Opinie

‘Aftreden voelt goed, maar smoort discussie over toeslagenaffaire’

Moet het kabinet aftreden wegens de toeslagenaffaire, net zoals het kabinet-Kok dat deed wegens het falen in Srebrenica? John Jansen van Galen vraagt zich af of dat zou helpen.

Wim Kok verlaat de Tweede Kamer, 16 april 2002, direct na het aftreden van zijn kabinet. Beeld ANP
Wim Kok verlaat de Tweede Kamer, 16 april 2002, direct na het aftreden van zijn kabinet.Beeld ANP

Het zoemt rond in de media en in politiek Den Haag: wie moet de schuld krijgen van de kinderopvangtoeslagaffaire? Is premier Mark Rutte (VVD) de zondebok op wiens hoofd naar het oude Bijbelwoord (Leviticus XVI, 21, 22) alle ‘ongerechtigheden’ gestapeld kunnen worden om hem vervolgens de woestijn in te sturen? Moet zijn hele kabinet de schuld op zich nemen en het veld ruimen?

Het spel van zoeken naar zondebokken, schuldigen die persoonlijk de gevolgen moeten dragen, begint na elk parlementair onderzoek naar ernstige ontsporingen van overheidshandelen. De roep om aftreden klinkt doorgaans luid. Begrijpelijk, het rechtsgevoel zoekt bevrediging. Maar wat schieten we ermee op?

Opzichtig gefaald

Er is een parallel: in april 2002 trok het hele kabinet-Kok de consequenties uit het Niod-rapport over Srebrenica en diende zijn ontslag in. Nederland had opzichtig gefaald in het beschermen van de Bosnische burgerbevolking. De ministers Frank de Grave (VVD) en Jan Pronk (PvdA) zinspeelden al op hun vertrek, premier Wim Kok (PvdA) wilde zich in deze morele kwestie de kaas niet van het brood laten eten en kondigde zijn eigen aftreden aan, waarop zijn hele ministersploeg volgde.

Het was een erkenning van de politieke verantwoordelijkheid voor dat echec, maar ook ­– zoals VVD-fractieleider Klaas Dijkhoff nu zegt over het eventuele aftreden van het kabinet-Rutte – van een ‘hoog symbolisch gehalte’. Het gebeurde namelijk nog korter voor Tweede Kamerverkiezingen dan nu en Kok had al laten weten, anders dan Rutte nu, dat hij niet opnieuw premier wilde worden.

Meteen werd toen duidelijk wat het bezwaar is van zo’n gebaar: er viel daarna niet meer zinnig met het demissionaire kabinet te discussiëren over de aanleiding tot het aftreden. De ministers hadden toch de schuld al op zich genomen en het boetekleed aangetrokken? Enkele weken later verdrong de moord op Pim Fortuyn waar het om ging nog verder naar de achtergrond.

Rapport aan de orde

Wat er had moeten gebeuren, in plaats van dat onverhoedse, enigszins theatrale gebaar van collectief aftreden: het Niod-rapport in het parlement aan de orde stellen en de verantwoordelijke bewindslieden erop laten antwoorden. Moesten er betere rules of engagement komen? Moesten we ons voortaan vooraf verzekeren van de bijstand van bondgenoten? Als daarop naar het oordeel van de kamer onbevredigend werd geantwoord, had deze het kabinet alsnog naar huis kunnen en moeten zenden.

Het gevaar van zwartepieten met voor onmiddellijk ontslag in aanmerking komende bewindslieden is dat dit de veel belangrijker vragen naar de gebreken van de overheid opzij zet, evenals vragen naar haar vermogen die gebleken gebreken op te heffen. Daarvoor is een ernstig politiek zelfonderzoek nodig.

Hoe kon het in de eerste plaats gebeuren dat ambtenaren burgers zijn gaan beschouwen als vijanden van de staat tegen wie zo ongeveer alle middelen geoorloofd zijn? Het was niet de hockeytrainer die door de toeslagenaffaire getroffen werd, zegt het SP-Kamerlid Renske Leijten, maar de schoonmaker van de hockeyclub. En ambtenaren, maar ook politici en veel journalisten, kennen dat ‘vmbo-Nederland’ niet en weten niet wat daarin omgaat. Als dat zo is, moeten we dan niet een heel anders gerekruteerd en opgeleid ambtenarenkorps hebben, een ander type volksvertegenwoordiger ook?

Schuim op de lippen

En: hoe kon het dat signalen over jarenlang ontsporend overheidshandelen niet doordrongen tot de ambtelijke en politieke top? Staat Den Haag met de rug naar de werkelijkheid, het oog gericht op de volgende verkiezingen?

En ook: is het geen tijd dat het parlement zijn eigen rol serieuzer neemt? Je kunt niet eerst met het schuim op de lippen aansporen tot een niets en niemand ontziende fraudejacht en dan later beteuterd constateren dat daarbij niets en niemand is ontzien. Dat laatste is ook nu aan de orde. De Tweede Kamer heeft sedert vele jaren herhaaldelijk, onder druk van het toenemend populisme, getamboereerd op de als omvangrijk veronderstelde sociale fraude, die ‘keihard’ bestreden moest worden. Dat is geen excuus voor de meedogenloosheid waarmee ambtelijke diensten aan die oproep gehoor hebben gegeven, maar geeft te denken over de medeplichtigheid van de volksvertegenwoordiging (en daarmee ook van ons als kiezers).

Dat soort vragen moet in de Tweede Kamer aan de orde gesteld worden, waarna deze het gevoerde beleid alsnog aan zijn oordeel kan onderwerpen en eventueel afkeuren – waarop ontslag van ministers kan volgen. Maar laten we ophouden bij voorbaat zondebokken te zoeken om die de woestijn in te sturen.

John Jansen van Galen is journalist en publicist. Beeld ANP
John Jansen van Galen is journalist en publicist.Beeld ANP
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden