Maarten MollBeeld Sjoukje Bierma

Achter elke hoek of bocht kon een kwijlend monster staan

PlusMaarten Moll

We maakten met hond Bep een urenlange wandeling in de landelijke omgeving van het dorp G.

Overal honden rond de boerderijen en huizen.

Ik ben geen kynoloog, maar ik meen toch wel een ­aantal honden aan hun ras te kunnen herkennen.

Deze honden waren allemaal vreemd voor ons.

Al snel kwamen we terecht op alleen maar karrensporen en zandpaden.

Bij een stalletje met potjes jam en flesjes vruchtendrank aan het begin van het erf van een tussen veel loofbomen half verscholen boerderij kwam ons een niet aangelijnde hond blaffend tegemoet. Blikkerende tanden. Een harde stem brulde een tweelettergrepig woord dat we niet verstonden en de hond stond meteen stil, op een meter of vijf van ons af.

De eigenaar van de stem liet zich niet zien. We inspecteerden toch maar even de jammen en de sapjes die aangeboden werden. De perencompote zag er goed uit, maar we hadden geen munten op zak om te betalen. We liepen weg. De hond liet ons desondanks gaan.

En overal bordjes.

‘Eigen weg’.

‘Betreden op eigen risico’.

‘Hier waak ik’. (Met een plaatje van een hondenkop een seconde voor het grote vleesverscheuren een ­aanvang zal nemen.)

Alleen maar een bordje met de afbeelding van die hondenkop.

“Ken je dat boek van Stephen King over die hond die iedereen vermoordt?” vroeg ik.

“Hahaha,” zei M, maar ze lachte niet.

Cujo.”

“Ja, stop maar,” zei M.

We leken verdwaald in het netwerk van onverharde weggetjes met daarlangs naar ons blaffende honden. Achter elke hoek of bocht kon midden op het pad een kwijlend monster staan. En we zagen maar geen weg met daar overheen rijdend verkeer.

Bep bleef dicht heel bij ons.

M. vertelde hoe ze als kind met haar broer in een rubberbootje in een slootje aan het spelen was.

“Opeens verschenen er twee grote honden aan de kant van een boerderij. Twee hele enge, ze blaften en ze hapten naar ons. We waren doodsbang en wisten niet meer wat we moesten doen. We dachten echt dat die honden ons wilden aanvallen. Gelukkig kwam er iemand voorbijgefietst. Die heeft ons met boot en al op de kant getrokken.”

Eindelijk zagen we in de verte auto’s rijden. “Die ­honden hebben niet lang daarna vier of vijf schapen doodgebeten. Ze zijn afgemaakt.”

We kwamen bij het einde van het pad en bereikten een geasfalteerde weg. We waren toch wel opgelucht, en gingen opzichtig lollig doen. Maar we bleven goed uitkijken. Want op zo’n weg zou je zomaar aan je einde kunnen komen door de inboorlingen die lachend in hun wagens maniakaal hard over de binnenwegen scheuren.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden