Theodor HolmanBeeld Artur Krynicki

Aan het eind van de middag was de hond dood

PlusTheodor Holman

In de middag sjokte hij nog.

“Toe maar, Baas…”

Aan het eind van de middag was Baas, haar hond, ooit een stoere herder maar met zwakke heupen, zomaar dood gebleven.

Hij was door de dierenarts meteen mee­genomen.

“En nu ben ik alleen,” zei ze.

Ofschoon ik haar regelmatig zie, weet ik niet hoe ze heet. Dat hebben hondenbezitters. Dat Baas de laatste meters aan het afleggen was, kon ik wel zien. Hij schreed langs de bosjes als een zacht murmelende oude man die aan ieder takje leek te vragen: “Begrijp jij het nog? Of ook niet? Hé jij, begrijp jij het nog? En jij? Ook niet?” De laatste week vroeg hij dat aan de mieren tussen de richels.

De bazin van Baas wilde wel over Baas spreken, maar werd steeds tegengehouden door een van tranen vollopende keel, waarvoor ze zich enigszins schaamde; voor elke zin kuchte ze even.

“Ik denk steeds dat hij nog ergens is. Dat hij in de slaapkamer op zijn matje ligt… Je kent het wel.”

We staan op corona-afstand van elkaar en ik ben eigenlijk gehaast, maar ik kan moeilijk zeggen: “Hartstikke vervelend voor u hoor, maar ik moet nu weg!” En ik heb oprecht medelijden, want ik herken haar verdriet.

“Vorig jaar mijn vrouw en nu Baas,” zegt ze en ik begrijp dat ze getrouwd was met die jongere vrouw met wie ik haar vroeger zag lopen.

“Van niemand ontving ik toen zoveel troost als van Baas.”

Ik antwoord: “Het spijt me heel erg voor u.” Hoe kom ik daarbij om dat te zeggen? In Amerikaanse en Engelse films hoor ik dat wanneer er iemand is gestorven, maar ik vind dat altijd merkwaardig. Hoe kan het mij nou spijten dat Baas gestorven is? Spijt vereist toch een verkeerde daad van jou, niet van een ander. Maar ik wilde iets anders laten horen dan het plichtmatige ‘wat naar’ of ‘ja, het is vreselijk om zo’n hond te moeten missen’.

“Alle beesten zijn nu dood,” zegt ze, en ze nuanceert: “Alles waar ik van hield, is dood.”

“De dieren des velds zullen er altijd zijn voor ons allemaal,” zeg ik, en meteen daar achteraan wil ik weer ‘het spijt me’ zeggen, want ik vind de zin oubollig en gezocht.

“Ik wil voorlopig nog denken dat hij binnen ligt te slapen. Ik kan niet anders.”

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden