Plus Achtergrond

Zonder private financiering was het sportstadion in Zuid niet gebouwd

In 1919 leverde de Amsterdamse houthandelaar Jan Vink het hout voor de uitbreiding van het eerste sportstadion aan de Amstel­veenseweg. Hij kocht meteen een aandeel van 500 gulden in het Nederlandsch Sportpark. Neef Wim Schuiveling (89) had daar jarenlang plezier van.

Het Stadion aan de Amstelveense­weg, maart 1918. Even verderop verrees later het Olympisch Stadion. Beeld Collectie Stadsarchief Amsterdam

‘We moeten een veld hebben, waar een hoekschop op te nemen is. Een eigen veld, waar geen 20.000 mensen geborgen kunnen worden, neen 50.000, want straks staan ze voor de deur. Geen tribunetjes van lattekes en nageltjes! Flinke omrastering, flinke zitplaatsen van ijzer en steen, gelijk in het buitenland.’

De redactie van het sporttijdschrift Revue der Sporten liet er in 1911 geen twijfel over bestaan: Nederland had rond de vorige eeuwwisseling behoefte aan een nationaal sportstadion. Om tot dat besef te komen moest er eerst een volgepakte houten tribune instorten op het terrein van de Amsterdamse voetbalclub RAP, tijdens de interland Nederland-Engeland. Daarbij vielen slechts lichtgewonden, maar duidelijk was dat het zo niet langer kon. De naam van de ­beoogde sporttempel stond ook al vast: Het ­Stadion.

Dwarslatten

Op 5 april 1914 werd Het Stadion op het Nederlandsch Sportpark aan de Amstelveenseweg in gebruik genomen met de interland van het Nederlands elftal tegen Duitsland. Deze eerste wedstrijd trok 22.129 toeschouwers, nauwkeurig geregistreerd door zestien automatische tourniquets. De officiële capaciteit werd vastgesteld op 24.000 toeschouwers, veel minder dan de door Revue der Sporten verlangde 50.000.

In 1919 wordt de capaciteit met de bouw van tijdelijke tribunes op de sintelbaan uitgebreid naar 30.000 toeschouwers. Tegelijkertijd wordt er een opneembare houten wielerbaan geleverd, die vooral in de voetballoze maanden intensief wordt gebruikt. De renners hadden een haat-liefdeverhouding met deze baan, die ze door de dwarslatten over het rijvlak ook wel de ‘omgevallen schutting’ noemden. De Amsterdamse houthandelaar Jan Vink leverde het hout voor de extra tribunes en wellicht ook voor de wielerbaan. En opmerkelijk, hij koopt ook een aandeel van 500 gulden in het Nederlandsch Sportpark.

Wim Schuiveling: ‘Ik herinner me al die sprintduels op de baan tussen Arie van Vliet en Jan Derksen. Die twee stonden soms minutenlang surplace.’ Beeld Lin Woldendorp

“Misschien was het een onderdeel van de zakelijke transactie,” zegt Wim Schuiveling, de 89-jarige neef van houthandelaar Jan Vink. “Dat de directie van het sportpark zei: ‘Wij nemen bij jou hout af, als jij een aandeel koopt.’ Maar vergis je niet, 500 gulden was in die tijd een enorm bedrag.” De bewijzen, de kwitantie uit 1919 en de statuten van de Maatschappij tot Exploitatie van het Nederlandsch Sportpark, liggen op tafel van zijn woning in Velserbroek. 

“Tien jaar later is dat aandeel omgezet in twee aandelen van 250 gulden in het Olympisch Stadion.” Daarvan hebben zijn drie ooms, en later hijzelf, jarenlang profijt gehad. “Tussen 1929 en 1980 hebben we als aandeelhouders alle evenementen in het Olympisch Stadion gratis kunnen bijwonen. “Totdat Ajax bij grote wedstrijden doorkreeg dat ze door ons inkomsten misliepen.”

Speedway

Hoewel het een nationaal stadion betrof, was de bouw van Het Stadion – en later ook het Olympisch Stadion – te danken aan particulier initiatief en private financiering. De Olympische Spelen van 1928 werden gered door een grote landelijke inzamelingsactie, nadat een Kamermeerderheid een streep had gezet door de ­financiering. Binnen tien dagen werd 1,5 miljoen gulden opgehaald.

Wim Schuiveling koestert zijn stadionherinneringen. En niet alleen van de voetbalduels van Oranje, DWS, BlauwWit, FC Amsterdam of Ajax: “Tijdens een beslissingswedstrijd in 1941 werd door de Duisters een Engels vliegtuig neergehaald.” Hij herinnert zich ook nog het concours hippique op de grasmat en de speedway op de sintelbaan. Een van de hoogtepunten was de start van de Tour de France bij het Olympisch Stadion in 1954. “Vooral het baanwielrennen was in die tijd populair. Van die stayerwedstrijden achter de grote motoren bijvoorbeeld. En ik ben getuige geweest van een groot aantal sprintduels op de baan tussen Arie van Vliet en Jan Derksen. Die twee konden minutenlang surplace staan. Je had er soms ook wegrenners bij, die waren daar minder in bedreven. Die begonnen dan al snel te wiebelen.”

Familieaandeel

Het familieaandeel in het eerste nationale stadion van Nederland wakkerde bij Wim Schuiveling zijn fascinatie voor sport aan. Net als zijn oom participeerde hij als aandeelhouder in de bouw van de Johan Cruijff Arena. Zijn twee certificaten zijn goed voor vier stoelen. “Omdat we in het Olympisch Stadion als aandeelhouder vaste plaatsen hadden in vak LM, schuin achter het doel, heb ik in de Arena gekozen voor gelijkwaardige stoelen. Nu zit ik met mijn zoons en kleinzoons in vak 113, schuin achter het noordelijke doel.”

Rinus Michels, Faas Wilkes en Abe Lenstra

Met de jeep van de houthandel gaf Wim Schuiveling de jonge Ajacied Rinus Michels vaak een lift van de trainingen naar zijn ouderlijk huis aan de Westlandgracht. “Vooral als het regende, daar had hij een rothekel aan.” Ook Faas Wilkes kon altijd rekenen op een gratis taxi­ritje. “Die bracht ik een keer naar een café aan de Hoofdweg. Moest ik mee naar binnen. Bleek hij een biljartafspraak te hebben met Abe Lenstra. Ik heb dus gezien dat Abe ook biljartballen het gewenste ­effect kon geven. Fenomenaal ­balgevoel had die man.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden