PlusInterview

Verzetsvrouw Selma van de Perre: 'Elke dag ben ik blij dat ik leef'

Selma van de Perre in haar huis in Londen. Na het overlijden van haar man werd ze Brits staatsburger. Beeld EPA/Vickie Flores

De Joodse verzetsvrouw Selma van de Perre (97) belandde in 1944 in kamp Ravensbrück. Ze overleefde het ternauwernood. Nu heeft ze haar verhaal opgeschreven voor volgende generaties.

Met een extra kussen zit ze thuis als op een troon. Iedereen die haar leven kent, zou haar die zetel ook gunnen – maar nee, deze plek is pure noodzaak, niet geboren uit ijdelheid. “Ik moet van de dokter mijn voeten op een bankje voor me leggen,” zegt Selma van de Perre met een lach. “Voor een ­betere doorbloeding.”

Verder mankeert haar weinig. Ze woont zelfstandig, kookt nog zelf, doet haar eigen boodschappen. Ze buigt even naar voren, alsof ze een geheim verklapt. “Ik heb tot voor kort nog golf gespeeld, maar ik ben ermee gestopt. Ik vond het een beetje te gevaarlijk worden. Weet je, als je als oud mens valt en je breekt iets, dan ben je er geweest.”

Met haar gezondheid, kwieke geest en heldere lach tart Selma van de Perre alle verwachtingen. Ze had allang dood kunnen zijn. Volgens nazi-Duitsland móeten zijn. Eerst zet de Joodse vrouw uit Amsterdam haar leven op het spel in het verzet tegen de Duitse bezetter. Na haar ­arrestatie in juli 1944 gaat zij op transport naar nazi-Duitsland. Via kamp Vught komt Van de Perre terecht in Ravensbrück, het concentratiekamp voor vrouwen nabij Berlijn. Daar is het ­leven een hel. Een kamparts denkt zelfs op een bepaald moment dat Selma dood is. “Maar ik weiger de Duitsers hun zin te geven. Ik heb me vastgeklampt aan dunne levensdraadjes en heb het uiteindelijk gered.” Ze kijkt zo weinig mogelijk achterom. “Elke dag ben ik blij dat ik leef.”

Gelukkig kind

Tot de Duitse inval in mei 1940 leidt Selma ­Velleman (haar meisjesnaam) al een bewogen leven. Vader Barend is acteur, zanger en presentator die soms moet sappelen en vaak verhuist voor zijn werk. “Maar ik was een gelukkig kind. Pa was liberaal, met vooruitstrevende opvattingen. Mijn familie deed niet aan geloof.” Haar ­vaders drankzucht is vooral een probleem voor haar moeder Fem. “Zij was de liefste vrouw van de wereld.” Behalve twee oudere broers, David en Louis, heeft Selma een jong zusje, Clara.

Na de Duitse inval worden de Vellemans tweederangsburgers. Haar broers zitten veilig in ­Engeland. Louis werkt daar in de koopvaardij, David bereikt met andere Nederlandse militairen Londen. Voor de 17-jarige Selma wordt de oorlog een kwestie van overleven. “Tot die tijd hadden veel mensen er geen idee van dat ik Joods was. Ik zag er niet Joods uit,” zegt Van de Perre. Het zal haar leven redden.

In 1942 wordt haar vader op transport naar Westerbork gezet. Hij zal, blijkt later, op 7 ­december in Auschwitz worden vermoord. Haar oma, ooms en tantes, neven en nichten ­ondergaan eenzelfde lot. De volgende grote klap komt in juli 1943. Haar moeder en zus Clara, ­ondergedoken in Eindhoven, worden opgepakt. “Ik heb nooit meer iets gehoord. Ze zijn naar ­Sobibor gestuurd en meteen vermoord. Mijn moeder was 53, Clara 15.”

1930, Selma, rechts op de foto, met haar moeder, zusje Clara en vriendinnetje Jo Grobfeld.Beeld Privéarchief

Na hun verdwijning stort Selma zich in het verzet. Zij is lid van de TD-groep, een actiegroep die zich bezighoudt met het verzorgen van identiteitspapieren en bonkaarten. “Ik hoorde dat iemand in gevangenschap uit het raam was ­gesprongen en om het leven was gekomen. Hij was bang dat hij mensen zou verraden als ze hem gingen martelen. Die zelfopoffering vond ik zo bijzonder. Toen ze jonge mensen tekort kwamen, heb ik ja gezegd.”

Als Margareta van der Kuit (Marga), de naam van een overleden niet-Joodse baby, doet ze koerierswerk door heel Nederland. Met doorzettingsvermogen, instinct en geluk weet Van de Perre verscheidene keren te ontsnappen aan de bezetters. Op 18 juni 1944 is haar geluk op en wordt ze gearresteerd. Via kamp Vught komt ze terecht in Ravensbrück, in het ‘gangpad van de dood’, als nummer 66947. Op haar kleding zit een rood driehoekje, het teken voor politieke ­gevangenen. Niemand weet dat zij Joods is.

“In vergelijking met Ravensbrück was kamp Vught een kuuroord,” zegt Van de Perre. In het Duitse kamp zijn bijna honderdduizend vrouwen en kinderen omgekomen door executies, honger en ziektes. Er vinden medische experimenten plaats, slavenarbeid en marteling. “De barakken waren overvol. Er lagen drie tot vier mensen op één bed. Duizenden sliepen op de grond,” ­beschrijft Van de Perre. In 1943 wordt er een crematorium gebouwd, een jaar later een gas­kamer.

Van de Perre overleeft de gruwelijkheden dankzij kleine dingen met grote waarde: een lange herenonderbroek, een dikke jas, de herinnering aan gedichten.

Op 23 april 1945 wordt Ravensbrück bevrijd. Zweedse diplomaten brengen de overlevenden naar Malmö. Eerst zegt zij op de vraag wie zij is: Margareta van der Kuit. Maar dan schudt zij de angst van zich af, wil ze kunnen zijn wie ze is: “Mijn naam is Selma. Selma Velleman.” Anderen begrijpen niet dat zij haar echte naam zo lang geheim heeft weten te houden. “Mensen vragen me nog steeds waarom de Duitsers nooit achter mijn echte identiteit zijn gekomen. Kennelijk riep ik als Marga nooit vragen op. Dat is mijn geluk geweest.”

Geluk had zij zeker. Zonder enige voorbereiding reist zij in haar verzetsjaren naar Parijs.

In het hoofdkwartier van de nazi’s wisselt ze ­papieren uit met iemand die daar werkt. “Ik ­begrijp niet dat ik dat heb gedurfd. Maar als je idealen hebt, dan kun je er niet alleen over praten. We waren ook naïef, maar dat concludeer je met de kennis van nu.”

Grote eenzaamheid

Ook bij haar vertrek uit Ravensbrück mag zij van geluk spreken. Ze verliest de strijd met een ­medegevangene over het beste plekje in een vrachtwagen. Ze stapt in een andere truck.

Het voertuig waarin zij had willen zitten, vliegt bij een geallieerde luchtaanval de lucht in. De bevrijders dachten dat zij Duitse soldaten ­zagen.

Het is niet alleen geluk, zegt Van de Perre. “Ik nam meermaals het juiste besluit op het juiste ­moment.” Bovendien moet je ook voor jezelf hard zijn, zegt ze. “Ik haalde bijvoorbeeld in ­Ravensbrück eten voor een zwangere vrouw. Hoe lekker het ook rook, hoeveel honger ik ook had, ik heb er nooit iets van gegeten.”

1945: Na de oorlog keert Selma terug naar Nederland via Malmö. Beeld Privéarchief

Na de bevrijding keert Van de Perre terug naar ­Nederland. Zij wordt opgevangen door haar ­beste vriendin, Greet Brinkhuis, en sluit haar broers Louis en David in de armen. Op Davids voorspraak krijgt zij een baan op de Nederlandse ambassade in Londen. Ze rouwt om haar ­ouders en Clara, verbijt grote eenzaamheid. Van de Perre kan of wil haar verhaal over de verschrikkingen in het concentratiekamp niet kwijt. “Ik heb er in mijn eerste jaren na de oorlog niets over gezegd. Als iemand er eens naar vroeg, geloofden ze het verhaal toch niet.”

In Londen gaat ze studeren en krijgt ze een baan bij de BBC Wereldomroep. Ze ontmoet haar ‘grootste geluk’: de Belgische journalist Hugo van de Perre, zoon van de oprichter van De Standaard. In 1955 trouwt ze met hem. “Ik heb het zo met hem getroffen. Ongelooflijk jammer dat hij veel te vroeg, in 1979, is gestorven.” Ze wijst naar een foto op het dressoir: “Wat een knappe man. We hebben een heerlijk leven gehad.” De twee krijgen een zoon, Jocelin.

Wakker liggen

Na het overlijden van haar man neemt Van de Perre zijn werk over. Zij wordt correspondent, schrijft voor onder meer Avro’s Televizier en De Standaard. Ze wordt Brits staatsburger, haar thuis blijft de woning aan Black Lion Lane. Het vertrouwde huis vol foto’s en kunst. Daar zal ze gaan werken aan haar levensverhaal. “Ik wilde eigenlijk niet. Maar de kinderen van mijn broers zeiden: ‘Selma, je moet het opschrijven. Je bent de laatste van die generatie die nog in leven is.’ In 2003 maakte ik de eerste aantekeningen. Daarna lag het een tijdje stil. Uiteindelijk ben ik er echt voor gaan zitten. Ik kan er ’s avonds niet aan werken. Het maakt veel herinneringen los en dan zou ik niet kunnen slapen.”

Bij haar afstuderen in Londen in 1957. Beeld Privéarchief

Vooral de gedachten aan haar moeder en zusje Clara laten haar niet los. “Als ik ’s avonds of ’s ochtends vroeg wakker lig, denk ik aan hen. Dan vraag ik me af wat zij hebben meegemaakt in de veewagon, op hun allerlaatste reis. Dat beeld blijft je bij tot je doodgaat,” zegt ze zacht. In haar boek schrijft zij: ‘Binnen in me zit een verschrikkelijk gat dat nooit zal helen. In mijn hoofd construeer ik tot in de meest vreselijke details wat hen is aangedaan. Ik vraag me af of mams en Clara wisten wat er aan de hand was, die twee lieve, onschuldige mensen die nooit ­iemand kwaad hadden gedaan. Ik vraag me af of ze elkaars hand vasthielden toen ze stierven; ik vraag me af of pa aan ons dacht in zijn laatste ­secondes, of dat hij te veel in paniek was om ­ergens aan te kunnen denken. Zelfs nu, 75 jaar later, lig ik ’s nachts wakker en zeg tegen mezelf: Selma, ga slapen; je kunt wat gebeurd is niet veranderen door eraan te denken.”

Om te herdenken, om de herinneringen aan het leed van de oorlogsjaren levend te houden, gaat Van de Perre elk jaar op een ‘missie’. Zij reist naar Amsterdam, om bij het monument Vrouwen van Ravensbrück 1940-1945 op het Museumplein bloemen te leggen. Daarna gaat ze een week naar Ravensbrück om met studenten te praten over de oorlogsjaren. “De verhalen moeten worden doorgegeven,” zegt Van de Perre, sinds 1983 drager van het Verzetsherdenkingskruis. Ook keert ze terug naar Amsterdam om op de Dam een krans te leggen. “Dit jaar heb ik als mezelf, Selma, als verzetsstrijder en overlevende van de Holocaust een krans gelegd.”

Dolksteek

De terugkeer naar Ravensbrück, voor het eerst in 1995, noemt zij een ‘moeilijke, maar terechte stap’. Maar een bezoek aan andere kampen is een brug te ver. “Ik heb het nooit kunnen ­opbrengen om naar Westerbork, Auschwitz of Sobibor te gaan. Het zou een dolksteek in mijn hart zijn om op de plekken te staan waar pa, mams en Clara de dood in zijn gejaagd.”

Met andere dolksteken moet zij leren leven. De eerste is dat de Jodenvervolging in geen ander land in West-Europa zo efficiënt was geregeld als in Nederland. “Minstens driekwart van de Joodse bevolking werd vermoord. Vergeet ook niet de kille ontvangst voor overlevenden bij ­terugkeer in Nederland. Niemand had belangstelling voor wat er met ons was gebeurd.”

In 1955 met haar grote liefde Hugo van de Perre.Beeld Privéarchief

Een tweede dolksteek is het antisemitisme van nu. Van de Perre: “Het neemt weer toe, het was hier in Groot-Brittannië zelfs een verkiezingsitem vanwege antisemitisme in de top van ­Labour. Het is afschuwelijk om te zien dat de haat groeit.”

Denkt ze weleens aan haar dood? “Ach, je gaat een keer. Het is aan jongere generaties om mijn boodschap te blijven uitdragen. Zij houden Selma in leven als ik dood ben.”

Mijn naam is Selma, Selma van de Perre, uitgeverij Thomas Rap, €19,99, 256 blz. 

Met de trein reist Selma van de Perre (dan nog Velleman) in 1947 naar Londen, waar zij een baan krijgt op de Nederlandse ambassade. Beeld Privéarchief
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden