Opinie

‘Als broedplaatsen verdwijnen, verdwijnt de kunstenaar uit de stad’

Met de bezuinigingen op broedplaatsen overleven vooral de kapitaalkrachtige cultureel ondernemers. Is dit wel de bedoeling, vragen Platform Beeldende Kunst en Kunstenbond zich af.

Broedplaats Lely in de Schipluidenlaan in Nieuw-West.Beeld Jakob van Vliet

Er gaat flink bezuinigd worden op het broedplaatsenbeleid. Deze weken komen de raadsleden in een aantal raads- en commissievergaderingen bij elkaar om de invulling van de bezuinigingen definitief te maken. 

Hoewel het broedplaatsenbeleid een van de speerpunten was van dit college, werd vorig jaar al stilletjes besloten het budget van 3,5 miljoen euro met 800.000 euro te korten. Nu komt daar hoogstwaarschijnlijk nog eens een miljoen euro aan structurele bezuinigingen bovenop.

Of een nieuw college over twee jaar verder wil met broedplaatsen, valt nog te bezien. Wat wel vaststaat, is dat er broedplaatsen verloren gaan. De meeste van de zestig Amsterdamse broedplaatsen zijn namelijk maar tijdelijk gehuisvest in panden van de gemeente. Komende twee jaar sluit ongeveer een kwart daarvan zijn deuren. Na deze bezuinigingen ontbreekt het geld om verder te ‘ontwikkelen’ en nieuwe plekken voor kunstenaars te realiseren. Zo loopt twintig jaar broedplaatsbeleid op basis van tijdelijkheid en uitdijende gentrificatie op zijn einde.

Heldere visie ontbreekt

Wellicht is het beleid onhoudbaar geworden, omdat niemand precies weet waarvoor broedplaatsen bestaan. Politici en ontwikkelaars jongleren al jaren met een diffuse verzameling ‘toegevoegde waarden’. Broedplaatsen zijn betaalbare woon- en werkruimtes voor een economisch precaire groep, die bovendien de sociale binding van de stad schijnen te bevorderen. Maar het zijn ook ‘hubs’ van economische innovatie en motoren van gebiedsontwikkeling. Tot slot wordt ook de intrinsieke waarde van de kunst en cultuur soms genoemd als bestaans­reden. Zo zijn er passende argumenten voor iedere discussie, maar ontbreekt een heldere visie.

Dat gebrek aan visie valt ook af te lezen aan de aanpak van broedplaatsbeheerders, de partijen die het vastgoed van de gemeente huren en weer doorverhuren aan kunstenaars. Zij zijn enthousiast begonnen naast kunstenaars en creatieven nieuwe groepen huurders aan te trekken: start-ups, cultureel ondernemers, innovatieaanjagers. Op alles valt tegenwoordig wel het stempel ‘creatief’ te drukken.

Deze zoektocht naar meer kapitaalkrachtige huurders is in de huidige crisis begrijpelijk. Hoe kunnen de beheerders de broedplaatsen anders overeind houden? Maar het roept wel de vraag op: voor wie is dit gemeentelijk vastgoed bedoeld?

Dan is er nog het eeuwige doorschuiven. Het is in de loop der jaren de norm geworden dat kunstenaars en creatieven elke paar jaar verkassen naar een nieuwe ‘ontwikkelbuurt’. Zo trekt dezelfde groep overwegend jonge, soms internationale, meestal witte en hoogopgeleide creatieven van buurt naar buurt. Deze scheve representatie en tijdelijkheid maken duurzame binding tussen buurt en broedplaats bijna onmogelijk. Eerder kon dit doorschuiven nog worden gerechtvaardigd onder het mom van ‘doorstroming’ en ‘kansen creëren voor jong talent’, maar ook dit argument sneuvelt in de bezuinigingen.

Stad zonder kunst

Gelukkig zijn vermarkting en stedelijke expansiedrift geen natuurwetten. De Amsterdamse gemeenteraad, die haar vastgoed een tijdje aan beheerders verhuurt en daarna verkoopt, kan zich afvragen of dat is waar broedplaatsen voor bedoeld zijn. Want als het zo doorgaat, blijven er geen kunstenaars of culturele, sociaal-maatschappelijke organisaties over in de stad. Alleen fabrieken van creatief ondernemerschap zonder binding met de buurt zullen hun eigen broek kunnen ophouden.

Dat kan natuurlijk, een stad zonder kunst. Een stad waar geen oog is voor sociale binding, betaalbare woon- en werkruimte of een goede afspiegeling van de buurt in gemeentelijk vastgoed. Een stad waar de creativiteit en de verbeelding tot puur economisch nut worden gereduceerd. Het kneiterlinkse college is het dan wel aan haar stad verschuldigd deze politieke keuze hardop uit te spreken.

Koen Bartijn, Peter van den Bunder, Sepp ­Eckenhaussen en Rosa te Velde namens Platform Beeldende Kunst (BK) en Kunstenbond, die de rol van kunst in de samenleving onderzoeken en actie voeren voor een beter kunstbeleid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden