PlusInterview

Zes historici noemen aanwijzen notaris als verrader Anne Frank onzin: ‘Hij was beslist geen collaborateurstype’

De Joodse Raad in 1942, met zittend, vijfde van links Arnold van den Bergh. Beeld Image Bank ww2- niod-Joh. de Haas.
De Joodse Raad in 1942, met zittend, vijfde van links Arnold van den Bergh.Beeld Image Bank ww2- niod-Joh. de Haas.

Wie was notaris Arnold van den Bergh, die door een coldcaseteam is aangewezen als verrader van Anne Frank? Had hij reden verraad te plegen en was hij het type collaborateur? Zes historici bogen zich over het omstreden boek Het verraad van Anne Frank en noemen de beschuldiging volstrekte flauwekul. Dinsdag presenteren ze hun rapport.

Hanneloes Pen

De ophef over het boek Het verraad van Anne Frank van Rosemary Sullivan was groot. De conclusie dat de Joodse notaris Arnold van den Bergh (1886-1950) de verrader van het Achterhuis zou zijn, werd door tal van historici direct onderuit gehaald. Zes historici hebben elk op hun eigen werkterrein de beweringen in het omstreden boek onderzocht. “Dat zijn we aan onze professie verplicht,” zegt Bart Wallet, hoogleraar Joodse Studies aan de Universiteit van Amsterdam.

Ze doken in (privé)archieven, naoorlogse getuigenissen, dagboeken en verzetsnetwerken. Waar de een de rol van Van den Bergh belichtte in de omstreden Joodse Raad – een doorgeefluik van de anti-Joodse maatregelen van de bezetter – onderzochten anderen zijn positie als notaris, zijn onderduikplek in het Gooi en zijn verkregen Calmeyerstatus, waardoor hij niet op transport hoefde. Ook maakten ze een schets van de persoon Van den Bergh. Hun bevindingen zijn als een puzzel neergelegd. Wallet: “Om Van den Bergh goed te begrijpen, moet je een breder profiel van de man schetsen. Was dit een collaborateur?”

Een correct, gereserveerd familiemens

Die schets leidde tot een deftig, gerespecteerd man, een familiemens ook. Hij was correct, gereserveerd en in hart en nieren een bestuurder, concluderen de historici. “Echt een regent. Hij paste in de regentenclub die de Joodse Raad was met daarin een rechter, professor en opperrabbijn,” zegt Bart van der Boom, universitair docent geschiedenis aan de Universiteit Leiden.

Dat Van den Bergh, lid van de Joodse Raad, in het boek wordt aangewezen als de verrader van het Achterhuis is ‘volstrekte flauwekul’ en ‘is op niets gebaseerd’, zeggen Wallet en Van der Boom, die aan de vooravond van de presentatie van hun onderzoeksrapport dinsdagavond in Spui25 alvast een tipje van de sluier oplichten.

De vermogende Van den Bergh runde een succesvol notariskantoor en trad pas zes weken na de oprichting van de Joodse Raad, op 13 februari 1941, als lid toe om zich bezig te houden met de armen- en ziekenzorg. “Hij was een maatschappelijk betrokken man,” zegt Wallet.

In Sullivans boek echter wordt beweerd dat Van den Bergh hoge nazicontacten had en samenwerkte met de Sicherheitsdienst. Hij zou via de Joodse Raad over een lijst met onderduikadressen hebben beschikt en die aan de Duitsers hebben verstrekt om zichzelf en zijn gezin te redden. Van der Boom, van wie volgende maand het boek De politiek van het kleinste kwaad verschijnt over de Joodse Raad, noemt het bestaan van die lijst onzin. “Die waren er niet.”

Redden wat er te redden viel

Dat Van den Bergh beschikte over contacten met hoge Duitsers klopt volgens Van der Boom ook niet. “Alleen de voorzitters van de Joodse Raad spraken met de Duitsers,” zegt Van der Boom, die bovendien het ‘gitzwarte beeld’ van de Joodse Raad in zijn boek weerlegt. “Het beeld dat iedereen van de Joodse Raad zijn eigen hachje probeerde te redden, is ongenuanceerd en niet historisch. Zo waren deze mensen niet. Zij wisten destijds niet wat wij nu weten, namelijk dat de Joden niet werden weggevoerd om te werken in de kampen maar om te worden vergast.”

De leden van de Joodse Raad spraken zelf in de oorlog geregeld over hun eigen handelen. Van der Boom: “Ze realiseerden zich dat ze een werktuig waren van de Duitsers. Ze vroegen zich af of ze wel moesten meewerken aan de anti-Joodse maatregelen en realiseerden zich dat ze vuile handen maakten. Maar ze besloten te redden wat er te redden viel. Ze zorgden dat gedeporteerden bij hun vertrek een goed ingepakte rugzak hadden. Ze geloofden oprecht dat ze iets goeds deden. Achteraf bleek het een rampzalige beslissing.”

Het gitzwarte beeld is na de oorlog ontstaan, zegt Van der Boom. In zijn boek haalt hij onder meer de historici Loe de Jong en Jacques Presser en de Joods-Amerikaanse filosoof Hannah Arendt aan. Zij zagen de Joodse Raad als verraad van eigen mensen, louter en alleen uit egoïsme. Arendt noemde de geschiedenis van de Joodse Raden, die ook in tal van andere landen werden opgericht, ‘het somberste hoofdstuk van het gruwelverhaal’.

Van der Boom: “Bekijk de Joodse Raad in het licht van 1942. In de historische context begrijp je hun handelen. Ze wisten niet van de vernietigingskampen. Klokkenluiders die naar de Joodse Raad kwamen, werden niet geloofd. Ze kenden de geruchten maar die leken in hun ogen ongeloofwaardig.”

Een evenwichtig beeld

Historicus Aaldrik Hermans heeft de verzetsnetwerken in het Gooi blootgelegd. Hij heeft documenten en getuigenissen uit en na de oorlog gevonden over de onderduikplek van Van den Bergh en zijn vrouw Guusje. Van den Bergh bleek vanaf februari 1944 tot aan de bevrijding ondergedoken te hebben gezeten in Laren. Wallet: “De inval in het Achterhuis was in augustus dat jaar. Waarom zou hij dan die lijsten hebben verstrekt? Niet voor zichzelf en zijn gezin. Daar had hij geen baat bij.”

De historici willen met hun onderzoek geen heilige van Van den Bergh maken, maar een evenwichtig beeld schetsen. Wallet: “Familiebanden waren erg belangrijk voor hem. Hij probeerde ook neven en nichten te redden. Die banden strekten verder dan zijn eigen gezin.”

Uit het onderzoek naar de notariële stukken van Van den Bergh, die als notaris betrokken was bij de gedwongen verkoop van kunstwerken uit de Goudstikker-collectie aan vooraanstaande nazi’s, kwamen geen onvertogen zaken aan het licht. Wallet: “Hij verrijkte zichzelf niet, maar handelde integer en correct. Hij was een man van waarden en normen, beslist geen collaborateurstype.”

Reactie coldcaseteam

Het coldcaseteam gaf eerder aan nog altijd “vierkant” achter zijn onderzoek te staan. Op de website is in twee lange verklaringen, waarvan de laatste maandag is gepubliceerd, ingegaan op de kritiek. Hoofdonderzoeker van het coldcaseteam Pieter van Twisk was op voorhand niet op de hoogte van de analyse. “Onze theorie is een theorie en niet meer dan dat,” zei hij. “Als er argumenten zijn die aantoonbaar onze theorie ondermijnen zullen we zonder meer onze mening bijstellen en deze theorie ook afwijzen. Vooralsnog is dat niet het geval.”

Het 65 pagina’s tellende rapport komt dinsdag om 18.00 uur online. Het boek ‘De politiek van het kleinste kwaad’ van Bart van der Boom verschijnt 14 april bij Boom Uitgevers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden