Babs Gons. Beeld Artur Krynicki
Babs Gons.Beeld Artur Krynicki

Als de nacht valt, probeer ik al die kinderen achter me te laten zodat ze me niet wakker kunnen houden

PlusBabs Gons

Ik zet me met een blanco vel voor me aan mijn op­dracht: een dichterlijk stuk schrijven ter afsluiting van een symposium over kansengelijkheid in het onderwijs.

Langzaamaan wandelen allerlei kinderen mijn schrijfkamer binnen en nemen plaats rond mijn bureau. Kinderen die zonder ontbijt naar school gaan. Kinderen die lijden onder hun ouders’ scheiden. Kinderen die achter een schuchtere glimlach van alles verbergen. Kinderen die het pesten thuis leren, kinderen die zich niet kunnen weren. Kinderen die niet mee kunnen op schoolreis, kinderen die zich niet gezien, niet gehoord voelen. Omdat hun wieg aan de andere kant van het spoor, in de verkeerde postcode, aan de andere kant van de grens stond. Omdat het advies hun niet past. Omdat niemand ze ooit prijst.

Kinderen met teleurgestelde blikken, omdat hun beste best niet goed genoeg was. Omdat ze als laatste worden gekozen of overal buiten vallen. Kinderen die alleen op het schoolplein staan, omdat anderen vinden dat ze anders, niet normaal, gek, raar, vies zijn. Kinderen die in de deuropening blijven staan, omdat ze zo verlegen zijn. Kinderen die allang geen kind meer zijn, die het nooit konden zijn. Kinderen die nog veel te laat buiten spelen.

Zelfs de kinderen die altijd ontbreken, druppelen binnen.

Ik denk aan de leerkrachten, de begeleiders, wier taak het is al die kinderen zo goed mogelijk te zien. Ze ook te horen als ze fluisteren, als ze zwijgen. Ze op te merken als ze er niet zijn. Ze zo goed mogelijk te begeleiden naar een hoopvolle toekomst. Ik kijk en luister en schrijf en als de nacht valt, probeer ik ze achter me te laten, mijn slaapkamerdeur stevig dicht te doen, zodat ze me niet wakker kunnen houden.

In de ochtend appt een vriendin dat haar zoontje op zijn nieuwe school als laatste overblijft met gym. Dat hij alleen staat in de pauze. En terwijl ik schone kleding neerleg voor mijn eigen puber en hij voor de zoveelste keer de broek niet aantrekt die hij in de zomer van zijn eigen geld heeft aangeschaft, hij wilde ’m per se hebben, begin ik een vermoeden te krijgen.

“Heeft iemand er op school iets lelijks over gezegd?” vraag ik.

“Misschien,” antwoordt hij en loopt de kamer uit ten teken dat hij er niet over wil praten.

Maar ik vraag nog wat door en uiteindelijk geeft hij toe dat iemand een rotopmerking heeft gemaakt over de broek. En ik weet dat het niet het ergste is in de wereld, dat mijn werkkamer vol staat met kinderen met lege magen, met kinderen die hun dromen door te lage schooladviezen zien opgaan in rook, maar het wordt me allemaal iets te veel.

Met de broekspijp van de afgekeurde broek wrijf ik mijn ogen droog.

Spokenwordartiest, schrijver en ­docent Babs Gons maakt ons deelgenoot van haar belevenissen. Lees al haar columns hier terug.

Reageren? b.gons@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden