Binnenland Bewaar

Job Cohen: 'Mensen vonden mij veel te soft'

Job Cohen (67) was burgemeester van Amsterdam toen Theo van Gogh werd vermoord.
Job Cohen (67) was burgemeester van Amsterdam toen Theo van Gogh werd vermoord. © Mark van der Zouw

Job Cohen (67) was burgemeester van Amsterdam toen Theo van Gogh werd vermoord. Hij moest de rust in de stad bewaren terwijl hij woedend was. Op Mohammed Bouyeri én op de AIVD. 'Je kunt je op zoiets niet voorbereiden.'

Het veranderde eigenlijk pas toen ik van tijdschrift Time een prijs kreeg toegekend

Job Cohen

Het moment dat hij het telefoontje kreeg, kan hij zich nog goed herinneren. Burgemeester Cohen zat de ochtend van 2 november 2004 in een bespreking op het Stadhuis. Het was een doodgewone dinsdag met de wekelijkse vergadering van burgemeester en wethouders.

Opeens, even voor half tien, werd hij weggeroepen. De plaatsvervangend hoofdcommissaris van politie belde. 'Ik liep het kamertje uit naar een zitje. Op het moment dat ik daar aan was gekomen, zei hij het. 'Theo van Gogh is vermoord.' Ik zie me nog daar staan. Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.'

Heeft u gevloekt?

'Dat herinner ik me niet, maar het zou best kunnen.'

Wat deed u vervolgens?

'We zijn onmiddellijk bij elkaar gekomen met de driehoek, dus de hoofdofficier van justitie, de hoofdcommissaris van politie en ik. Er was toen nog veel onbekend natuurlijk, maar we wisten wel dat we snel naar buiten moesten treden.'

Was u bang dat anders de vlam in de pan zou vliegen?

'Ja, ik vond dat we meteen zoveel mogelijk informatie moesten geven. Ik heb ook vrijwel onmiddellijk met Theodor Holman gebeld die ik toevallig de avond daarvoor nog op een avond van Het Parool had gezien. 'Géén stille tocht, alsjeblieft niet,' zei hij. Zo ontstond al snel het idee om die avond een lawaaidemonstratie te houden. Ik zou spreken. Vanuit de regering kwam het bericht dat Rita Verdonk wilde komen. Daar was ik in eerste instantie niet zo voor, maar toen daar discussie over ontstond heb ik meteen gezegd: 'Dan gebeurt dat, ik wil daar geen gedoe over'.'

Hoe was de sfeer op het stadhuis?

'Alle medewerkers waren enorm verslagen. Iedereen vond het vreselijk.'

En u?

'Ik ook, en tegelijkertijd was ik woedend. Echt woedend. Dat dit echt gebeurd was, dat iemand dit had kunnen doen, ik was er zo kwaad over.'

Hoe verliep de dag verder?

'We hebben redelijk snel een persconferentie gehouden, eigenlijk nog voor we alle informatie hadden. De hoofdofficier had daar wel enige moeite mee, omdat hij op veel dingen nog geen antwoord kon geven. Ik begreep dat wel, je voelt je op zo'n moment natuurlijk niet heel comfortabel. Maar het kon niet anders.'

Had u ook meteen contact met de AIVD?

'In de middag, en toen werd duidelijk dat Mohammed Bouyeri al langer bij hen bekend was en zij veel meer van hem wisten dan wij. Dat vond ik, netjes gezegd, niet zo prettig.'

Was u, netjes gezegd, niet gewoon pislink?

'Inderdaad. Alleen kon ik er op dat moment niet veel mee. Er was zo veel onrust in het land. Als ook nog eens bekend zou worden dat het bestuur van Amsterdam en de AIVD problemen met elkaar hadden, was dat olie op het vuur geweest.'

U hebt dit dus bewust binnenskamers gehouden?

'Ja, op dat moment wel. Mijn belangrijkste taak was de rust bewaren. Dat wilde ik die avond ook uitdragen. Ik heb gedurende die dagen veel contact gehad met Ahmed Aboutaleb (destijds PvdA-wethouder in Amsterdam, red.) Hij liet me op een gegeven moment een speech lezen, die hij in een moskee wilde gaan houden. Ik vond hem echt prachtig en kon daar weer op aanhaken. We vulden elkaar goed aan, hij zei dingen die ik niet kon zeggen en andersom.'

Hoe bedoelt u dat?

'Hij heeft gezegd dat mensen die zich tegen onze waarden keren hier niets te zoeken hadden. Moet je je voorstellen dat ik, de witte burgemeester, dat geroepen had... dan zou het 'wij' tegen 'zij' geworden zijn. Doordat Aboutaleb zo'n ferm standpunt innam, kon ik juist zeggen dat we niet alle moslims over één kam mochten scheren. Dat in principe iedereen hier welkom was, binnen de grenzen van de rechtstaat.'

Het moet voor u ook raar zijn geweest om op de Dam te speechen. Theo van Gogh kon u enorm treiteren in zijn columns.

'Ja, maar dat deed er niet toe. Natuurlijk waren we het vaak oneens, maar dat betekende niet dat ik hem de mond wilde snoeren. Hij mocht zeggen en schrijven wat hij wilde, zoals iedereen dat mag. Dat heb ik willen uitdragen en die boodschap kwam geloof ik wel aan.'

Vond u het eng om die speech te geven?

'Dat niet, ik wilde daar staan, dat heb je te doen als burgemeester. Ik werd in het begin flink uitgefloten, dat weet ik nog wel. Maar gedurende mijn verhaal ebde dat gefluit weg. Het was natuurlijk een lawaaidemonstratie, dus mensen werden niet stil, maar ze gingen steeds meer trommelen. Ik kan mijn vinger er niet precies op leggen maar de sfeer veranderde en werd positiever, zo herinner ik me dat.'

U heeft veel lof gekregen daarna.

'Nouououou, de eerste maanden niet, hoor. Helemaal niet. Mensen waren kwaad en vonden mij veel te soft. Dat kopjes thee drinken van mij, daar werd flink tegen geageerd. Het veranderde eigenlijk pas toen ik van tijdschrift Time een prijs kreeg toegekend.'

U werd uitgeroepen tot Held van Europa. Terecht?

'Dat weet ik niet, maar het deed me wel goed. Ik merkte daarna ook dat mensen veel positiever praatten over mijn optreden na de moord.'

Vindt u zelf dat u het goed gedaan heeft?

'Ik geloof niet dat ik het nu anders zou hebben aangepakt. Maar ik had geen uitgewerkt plan of zo, je kunt je op zoiets niet voorbereiden. Ik heb gewoon gedaan wat bij me past. Als je burgemeester bent en zoiets gebeurt in je stad, moet je er staan en ervoor zorgen dat de kalmte bewaard blijft. Ik ben enorm blij dat dat ook gebeurd is.'

'Het aardige is dat ik in de dagen na de moord nog een paar keer gebeld ben door Eberhard van der Laan. Hij was een geweldig klankbord, dat sterkte me wel. Ik heb die steun erg gewaardeerd.'

Geinig dat hij later uw baantje heeft over-genomen.

Lachend: 'Daar was ik ook een groot voorstander van.'


Lees dit weekend (25/26-10) het hele interview met Job Cohen in de special 'Tien jaar na de moord op Van Gogh' bij Het Parool.