Plus Reportage

Vogels in het Vondelpark: multiculti als de stad

Vogelaar Arjan Dwarshuis speurt ­deze zomer Amsterdamse parken, ­bossen en achtertuinen af naar de ruim 300 ­vogelsoorten in de stad. In het Vondel­park huist een mix uit alle delen van de wereld. Ooievaars zijn er de trots.

Beeld Ted Struwer

Hij houdt zijn kop schuin en kijkt me onderzoekend aan met zijn glanzende, bloedrode kraalogen. Zijn donkergrijze lichaam en fluweelzwarte kop contrasteren scherp met zijn witte bles en snavel, waarvan alleen de punt gedompeld lijkt te zijn in een subtiele, zachtroze gloed – van dichtbij is de meerkoet een prachtige vogel. Aan zijn lichtgroene, geschubde poten zitten lange, gelobde tenen die sterk doen denken aan die van een gekko of varaan. Dat is niet verwonderlijk als je bedenkt dat vogels ongeveer 150 miljoen jaar geleden uit dinosauriërs zijn geëvolueerd. Mijn meerkoet ijsbeert met berekenende tred heen en weer over het gras en verliest daarbij mijn pizza geen moment uit het oog. Met een explosief ‘psiet!’ laat hij aan de aanwezige waterhoentjes en kauwtjes weten dat ze maar beter uit zijn buurt kunnen blijven en dat eventuele kruimels alleen voor hem bestemd zijn.

Deze meerkoet woont al bijna heel zijn leven in het Vondelpark, dat zie ik aan de oranje kunststof ring met drieletterige inscriptie om zijn linkerpoot, die hem ooit door een vogelonderzoeker is omgedaan. De kleur- en lettercombinatie zijn uniek en daardoor is deze vogel individueel herkenbaar. Elke keer dat deze meerkoet wordt waargenomen en zijn ringgegevens ingevoerd worden in de database van het Vogeltrekstation, leren we meer over de levensweg die hij heeft bewandeld. Zo zijn we bijvoorbeeld te weten gekomen dat onze Amsterdamse meerkoeten in de wintermaanden gezelschap krijgen van soortgenoten uit het Oostzeegebied.

In een oude holle boom

Van links komt een familie nijlganzen aangewaggeld: ouders voorop, daarachter zeven donzige kuikens en drie bijna volgroeide jongen uit een eerder legsel als hekkensluiters. Ook zij hebben duidelijk hun zinnen gezet op mijn pizza. Pa nijlgans maakt zich los van zijn gezin en rent luid blazend en met klapperende vleugels op de meerkoet af, die eieren voor zijn geld kiest en in het riet verdwijnt. Nijlganzen zijn notoir agressief, dat zit nou eenmaal zo gebakken in hun DNA. Van nature komen ze langs open waterpartijen in Afrika voor, waar overal gevaar dreigt, van meterslange krokodillen en pythons tot mangoesten en grijpgrage bavianen. Als je dan als nijlgans je mannetje niet staat, ben je ten dode opgeschreven. In de jaren zestig is deze exoot in ons land geïntroduceerd en sindsdien is de populatie gestaag gegroeid tot meer dan 10.000 broedparen, die de lokale fauna overal waar ze komen terroriseren.

Terwijl de nijlganzenfamilie als een stel hyena’s om me heen cirkelt, merk ik dat er nog meer ogen op mij zijn gericht, vanuit de treurwilg aan de overkant van het water. Twee lichtgele irissen achter een groteske, rode papegaaiensnavel. Het is een grote alexanderparkiet: een stuk forser dan de algemenere en eveneens knalgroene halsbandparkiet, met een langere staart en karakteristieke paarse schouderveren. Zijn natuurlijke verspreidingsgebied strekt zich uit van India tot Vietnam, dat van zijn kleinere neefje beperkt zich tot het Indisch subcontinent en de Afrikaanse Sahel. Beide zijn hier ooit, net als de nijlgans, door de mens geïntroduceerd en hebben het uitstekend naar hun zin: de oude holle bomen in het Vondelpark bieden voldoende nestgelegenheid, er is voedsel in overvloed en een strenge winter hebben we in geen jaren meer gehad.

Het vogelleven in het Vondelpark is een weerspiegeling van de multiculturele samenleving van Amsterdam. In het late najaar strijken Poolse kok- en stormmeeuwen neer in deze groene oase midden in de stad; als ze in het voorjaar weer wegtrekken, wordt hun plaats ingenomen door kleine mantelmeeuwen, die de winter in het zonnige Mauritanië hebben doorgebracht. ’s Zomers klinkt vanuit dichte rietkragen de stuiterende zang van de kleine karekiet, een onopvallend vaalbruin zangvogeltje dat de rest van het jaar in de Afrikaanse moerassen leeft, en ’s winters dalen groepen vinken en sijzen af vanuit de Scandinavische naaldwouden om zich hier te goed te doen aan elzenzaadjes.

Kroketje uit de muur

Dé trots van het Vondelpark is het ooievaars-paar, dat elk jaar rond eind februari neerstrijkt op een kunstmatig paalnest midden in het park. Daar aangekomen gooien ze hun kop in de nek en klepperen ze met hun snavels om hun paarband te bezegelen. In de jaren zeventig was dit tafereel ondenkbaar, want toen broedden er nog hooguit tien paartjes in heel Nederland. Met behulp van een groot herintroductieproject lukte het om het tij te keren en zodoende is deze majestueuze zwart-witte vogel weer een vertrouwde verschijning in grote delen van het land.

Rond Koningsdag komen de ooievaarseieren uit en twee maanden later slaan de jonkies definitief hun vleugels uit. Eind augustus zegt vader zijn gezin alweer vaarwel. Terwijl zijn vrouw en kinderen naar zonnige, zuidelijk gelegen oorden migreren, zwerft hij de hele winter door de polders rond Amsterdam, waar hij zich tegoed doet aan regenwormen en veldmuizen. Als die hem de neus uitkomen, vliegt hij naar een flat in Amstelveen, waar een oudere dame hem dode piepkuikens toewerpt vanaf haar balkon; het ooievaarsequivalent van een kroketje uit de muur trekken.

Vondelparkvogels

Ze zijn onlosmakelijk verbonden met Amsterdam en geven kleur aan onze stadsparken. Deze vijf vogelsoorten voelen zich thuis in het Vondelpark.

Meerkoet
Plompe, zwarte watervogel met witte bles en snavel. Niet te verwarren met zijn kleinere neefje de waterhoen, die een knalrode snavel met gele punt en opvallende witte onderstaart heeft. Beide zijn jaarrond in het Vondelpark te vinden.

Nijlgans
Forse, oranjebruine watervogel met donkere oogvlek, lange roze poten en opvallende witte vleugelvelden. Leeft jaarrond in het Vondelpark en broedt in dichte vegetatie en holle bomen.

Grote alexanderparkiet
Grote, knalgroene parkiet, met lange staart, zwarte keel/halsband, forse rode snavel en paarse schoudervlekken. Broedt in holle bomen en komt elke avond met zijn soortgenoten samen op hun slaapplaats in het Oosterpark.

Halsbandparkiet
Kleiner dan de zeer gelijkende grote alexanderparkiet, kortere staart, kleinere snavel en minder opvallende zwarte keel/halsband. Broedt in holle bomen en komt elke avond met honderden tegelijk samen op slaapplaatsen in de stad.

Ooievaar
Grote, elegante, zwart-witte vogel, met lange ronde poten en snavel. Vliegt in tegenstelling tot reigers met gestrekte nek. Broedt in de zomer op een paalnest midden in het Vondelpark. Jonge vogels en twee derde van de volwassen vogels trekken in het najaar naar het Iberisch schier­eiland en West-Afrika. 

Zomerserie door Arjan Dwarshuis

Arjan Dwarshuis heeft in veertig landen bijna 7000 vogelsoorten ­gespot. Hij schreef er het boek Een ­bevlogen jaar over. In deze ­zomerserie richt hij zijn verrekijker op de vogels in Amsterdam.

1. De stad
2. Vondelpark
3. Schinkelbos
4. Westelijk ­Havengebied
5. Amsterdamse Bos
6. Polder IJdoorn en Kinseldam
7. Waterland

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden