Natascha van Weezel. Beeld Artur Krynicki
Natascha van Weezel.Beeld Artur Krynicki

Afvallen was volgens mijn onzekere puberbrein het enige waar ik écht goed in was

PlusNatascha van Weezel

Natascha van Weezel

De Gezondheidsraad wil dat er een landelijke aanpak komt waarmee eetstoornissen eerder herkend en behandeld kunnen worden. Vroege herkenning en behandeling zijn essentieel bij een eetstoornis, omdat de prognose dan gunstiger is en de ziektelast minder zwaar.

Op dit moment is de prognose dramatisch. Van de eetstoornispatiënten geneest gemiddeld 50 procent volledig. De rest ontwikkelt een chronische eetstoornis, waarbij (niet) eten het leven van de patiënt blijft bepalen. Althans, als je niet komt te overlijden: met 5 tot 10 procent is het sterftecijfer torenhoog.

Toevallig las ik net op de dag dat dit advies aan het ministerie van Volksgezondheid uitkwam een stuk in deze krant. ‘Amsterdammers met anorexia, ernstig trauma of een persoonlijkheidsstoornis wachten geregeld een jaar of langer op hulp van een psycholoog of psychiater,’ luidde de kop.

In het stuk wordt uiteengezet waarom de wachtlijsten in de ggz alsmaar toenemen. De regeldruk voor behandelaren is te groot, het is lucratiever om lichte psychische problemen te behandelen en de druk om winst te maken is enorm. Marktwerking dus. Gevolg: momenteel wachten zo’n 8000 Amsterdammers op psychische zorg (onder wie een behoorlijk aantal eetstoornispatiënten).

Wat voor boodschap heeft een anorexiapatiënt aan marktwerking? Toen ik 13 was kende ik dat woord in elk geval nog niet. Ik was ‘gewoon’ op dieet. Eerst at ik alleen geen ‘slechte’ dingen meer. Dat werkte wonderwel. Ik viel af en kreeg complimenten over mijn lijf, zelfs van de pesters die me voorheen ‘speklapje’ noemden. Het gaf een gevoel van controle. Afvallen was volgens mijn onzekere puberbrein het enige waar ik écht goed in was.

Ik besloot brood zonder beleg te gaan eten. Vervolgens at ik helemaal geen brood meer.

’s Ochtends beperkte ik me tot een appel. ’s Avonds spuugde ik mijn eten uit. Dertig keer per dag stond ik op de weegschaal. Als ik ook maar twintig gram was aangekomen moest ik mezelf straffen: dan mocht ik geen appel meer. Mijn menstruatie bleef uit, ik viel elke week flauw en ik werd depressief. Toch ging ik door met ‘mijn dieet’, de stemmetjes in mijn hoofd schreeuwden immers dat ik een vies, vet varken was en nooit meer mocht eten.

Na een klein jaar heb ik hulp gezocht (of eigenlijk hebben mijn ouders me daartoe gedwongen). Ik woog nog maar 32 kilo en had een hartritmestoornis ontwikkeld. Ik kon terecht in een anorexiakliniek. Gelukkig betrof de wachttijd toen maar 8 weken. Ik weet niet hoe het me was vergaan als ik op dat moment een jaar had moeten wachten. Al heb ik wel een vermoeden…

Dus ja, ik ben blij met het advies van de Gezondheidsraad. Hopelijk neemt het ministerie van VWS het ter harte en zetten ze vaart achter die achterlijke wachtlijsten. Mensen zijn namelijk geen nummers.

Natascha van Weezel (1986) is journalist. Elke maandag schrijft ze een column voor Het Parool.
Reageren? natascha@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden