PlusPunt voor punt

Wanneer is een school te klein om open te blijven?

Aan het eind van dit schooljaar sluit de Linnaeusschool in Oost. Niet alleen omdat er een lerarentekort is, maar ook omdat er te weinig leerlingen zijn. In Amsterdam zitten 39 scholen onder de zogeheten opheffingsnorm. Hoe zit dat? 

De Linnaeusschool in Oost.Beeld Jakob van Vliet

1. Wanneer heeft een school ‘te weinig’ leerlingen?

Per gemeente verschilt de ondergrens die de overheid stelt aan het aantal leerlingen van een basisschool. In Amsterdam valt een basisschool onder de opheffingsnorm als deze minder dan 195 leerlingen heeft. Dat aantal is gebaseerd op de bevolkingsdichtheid van de gemeente. In de dunner bevolkte gemeente Ouder-Amstel, waartoe bijvoorbeeld Duivendrecht en Ouderkerk behoren, is de opheffingsnorm 109 leerlingen.

Die opheffingsnorm is overigens relatief: als een school met te weinig leerlingen onder een koepel valt met wat grotere scholen, wordt er gekeken naar een gemiddeld leerlingenaantal van de hele koepel. Grotere scholen kunnen zo de kleinere in stand houden.

2. Waarom is er eigenlijk een ondergrens?

Menno van de Koppel, directeur van de Onderwijs Consumenten Organisatie, zegt dat kleine scholen niet levensvatbaar zijn omdat ze erg kwetsbaar zijn. Als een docent ziek wordt, is er al snel niemand beschikbaar om de klas op te vangen. Een leerlingentekort kan zo een lerarentekort versterken.

Ook zijn kleine scholen voor de overheid relatief duurder: scholen ontvangen niet alleen een bedrag per leerling, maar ook een vast subsidiebedrag. Dat vaste bedrag wordt over een kleiner aantal leerlingen verdeeld bij een kleine school, waardoor je kunt stellen dat het rendement van die vaste subsidie lager uitvalt bij een kleinere school. Als een school drie jaar lang onder de opheffingsnorm zit, verliest deze zijn overheidssubsidie. In praktijk betekent dat bijna altijd dat de school moet sluiten.

Van de Koppel vindt het wel zonde dat kleine scholen verdwijnen. “We hebben jarenlang ingezet op buurtscholen, en met de sluiting van kleinere scholen zullen leerlingen verder moeten lopen of fietsen naar school. Soms staan concurrenten gewoon erg dicht bij elkaar.”

3. Wat gebeurt er met de leerlingen als een school gaat sluiten?

Dat verschilt per situatie. Over het algemeen vindt er intensief overleg plaats tussen ouders en school. Arnold Jonk, directeur van scholenkoepel StaIJ waartoe de sluitende Linnaeusschool behoort, zegt: “Over twee weken is er een scholenmarkt, dan kunnen ouders naar scholen uit de buurt kijken. Vervolgens hebben ze even de tijd om een voorkeur te bepalen.” In april weten de leerlingen naar welke school ze gaan in het nieuwe jaar.

Van De Avonturijn, die ook na dit schooljaar sluit, gaan alle 78 kinderen naar de nabijgelegen basisschool De Springstok. Die school groeit in een klap van 120 naar 198 leerlingen, waardoor ook drie leerkrachten kunnen meeverhuizen.

4. En wat gebeurt er met de leraren?

Jonk zegt dat hij voor de leraren van de Linnaeusschool, die een contract hebben met de scholenkoepel StaIJ en niet met de school, inzichtelijk maakt waar er vacatures zijn. Vervolgens kunnen leraren daar zelf op intekenen. “We doen wel ons stinkende best om onze leerkrachten te behouden. Er zijn veel vacatures in de stad, maar ook veel vacatures binnen onze stichting.”

Van de Koppel: “Het gaat er om dat je niet vanuit eigenbelang probeert om leraren te behouden binnen je eigen scholenkoepel. Je kijkt waar in de stad de leraar op dat moment het hardst nodig is.” 

5. Kan een kleine school sluiting voorkomen?

Volgens de wet hóeft een school niet dicht, maar zonder overheidssubsidie kunnen ze simpelweg niet rondkomen.  Er zijn uitzonderingen van kleine scholen die hun overheidssubsidie niet verliezen. Bijvoorbeeld als een basisschool de enige school is binnen 10 kilometer. Maar zo’n school zal je in de stad niet vinden. 

Een andere mogelijkheid is dat een kleine school zich aansluit bij een grotere school.Voor de kinderen en ­ouders is het belangrijk open te blijven, maar ook uit strategische overwegingen kan het aantrekkelijk zijn om een school van een bepaalde ­signatuur te behouden in een buurt. Ouders hebben dan wat te kiezen: een openbare, katholieke of islamitische school, montessori-, dalton- of jenaplanonderwijs.

 In de praktijk ziet Van de Koppel al dat kleine scholen directeurs of interne begeleiders delen. “Het kan een oplossing zijn, maar zeker geen simpele,” zegt hij.

Van de Koppel waarschuwt ervoor dat een fusie serieus moet worden uitgevoerd. “Teams moeten gaan samenwerken, er moet een uniforme ouderraad komen. Anders krijg je al snel dat de kleine locatie een eilandje wordt en de mensen daar zich niet gehoord voelen. Dan krijg je ziekteverzuim, een verloop van leraren, en dan gaat het binnen de kortste keren weer fout.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden