Column

Al drijft er een gebruikte tampon in, ik eet de soep op

James Worthy Beeld Agata Nowicka

Mijn lieve schoonmoeder had een gouden kettinkje voor me meegenomen uit Suriname. De eerste keer dat ik het omdeed, voelde ik mezelf ogenblikkelijk muteren. Ik voelde dat mijn dna aan het veranderen was.

De dubbele helix leek zichzelf in een hemelse knoop te dansen. Geschrokken maakte ik de ketting weer los en deed hem terug in het papieren zakje.

In mijn familie draagt niemand sieraden. Ik ben niet opgegroeid met het idee dat het menselijk lichaam met iets te verfraaien valt. Het lichaam zelf is al een sieraad. Iemands persoonlijkheid kan een sieraad zijn. Onze ziel is de glansrijke oorbel die aan de lel van ons bestaan bungelt.

En toch deed ik de volgende dag het fraaie kettinkje om mijn nek. Ik had geen andere keus. Mijn huid hunkerde naar edelmetaal. Reikhalzend. Alle poriën rusteloos van verlangen.

Ik keek naar mezelf in de spiegel. Wie was die man? Het kettinkje was via de slagaders in mijn nek naar mijn hersenen toe geklauterd.

In een lunchroom at ik een broodje tonijnsalade zonder kappertjes, maar diep in de berg dolfijnvriendelijk gevangen vis, ontdekte ik een half kappertje. De kettingloze ik had hier niets van gezegd. De kettingloze ik heeft namelijk nog nooit een bord eten terug naar de keuken gestuurd.

Al drijft er een gebruikte tampon in mijn minestrone, de kettingloze ik eet de soep op en als de serveerster aan mij vraagt hoe het heeft gesmaakt dan zeg ik 'weergaloos', en dat ik in het bijzonder van
de zompige crouton heb genoten.

De kettingdragende ik stuurde het broodje tonijn linea recta terug naar de chef. De klapdeuren gingen open en er verscheen een man in schort. Hij waggelde naar me toe met de armen omhoog. Een verse pleister bedekte het minst wijze gedeelte van zijn rechterwijsvinger.

"Excuses, meneer, bent u allergisch voor kappertjes?"

"Nee, mijn haat voor kappertjes kent geen medische oorzaak. Ik haat ze gewoon. Twintig jaar geleden stopten koks nog gewoon zilveruitjes in hun tonijnsalade. Waar zijn de zilveruitjes gebleven? Kappertjes zijn niets meer dan arbeidsongeschikte zilveruitjes."

Toen de chef aanstalten maakte om door zijn knieën te gaan, hield ik hem tegen. De man hoefde van mij niet voor zijn leven te smeken. Zo boos was ik ook weer niet. Nee, de man hoefde eigenlijk alleen maar mijn kettinkje te kussen.

Voordat ik die avond onder de douche stapte, deed ik hem weer af. Tijdens het douchen dacht de kettingloze ik aan kruiswoordpuzzels en aan drie huizen op Funda. Na het douchen deed ik hem weer om en dacht ik meteen aan prikkeldraad en aan onthoofde barbiepoppen. Ik was Dr. Jekyll en Mr. Hyde. Dit was niet zomaar een sieraad, nee, dit was het vergulden kattenluikje naar mijn razernij.

Desalniettemin heb ik het kettinkje vandaag weer om. Ik kan niet anders. Mijn lichaam verlangt naar externe mooiigheid. En ik weet donders goed dat ik door het dragen van de ketting op een parttime darter lijk, maar het is niet anders, ik ben gegrepen door de goudkoorts. Het metaal is de baas. Ik ben niet meer de kapitein op dit schip, en dat is oké. De muiterij begon met iets schitterends.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns terug. Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.