PlusAchtergrond

Zitjes voor de dorstige mens: zo ontstond in Amsterdam de terrascultuur

Café Bisschop, Damrak 101/hoek Dam, augustus 1877.
 Beeld Stadsarchief Amsterdam
Café Bisschop, Damrak 101/hoek Dam, augustus 1877.Beeld Stadsarchief Amsterdam

De volle, zomerse terrassen zijn een relatief nieuw beeld in Amsterdam. Pas halverwege de 19de eeuw ontdekte de Amsterdammer het plezier van buiten eten en drinken – en het aan zich voorbij laten trekken van de stad.

Tom van der Meer

Het terras is niet weg te denken uit Amsterdam. Maar tot anderhalve eeuw geleden was een bankje op het stoepje naast de deur meestal het beste dat een café te bieden had. Weliswaar had het in 1870 geopende bierhuis Die Port van Cleve aan de Nieuwezijds Voorburgwal tot 1886, toen de plek werd bebouwd, ’s zomers achter het gebouw een populair ‘zitje’, zoals de tafeltjes en stoeltjes buiten bescheiden werden genoemd. Maar langs de straat waren er geen terrassen. Dat lag niet aan een gebrek aan cafés. Die waren er genoeg.

Het caféleven speelde zich binnen af. Ook in de zomer. De stad was geen plek om op straat te zitten. Vooral omdat er nog geen trottoirs waren – pas in 1861 besloot het gemeentebestuur tot de aanleg daarvan – en het dus niet mogelijk was op veilige afstand van het verkeer ontspannen te zitten. Bovendien stonk het op straat. Zolang bedrijven en huishoudens afval en ontlasting in de grachten loosden, bleef een dorstig mens daar op een warme zomeravond liever uit de buurt en ging de kroeg in.

Berebijt en het Kalfje

Wie behalve bier ook frisse lucht wilde, kon beter de randen van de stad opzoeken. Wandelen naar de Berebijt aan de Amsteldijk, naar het terras van het Kalfje aan de Amstel of met een bootje oversteken naar de tuin van het Tolhuis aan de overkant van het IJ. En wie zich een tramritje naar Zandvoort niet kon veroorloven, raadde Het Nieuws van den Dag in 1877 het strandje bij herberg Zeeburg aan de Zuiderzee aan: ‘een waar lustoord voor kinderen en groote menschen’.

Rond 1880 kwam er nieuwe horeca bij in de stad. Grote bierhallen en café-restaurants, niet zelden gefinancierd door brouwerijen als Heineken, die meeliftten op de economische bloei van de stad en – niet te vergeten – op de start van het toerisme. Ook de massaal bezochte Wereldtentoonstelling van 1883, op wat nu het Museumplein is, gaf de horeca een enorme impuls. ‘We zagen als het ware de stad en de maatschappij veranderen. Amsterdam was een suffe stad geweest, maar het werd nu een levende stad,’ herinnerde dichter en politicus Herman Gorter zich veertig jaar later.

De horeca deed met allure een grotere jas aan. Naar Parijs’ voorbeeld, waar brede boulevards met al even brede trottoirs waren aangelegd waaraan zich brasseries met terrassen vestigden. De Amsterdamse aanpak was een stuk bescheidener, maar daar waar met de demping van grachten en sloop van panden ruimte voor wegen, warenhuizen en kantoren werd geschapen – aan het IJ, Damrak, Rokin, Dam, Leidseplein, Rembrandtplein – zagen ook hotels en café-restaurants hun kans. Op z’n Frans, met tafeltjes en stoeltjes voor de deur.

Trekpleisters

Al gauw waren de terrassen ’s zomers niet meer weg te denken. De voormalige Botermarkt, het huidige Rembrandtplein, werd na de sloop van de Boterwaag in 1874 het uitgaanscentrum van de stad. Café-restaurant Mille Colonnes, in 1880 geopend door Heineken, was een fameuze plek aan het plein. De verlichting en spiegelwanden in de benedenzaal verduizendvoudigden de gietijzeren zuilen en de bezoekers.

Voor het café zaten de klanten al gauw ook buiten, zelfs als het niet volop zomer was: ‘Gisteravond, 17 maart, zaten bezoekers van Mille Colonnes voor het café op den trottoir van het Rembrandtplein (...) als waren we in het hartje van den zomer,’ aldus het Algemeen Handelsblad in 1884.

Ook het Leidseplein veranderde. De terrassen van het begin jaren tachtig geopende Café Hollandais en Café Americain in het American Hotel waren er de trekpleisters. Hollandais (in 1909 gesloopt voor een uitbreiding van het Hirschgebouw) was een verzamelplek voor Amsterdamse politici, Americain trok een wat artistieker publiek.

Standsverschillen

Het Nieuws van den Dag vond dat de terrassen het plein een buitenlands aanzien gaven: ‘Als er ooit een sprekend teeken is van een veranderd leven bij de voorname Amsterdammers dan dit. Vroeger stopten dezen zich in hunne huizen weg, onttrokken zich aan het oog.’ Dat was scherp gezien. Mannen en vrouwen uit de betere kringen die het voorheen te ordinair hadden gevonden om en public te gaan eten en drinken, deden dat nu wel in de nieuwe café-restaurants en op terrassen. Kijken en gezien worden, het mocht voortaan.

De nieuwe trottoirs hadden ruimte gegeven aan voetgangers die gingen winkelen, etalages kijken, flaneren of op een terras wilden zitten. De stad was attractiever geworden. De Amsterdammer met tijd en geld bekeek de vernieuwde stad en de voorbijgangers vanaf het terras.

Maar de terrassen hieven de standsverschillen niet op. Al zetten ook in de nieuwe arbeidersbuurten cafés hun tafeltjes en stoeltjes hier en daar buiten. Zoals in de Indische Buurt, waar twee café-eigenaren in de Celebesstraat en de Borneostraat al meteen na de opening van hun cafés in 1902 een vergunning voor een terras aanvroegen. Het terras had de stad veroverd.

Dit is een ingekorte bewerking van het originele artikel uit het zomernummer van Ons Amsterdam, dat in het teken staat van het terras: onsamsterdam.nl

Voor elk wat wils

Voor wie rond 1900 gebonden was aan de zomerse stad en het zich kon veroorloven, waren er voldoende terrassen beschikbaar. Wie aan wilde schurken tegen de artistieke en intellectuele elite, moest een plekje vinden op het terras van Die Port van Cleve of Mille Colonnes. Amsterdam voorbij zien flaneren en en passant een beroemde toneelspeler in het wild zien? Dan moest je bij Café Americain zijn. Oranjeliefhebbers gingen naar het Vondelpark of café Bisschop. Muziekfanaten kwamen aan hun trekken in de Tolhuistuin, al streken de militaire kapellen op zomeravonden overal wel neer in de stad.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden