Plus Reportage

Voor veel vogels is het water van polder IJdoorn een crèche

Vogelaar Arjan Dwarshuis speurt parken, bossen en achtertuinen af naar de ruim 300 vogelsoorten die de stad rijk is. De meeuwen, lepelaars, kluten en bergeenden gebruiken het water van Polder IJdoorn als crèche.

Beeld Ted Struwer

Vanuit het wuivende rietveld langs het pad klinkt de zachte, ratelende zang van een sprinkhaanzanger als een naaimachine met een loszittende spoel – een geluid dat door menig wandelaar aan een insect zal worden toegewezen. Dit zullen zijn laatste zangstrofes van het jaar zijn: binnen een paar weken vertrekt hij naar zijn overwinteringsgebieden, om pas in april weer terug te keren. In de tussenliggende periode gaat dit onopvallende, bruingekleurde vogeltje in stealth mode, kruipt hij als een muis door het Afrikaanse gras op zoek naar kevers en spinnetjes en geeft hij geen kik.

De najaarstrek is nu echt begonnen, ook al is het officieel nog zomer. Dat is goed te zien aan de constante stroom zwaluwen die ter hoogte van Durgerdam de dijk over komt zetten en dan laag over de polder richting zuid tegen de wind in ploegt. Boven het Vuurtoreneiland blijven ze even hangen, dan steken ze het IJ over en vervagen als stipjes aan de horizon.

Polder IJdoorn is vernoemd naar het plaatsje IJdoren, dat net ten oosten van Durgerdam lag en tijdens de Sint-Elisabethsvloed van 1421 door de Zuiderzee werd verzwolgen. Terwijl ik naar het weiland met paardenbloemen en grazende koeien kijk, probeer ik me voor te stellen dat hier ooit een gigantische binnenzee lag, met droogvallende slikplaten vol steltlopers en zeehonden en af en toe zelfs een verdwaalde walvis.

Met de voltooiing van de Afsluitdijk in 1932 kwam hier een abrupt einde aan. De ecologische impact van dit project moet onvoorstelbaar zijn geweest en heeft mogelijk zelfs bijgedragen aan het uitsterven van de dunbekwulp, een enigmatische Siberische trekvogel die de Nederlandse getijdengebieden als pleisterplaats gebruikte en in 1994-1995 voor het laatst op zijn overwinteringsgebied in Marokko werd waargenomen. Na de reuzenalk, ook wel ‘de pinguïn van het noordelijk halfrond’ genoemd, is dit de laatste Europese vogelsoort die officieel is uitgestorven.

Veilig voor de vos

Het pad buigt naar links en voert dwars door het manshoge riet. De laatste meters naar het uitzichtpunt leg ik sluipend af, om de aanwezige vogels niet de stuipen op het lijf jagen. Als ik voorzichtig mijn hoofd om de hoek van het houten schot steek, is het eerste wat ik zie een pas uitgevlogen jonge lepelaar, die in het kielzog van zijn moeder op hoge poten door het ondiepe water waadt. Zijn witte verenkleed mist nog de gelige borst en afhangende blonde kuif van een volwassen vogel en zijn pollepelvormige snavel, waaraan hij zijn naam te danken heeft, is nog niet helemaal volgroeid en lichtroze van kleur. Hij knikt voortdurend met zijn kop en maakt daarbij een hoog, raspend geluid.

Zijn moeder beweegt haar lange, grijze snavel zijwaarts heen en weer door het water. Haar verbrede, gele snavelpunt zit vol hypersensitieve zenuwen; telkens als die een stekelbaarsje of kikkertje raken, klapt haar snavel in een fractie van een seconde dicht, waarna ze haar prooi met een soepele beweging achter in haar keelgat laat verdwijnen. Lang kan ze niet van dit hapje genieten, want haar jong is er als de kippen bij om zijn snavel met grof geweld tot aan zijn voorhoofd haar strot in te werken, zodat ze het visje voor hem opbraakt.

Dit jong is een paar maanden geleden op de Kinseldam uit het ei gekropen. Deze anderhalve kilometer lange zandplaat in het IJmeer is in 2002 ter compensatie voor de bouw van IJburg aangelegd en viel al snel in de smaak bij pioniervogels als visdiefjes en kleine mantelmeeuwen. Inmiddels broeden er ook tientallen lepelaars. Dat is bijzonder, want de overige lepelaarkolonies rond Amsterdam bevinden zich in bomen, ver buiten bereik van de vos. Hier vormt het water een veilige barrière. Althans, tot 2015, want toen zijn op de Kinseldam voor het eerst prooiresten en uitwerpselen van dit sluwe roofdier aangetroffen. Kennelijk werd de verleiding van al die broedende watervogels hem te groot en is hij overgezwommen om een jong te verschalken. Gelukkig lijkt dit een eenmalige exercitie te zijn geweest.

Metromannen bij de kemphanen

De meeuwen en lepelaars, maar ook kluten en bergeenden, gebruiken het ondiepe water van Polder IJdoorn als crèche. Nadat de jonge vogels voor het eerst hun vleugels hebben uitgeslagen, vliegen ze onder begeleiding van hun ouders naar het plasdras. Daar staan ze als pubers op een schoolplein in groepjes bij elkaar en blèren ze de longen uit hun lijf, in de hoop de aandacht van pa of ma te trekken.

Helemaal achter in de plas is een slikrandje bloot gevallen. Een groepje bruingrijze stelt­lopers met oranje poten pikt er driftig naar wurmpjes en insecten. Het zijn kemphanen. De mannetjes zijn beduidend groter dan de vrouwtjes en sommige van hen hebben nog delen van hun bontgekleurde halskragen over. Die zetten ze in het voorjaar op om de vrouwtjes te imponeren in speciale dansarena’s op de toendra. Dan springen ze in de lucht en rennen ze als bezetenen heen en weer. Het mannetje met de beste performance mag uiteindelijk met de vrouwtjes paren. Er zijn ook metromannen, die zien er precies hetzelfde uit als de vrouwtjes. Als de machomannen even niet opletten grijpen zij hun kans en verrichten ongezien de daad.

Over een paar weken zullen de kemphanen en lepelaars, net als de sprinkhaanzanger, naar zuidelijker gelegen oorden vertrekken. Dan druppelt Polder IJdoorn langzaam vol met ganzen en eenden. Dat is het mooie van de Nederlandse natuur: de seizoenen. Elke keer dat je de deur uitgaat, ziet de natuur er weer nét een klein beetje anders uit.

Vogels van Polder IJdoorn

Deze vogelsoorten voelen zich thuis in de ruige rietvelden en ondiepe waterpartijen langs de oevers van het IJmeer.  

Kluut

Onmiskenbare, zwart-witte steltloper met hoge poten en lange, dunne, opgewipte snavel, die in ondiep water naar voedsel zoekt. Broedt op kale oevers en zandbanken langs open water.

Sprinkhaanzanger

Kleine, onopvallende, bruine zangvogel met gestreep­te bovendelen. Onmiskenbare, ratelende, insectachtige zang. Zomergast, broedt in ruigtes en rietvelden.

Bergeend

Middelgrote, zwart-witte gansachtige watervogel, met brede, kastanjebruine borstband en rode snavel. Mannetjes hebben opvallende rode snavelbobbel. Standvogel, broedt vaak in konijnenholen. 

Kemphaan

Bruingrijze steltloper, met oranje poten en relatief korte snavel. Mannetjes beduidend groter dan vrouwtjes en in het voorjaar met bontgekleurde kraag en kuif, die kunnen worden opgezet tijdens de paringsdans.

Lepelaar  

Forse, witte waadvogel op hoge poten. Lange, afhangende kuif, gelige borst en lange, grijze snavel met pollepelvormige gele punt. Zomergast en koloniebroeder.

Zomerserie

Arjan Dwarshuis heeft in veertig landen bijna 7000 vogelsoorten ­gespot. Hij schreef er het boek Een ­bevlogen jaar over. In deze ­zomerserie richt hij zijn verrekijker op de vogels in Amsterdam.

1. De stad

2. Vondelpark

3. Schinkelbos

4. Westelijk ­Havengebied

5. Amsterdamse Bos

6. Polder IJdoorn en Kinseldam

7. Waterland

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden