Binnenland Bewaar

De verborgen signalen van een misbruikt kind

De verborgen signalen van een misbruikt kind
© Nathalie Dekker

Uit de Amsterdamse zedenzaak rond Robert M. worden nog steeds lessen getrokken. De nieuwste bevinding is schrijnend: seksueel misbruik van jonge kinderen is heel moeilijk vast te stellen.

Volwassenen voelen ook een hoge drempel om na seksueel misbruik hulp te zoeken. Maar jonge kinderen hebben er zelfs de woorden nog niet voor.

"Ze vertellen bijna nooit direct, uit zichzelf over het misbruik. Dus dan moet je op hele andere signalen letten," zegt Thekla Bosschaart, arts-onderzoeker van Amsterdam UMC, locatie AMC.

Maar wat zijn dan precies alarmerende woorden? Of zorgwekkende gedragingen? Hoe geeft een jongetje van drie jaar prijs dat hij seksueel is misbruikt? Dat is bij jonge kinderen bijna codetaal. Bosschaart wil die codetaal ontrafelen, zodat kinderartsen, psychologen en orthopedagogen weten hoe ze seksueel misbruik kunnen herkennen en vaststellen.

In eerste instantie om de kinderen een juiste behandeling te kunnen geven. Al kan dat wat slachtoffers tegen hulpverleners zeggen ook in een strafzaak worden opgevraagd. In de meerderheid van de gevallen is er helemaal geen hard bewijs van seksueel misbruik; dan rest het verhaal van het kind.

Bosschaart dook voor haar onderzoek in de dossiers van de slachtoffers van Robert M. in de hoop daaruit te leren. Half oktober promoveert ze op dit onderzoek.

De bestudeerde dossiers zijn opgesteld in de spoedpoli die in 2010 en 2011 in het AMC werd opengesteld voor de slachtoffers van de Amsterdamse zedenzaak.

In korte tijd kregen daar 130 kinderen een lichamelijk onderzoek. Ze werden gecheckt op soa's en eventuele verwondingen. Ook kregen ze allemaal een gesprek met de psycholoog of de orthopedagoog.

Lichamelijk onderzoek
Het ging om kinderen die via het pornografisch materiaal van M. waren gevonden, kinderen van wie hij had bekend dat hij ze seksueel had misbruikt, maar ook kinderen met wie hij recent contact had gehad - bij het kind thuis of in het kinderdagverblijf waar hij werkte.

Bij 15 van 32 kinderen bij wie seksueel misbruik was bewezen, hadden de experts het beeld dat het wel goed zat

De ouders van 125 kinderen gaven toestemming voor gebruik van de geanonimiseerde dossiers voor wetenschappelijk onderzoek.

Een bron van belangrijke informatie, zegt Bosschaart. 

"Dat er zoveel jonge kinderen misbruikt zijn door één pleger, die ook veroordeeld is met een hele hoge bewijslast, dat is heel zeldzaam. Het bood ons een unieke kans om te kijken: wat voor symptomen werden er bij deze kinderen gevonden?"

Het ging indertijd om 71 vermoedelijke en 54 bewezen slachtoffers.

Met toestemming van de ouders liet Bosschaart de geanonimiseerde dossiers aan vijf deskundigen zien: kinderartsen, psychiaters, een psycholoog en een orthopedagoog, allemaal deskundigen op het gebied van kindermishandeling en trauma.

De hamvraag: lukte het hen, op basis van die dossiers, om de slachtoffers aan te wijzen? "Nee, dat bleek ontzettend moeilijk." 

Van 32 kinderen bij wie seksueel misbruik en zelfs penetratie was bewezen, hadden de experts bij 15 van hen, bijna de helft, het beeld dat het goed zat: namelijk geen tot een lage verdenking van misbruik.

Dat is geen onkunde van de experts, benadrukt Bosschaart. "Als een kind geen problemen aangeeft, er komt niks afwijkends uit het lichamelijk onderzoek en ouders merken ook geen lichamelijke of psychische klachten bij hun kind, is het ook voor een expert moeilijk om te zeggen: dít kind is seksueel misbruikt."

Door het gebrek aan formuleringen, schaamte of schuldgevoel zit de boodschap in hele subtiele gedragingen. En in de finesses van uitspraken, heeft Bosschaart geleerd.

Vooral tijdens het lichamelijk onderzoek aan de geslachtsdelen liet een derde van de bewezen slachtoffers opvallend gedrag zien. 

"Op het moment dat bijvoorbeeld het onderbroekje uit gaat en de arts daar gaat kijken, raakt het kind in zichzelf gekeerd. De een wordt angstig, de ander afwerend. Sommige kinderen duiken met hun hoofd in hun knuffel en keren zich compleet van de wereld af."

Anatomische poppen
Wat 'normaal' gedrag is tijdens zo'n genitaal onderzoek is volgens de onderzoeker onvoldoende wetenschappelijk onderzocht, omdat daar medisch-ethische bezwaren aan kleven. 

"Maar mijn eigen ervaring is dat zeker de jonge, niet misbruikte kinderen het geen probleem vinden. Onderzoek aan de oren vinden ze vaak vervelender. Het wordt pas beladen als kinderen richting de puberteit gaan."

Bosschaart pleit ervoor dat er bij het lichamelijk onderzoek een deskundige is die het kind in het gedrag kan observeren.

We moeten kinderen op heel jonge leeftijd leren dat hun lichaam van hen is. En dat niemand daar aan mag komen

Een ander signaal dat opvalt als je alle dossiers naast elkaar legt, is dat de kinderen seksuele kennis hebben die niet bij de leeftijd past. Overigens herkennen de artsen dat ook bij kinderen buiten de Amsterdamse zedenzaak. 

"Als je een niet-misbruikt kind vraagt naar de functie van een piemel of een vagina, zeggen ze doorgaans: 'Dat is om mee te plassen.' Terwijl een misbruikt kind opeens kan vertellen dat een piemel ook heel groot kan worden."

Of kinderen zeggen: 'De plas is wit. En het kleeft.' "Dan vragen we door: 'Wat bedoel je dan met 'wit'?' Sommige kinderen vinden water ook wit, maar als ze dan zeggen: 'Zoals yoghurt', wijst dat meer op iets anders."

"Als je drie of vier jaar bent, weet je dat niet," zegt Rian Teeuw, kinderarts sociale pediatrie, die destijds bij de spoedpoli betrokken was en nu bij het onderzoek. 

Teeuw legt uit dat de anatomische poppen die in het verleden bij het forensisch interviewen werden gebruikt, zijn afgeschaft. "Ze bleken te suggestief."

Programma's op school
Het AMC doet nu onderzoek naar een methode waarbij kinderen, samen met de psycholoog of de orthopedagoog, een plaatjesboek met prenten van alledaagse dingen bekijken. 

"Zo kun je op een makkelijke manier het gesprek aangaan, maar ook vragen stellen als: 'Waar is je mond voor?' 'Waar zijn je handen voor?' 'Waar is je piemel voor?' Kinderen vinden dat leuk. 

Maar een seksueel misbruikt kind kan het helemaal niet prettig vinden om daarover te praten. Die kan zich afwenden of afleiding zoeken."

Dat zijn signalen. Ook een uitgangspunt voor meer onderzoek, vinden de artsen. Maar dat is de wetenschappelijke kant; maatschappelijk moet er ook wat gebeuren, vindt Teeuw. Ze denkt aan bijvoorbeeld speciale programma's voor kinderen uit groep 1 en 2 van de basisschool. 

"We moeten kinderen op heel jonge leeftijd leren dat hun lichaam van hen is. En dat niemand daar aan mag komen."

Wat kunnen ouders hun kinderen meegeven? "Heel vaak herhalen dat je leuke geheimpjes mag hebben, maar niet leuke geheimpjes niet. Daar moet je met pappa of mamma over praten."

Hoe sneller, hoe beter

Slachtoffers van aanranding en verkrachting, ook kinderen, kunnen sinds 2016 terecht bij het Centrum Seksueel Geweld (CSG) van de GGD Amsterdam.

Er zijn centra in het hele land. Artsen, verpleegkundigen, politie, psychologen, maatschappelijk werkers en seksuologen werken er samen.

Slachtoffers die in de afgelopen zeven dagen seksueel zijn misbruikt, kunnen dag en nacht bellen met 0800-0188. Hoe sneller, hoe beter, stellen ze bij het CSG, want dan zijn er mogelijk nog sporen, bijvoorbeeld dna van de dader of lichamelijk letsel.

Voor kinderen zijn de gespecialiseerde artsen van het Amsterdam UMC daar ook bij betrokken.

"Als er een vermoeden is van seksueel misbruik langer dan zeven dagen geleden, heeft forensisch onderzoek geen zin meer. Wij doen dan nog wel lichamelijk en psychologisch onderzoek," zegt kinderarts Rian Teeuw.

"Als een kind een soa, psychische problemen of letsel heeft, moet het natuurlijk worden behandeld. In het ziekenhuis kijken we naar: wat heeft dit kind nodig?"

"Mochten we op bewijs stuiten, dan kan het met toestemming van de ouders aan de politie worden overgedragen. Maar dan moet er wel aangifte zijn gedaan, bijvoorbeeld door de ouders of Veilig Thuis. Het ligt natuurlijk altijd gevoelig, omdat je met beroepsgeheim werkt."

87 slachtoffers Robert M.

In december 2010 komt de grootste bevestigde zedenzaak in de Nederlandse geschiedenis naar buiten.

Een groot aantal baby's en peuters, voornamelijk jongens, bleek ernstig en langdurig seksueel te zijn misbruikt. De toen 27-jarige Robert M., medewerker bij kinderdagverblijf 't Hofnarretje en oppas aan huis, bekende tientallen kinderen seksueel te hebben misbruikt. M. maakte daar vaak beelden van en verspreidde die via internet.

Uit het politie-onderzoek bleek dat er 87 slachtoffers waren. M. kreeg 19 jaar cel en tbs.