Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki

Aanslag op Grote Verzoendag. Voelt hij zich nu een held?

Plus Theodor Holman

Begin jaren ­zestig. We deden stoer met de spannende oorlogs­verhalen van onze ouders.

“Mijn vader zat in Duitsland in een kamp en…”

“Nou, mijn vader zat bij de jappen, en…”

“Mijn ouders zaten onder­gedoken in de Van Breestraat, en…”

Op het lyceum verhaalde mijn leraar Nederlands, Frits Roeper, over zijn ervaringen in de oorlog. Zijn vader was arts, werd verraden door een patiënt en zou sterven in Auschwitz. “Terwijl mijn vader niet eens zulke hoge rekeningen schreef.” Wij lachten bitter, want Frits kon vertellen als een cabaretier. Na de arrestatie van zijn vader moesten zijn broer Jacques en Frits – toen vier jaar oud – in Friesland onderduiken.

Door zijn verhalen, doorspekt met ironie, woordspelingen en scheldwoorden, liet hij ons een moraal voelen, en leerde hij ons tegelijkertijd de vrolijke finesses van het Nederlands.

Trouwens, mijn generatie was typisch van na de oorlog; al onze ouders, maar ook al onze onderwijzers, onderwijzeressen en docenten, hadden op een of andere manier verdriet van de oorlog. Binnen die gezinnen – net als bij mij thuis – kwam de oorlog maar niet tot een einde. Men dacht door zwijgzaamheid demonen van het verleden te temmen.

Hoe verderfelijk het antisemitisme is, hoefde ons dus niet te worden geleerd. Maar ook toen was er een raadsel dat tot op de dag van vandaag voortduurt: hoe kon en kan het antisemitisme nog bestaan? Hoe konden mensen Joden zo haten dat ze dood moesten? Ik heb mijn vader wel eens gevraagd of er in Indië antisemitisme heerste.

”Wat denk jij…” zei hij.

“En bestond er in het jappenkamp antisemitisme?”

“Wat denk jij?” was weer het antwoord.

“En na de oorlog?” vroeg ik.

“Toen vertrokken de Joden uit Indië, behalve de Bagdadjoden.”

Ik schrijf dit in een café dat uitkijkt op een gebouw waar de eerste vergaderingen over de oprichting van Het Parool werden gehouden. Daar zit ik vaak. Dat inspireert mij. Op mijn telefoontje heb ik net gelezen dat er in het Duitse Halle een aanslag op een synagoge is gepleegd. Twee doden. Een jonge nazi, denkt men. Als dag heeft hij Jom Kipoer uitgekozen. Grote Verzoendag. Voelt hij zich nu een held? Daar aan de overkant van mijn café zaten destijds helden…

Mijn kleinzoon liet mij gisteren een 6 zien.

“Wat staat hier, opa?”

“Een zes.”

Hij draait het cijfer om: “Nee hoor! Een negen!”

Het is een les – ook voor mij.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden