niet naar binnen, wegens stevige trek die gestild moest worden. Ik naar een snackbar, waar een sfeer hing alsof je als vreemdeling in het Wilde Westen een saloon vol outlaws was binnengestapt. “Een patat oorlog en een berenhap, alstublieft,” zei ik tegen de uitbater en toen stond er een man op die net zo breed was als hij lang was. Hij liep op me toe tot zijn neus nog net niet de mijne raakte en siste: “Hé..! Alles goed, amigo?”

Dat woord gebruikte hij echt: amigo. Ik zei er niets van, zeker niets filosofisch. Het enige wat ik uitbracht was: “Zeker, man. Alles goed.”

Klappen bleven uit. Ik had de goede knop op de machine ingedrukt.

Erik Jan Harmens (1970) is schrijver en dichter. Hij schrijft elke week een column over prikkels en andere zaken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden