Plus

35 plaskrullen, maar ik vergeet altijd waar ze staan

James Worthy Beeld Agata Nowicka

Na een boekpresentatie loop ik over de Keizersgracht naar huis. Het is donker en ik zoek naar een boom om tegenaan te plassen. Ik ben al zeker tien minuten aan het zoeken. Als ik tegen een mooie boom urineer voel ik me schuldig en als ik het tegen een lelijke boom doe voel ik me nog schuldiger. Een bijzonder middelmatige boom, dat is wat ik nodig heb. Een boom met halfbakken takken en een schors die te min is voor spechten.

Ter hoogte van de Nieuwe Spiegelstraat zie ik hem staan. Ik loop de brug over en kijk naar mijn donkergroene redding. Amsterdam telt zo'n 35 plaskrullen, maar ik vergeet altijd waar ze staan.

Ik loop eropaf en zie dat dit een van mijn favorieten is. Misschien wel mijn favoriet. Het is de dubbele plaskrul met afdak. Een prachtig ontwerp. De krul staat tussen een geparkeerde auto en een mooie boom in. Een vuilniszak is een dutje tegen de stam aan het doen.

In de bovenste helft van de krul zitten honderden gaatjes waardoor ik naar de stad kan blijven kijken tijdens het plassen. Een taxi rijdt voorbij. Als ik in een plaskrul sta, krijg ik vaak het gevoel dat ik moet gaan biechten. Het komt denk ik door al die gaatjes op ooghoogte.

Heer, ik heb gezondigd. Ik gok soms op voetbalwedstrijden en de Bijbel heb ik nooit gelezen. Als ik veel drink, kan ik agressief worden. En ik ben al zestien keer met roken gestopt.

Ik rits mijn gulp dicht en verlaat de krul. De maan ­boven de Keizersgracht lijkt op een punaise die zonder reden in de nacht is gedrukt. Ik blijf net zolang naar de hemel kijken tot de spetters die op mijn leren schoenen zitten zijn opgedroogd. Een vrouw die haar hondje uitlaat, loopt voorbij. Ik hoop dat het beestje niet aan mijn schoenen komt ruiken. Dit is niet het moment voor een oorlog tussen zijn soort en mijn soort. Ik geef me over, hondje. Dit is jouw territorium.

Ter hoogte van de Huidenstraat kom ik pas echt in de problemen. Een bevriend schrijver staat voor de deur van een café een mentholsigaret te roken. Hij zwaait. Er is geen weg meer terug. Maar ik wil hem geen hand ­geven. Zo ben ik niet opgevoed. Ik wil hem niet met mijn plaspalm aanraken.

"Hoe gaat het met je, Worthy? Is je boek af?"

"Zo goed als. Ben bezig met de puntjes op de i. Het land is er, weet je wel? Ik hoef alleen nog maar de Waddeneilanden boven Nederland te schrijven."

"Heb je mijn laatste gelezen?"

"Nee, maar ik heb hem wel gekocht."

"De maagjes van mijn kinderen zijn je eeuwig dankbaar. Maar waarom geef je me geen hand?"

"Dat is zo passé. In 2019 knuffelen mannen. Kom hier met dat goddelijke lichaam."

Ik knuffel de collega zonder mijn rechterhand te ­gebruiken.

Thuis was ik mijn handen met ultra neutraliserende handzeep. Op het pompje staat dat het klinisch is bewezen dat deze zeep de gebruiker tegen bacteriën ­beschermt. Ik geloof het pompje.

Daarna zet ik mijn schoenen op het dakterras. In de grachtentuinen zie ik niet één boom waar ik zonder schuldgevoel tegenaan zou kunnen plassen.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden