PlusInterview

Topcriminoloog Cyrille Fijnaut snoeihard over misdaadaanpak Grapperhaus: ‘Griezelig hoe weinig relevante expertise er is’

Criminoloog Cyrille Fijnaut: 'Het MIT is het domste plan in de Nederlandse politiegeschiedenis.' Beeld Erik Smits
Criminoloog Cyrille Fijnaut: 'Het MIT is het domste plan in de Nederlandse politiegeschiedenis.'Beeld Erik Smits

Terwijl de georganiseerde misdaad in Nederland steeds meer opereert als de maffia, ziet hoogleraar criminologie Cyrille Fijnaut ‘met gekromde tenen’ hoe de beleidsmakers machteloos schutteren. ‘Ik heb lang gedacht dat het hier niet zo ver zou komen.’

“We zijn, cynisch gezegd, aan het schaduwboksen in het donker. Er is geen helder, gedeeld beeld van de situatie en er is al helemaal geen beeld van wat er moet gebeuren. Een coherent, uitvoerbaar beleid ontbreekt geheel.”

Cyrille Fijnaut (Heerlen, 1946) oordeelt snoeihard, als gelauwerd nestor van de Nederlandse criminologie. Als de opsporing of de rechtsstaat in crisis waren, werd Fijnaut door Den Haag steevast gevraagd als adviseur over de strijd ­tegen de zwaarste misdaad.

Onderwereld maffianiseert

Gezeten in zijn Tilburgse woonkamer, voor een deeltje van zijn enorme boekencollectie, ‘moet’ hij zich uitspreken over de incompetentie van de top van het ministerie van Justitie en Veiligheid, nu het er al jaren écht op aankomt. De moorden op de broer van kroongetuige Nabil B., op zijn advocaat Derk Wiersum en op zijn vertrouwensman Peter R. de Vries bevestigen voor Fijnaut hoe de onderwereld in Nederland ‘maffianiseert’. Het antwoord van politiek en ambtelijk Den Haag is fout, waarschuwt hij. Dat doet hij niet langer achter de schermen of en ­petit comité, maar voor het eerst ook openlijk in deze krant, op een ongekend harde toon.

Het was Fijnaut die bijna vijftig jaar geleden voor het eerst alarm sloeg over het ontstaan van georganiseerde misdaad. Hij was inspecteur bij de politie in Tilburg, waar de toenmalige burgemeester Cees Becht zijn advies had gevraagd over de drugshandel die er steeds verder uit de hand liep. Naast zijn loopbaan bij de politie studeerde Fijnaut criminologie en filosofie. “In een nota zette ik uiteen dat kleine criminelen drugsdealers werden en het gebruik pushten in de wijken en de jongerencentra,” zegt hij nu.

Punt van de lans

In de bijna vijf decennia daarna groeide Fijnaut als hoogleraar criminologie aan de Universiteiten van Leuven en Tilburg en de Rotterdamse Erasmus Universiteit uit tot dé expert op het gebied van de bestrijding van die georganiseerde misdaad. Het strafrecht moet ‘de punt van de lans’ zijn, doceert hij, maar wel in combinatie met bestuurlijk optreden. Door criminelen vergunningen te weigeren, hun panden te sluiten en op alle mogelijke manieren ‘hun infrastructuur aan te tasten’.

Mede op Fijnauts initiatief werd de wet Bibob ingevoerd (Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur), waarmee gemeenten ondernemers screenen. De door criminelen gedomineerde Amsterdamse Wallen kregen speciaal daartoe een Wallenmanager.

Driemaal was Fijnaut gasthoogleraar criminologie in New York. Hij zag er vanaf de jaren negentig hoe de New York State Organized Crime Task Force de vijf belangrijkste maffiafamilies ‘met ijzeren vuist decimeerde’.

“Ik zag daar twee zaken die ook voor Nederland van groot belang zijn. Ook hier maken we al enige jaren de maffianisering van de georganiseerde misdaad mee. Die term ontleen ik aan de Italiaanse rechter Giovanni Falcone, de verwoede strijder tegen de Siciliaanse maffia die in 1992 is vermoord,” zegt Fijnaut. “Falcone stelde vast dat maffiosi niet alleen steeds meer buiten Italië schuilden en daar samenwerkten met andere criminele groepen, maar zich er ook nestelden in de economie, bijvoorbeeld in Duitsland. Falcone waarschuwde ook dat we moeten oppassen voor imitatie. Nou, dat zien we in Nederland nu volop.”

Incoherente opsporing

De moorden op de broer, de advocaat en de vertrouwensman van kroongetuige Nabil B. zijn voor Fijnaut glasheldere bewijzen dat criminele organisaties ook in Nederland proberen ‘met grof geweld strafprocedures te blokkeren’. “Exact à la de Italiaanse maffia uit de jaren tachtig en negentig en de maffia in New York.”

De zware intimidatie van de kroongetuige in het liquidatieproces Marengo, tegen de door Nabil B. beschuldigde Ridouan Taghi en zestien medeverdachten, past in Fijnauts visie precies in dat van de maffia bekende stramien. “Zoals drugscriminelen ook fruithandel De Groot in Hedel in de greep proberen te houden, en zoals in Amsterdam handgranaten en andere explosieven worden gebruikt tegen coffeeshops en winkels.”

De motorbendes: idem dito. “Die maken in hun naar binnen gerichte cultuur aanspraak op eigen geweldmonopolies en wanen zich heer en meester. De rechters die al die clubs in civiele procedures nu hebben verboden, hebben dat goed begrepen.”

Onvoldoende gelet op bendes

Vanaf de jaren negentig tot ‘dik in de jaren tien’ is het in Nederland volgens de criminoloog misgegaan doordat de overheid niet scherp was. “Onvoldoende is gelet op bendes van allerlei slag en soort, autochtoon of meer allochtoon, die daardoor groot konden worden in zeer lucratieve illegale industrieën, in de drugs vooral. Ze hebben héél veel geld, hebben zich diep ingevreten en zijn bereid hun positie met grof geweld te verdedigen.”

Door de ‘internationalisering’ van de georganiseerde misdaad hebben die organisaties kunnen afkijken hoe bendes in Zuid- en Midden-Amerika en in Zuid-Europa opereren. Inmiddels ziet Fijnaut drie enorme problemen. “De ongebreidelde bloei van de illegale drugsindustrie, incoherente en inconsistente opsporing en die internationalisering.”

Commandokamer

Fijnaut zou zo graag zien dat de landelijke recherche opereert zoals hij de maffiabestrijders in New York zag doen, op hun hoofdkwartier in White Plains. “Daar had je echt een commandokamer, waar aan de wanden op grote kaarten alle kopstukken en sleutelfiguren van die maffiaclans waren uitgetekend. Dáár beslisten ze welke delen van welke ‘familie’ ze op welke manieren gingen bestrijden.”

De Amerikanen deden exact wat Fijnaut in Nederland zo mist. “Ze zorgden voor eenheid van beleid en eenheid van actie op het grondgebied van New York,” zegt hij. “De Landelijke Recherche zou óók zo’n commandokamer moeten hebben waarin hij samen optrekt met bijvoorbeeld de Fiod en de marechaussee, onder gezag van het landelijk parket van het Openbaar Ministerie.”

“Ik heb lang gedacht dat het hier zo ver niet zou komen, maar dát is wat we nu nodig hebben. Dat betoog ik nu sinds 2016, dus vóór die moorden die de rechtsstaat nu ontwrichten. Laat je niet in de luren leggen: Nederland heeft een enorm probleem met maffioze kenmerken. Daar moet een zwaar middel tegenover staan. Een force de frappe.”

Dat zware middel is zéker niet het Multidisciplinair Interventie Team (MIT) dat minister Ferd Grapperhaus van Justitie en Veiligheid aankondigde nadat advocaat Wiersum in september 2019 was vermoord. In dat team moeten ongeveer 400 specialisten van politie, justitie, Belastingdienst, douane en Defensie samen voornamelijk informatie vergaren.

Strategische blunder

“Nee! Dat MIT is hom noch kuit. Waarom twee parallelle organisaties, met zo’n MIT náást de Landelijke Recherche?! Dan krijg je juist géén eenheid van beleid, actie en territorium.”

Fijnaut spreekt van ‘een strategische blunder’. “Grapperhaus denkt kennelijk dat er een verschil is tussen informatie en interventie, maar die twee gaan samen. Die mag je nooit splitsen. Juist door te interveniëren verzamel je informatie. Met dat MIT ga je ruzie krijgen om informatie, om bevoegdheden en om subjecten. Zó dom!”

Achter de schermen waarschuwt de hoogleraar al sinds de eerste geluiden voor ‘het domste plan in de Nederlandse politiegeschiedenis’. “Vanaf 2019 heb ik nogal wat mensen rond de minister geschreven en gezegd: ‘Hou hem tegen, die man is bezig een ramp te organiseren.’ Ik heb de spelers op vitale posten gewaarschuwd, maar werd niet gehoord. Nu neem ik de vlucht vooruit en zeg ik het maar hardop.”

Grapperhaus gediskwalificeerd

Door ‘tweedracht te zaaien’ met het ook binnen de opsporingsdiensten gevreesde MIT, heeft minister Grapperhaus zich in Fijnauts ogen ‘gediskwalificeerd’ als minister van Justitie en Veiligheid. “Ik moet denken aan de telganger die uit de pas marcheert van de rest van het peloton, maar vindt dat híj het juist doet en de rest fout. Die analogie gaat hier helaas op.”

Fijnaut zou willen dat een stevige commissie ‘goed gefundeerd’ onderzoek gaat doen naar de zware misdaad in onder meer de regio’s Amsterdam en Utrecht (waar onder meer de groepering rond Ridouan Taghi vandaan komt). Plus: naar de missers van de overheid waardoor groepen zo ongebreideld en ongezien konden groeien.

Het zou een commissie moeten zijn zoals de parlementaire enquêtecommissie Van Traa (vernoemd naar voorzitter Maarten van Traa) die midden jaren negentig de crisis in de opsporing onderzocht na de IRT-affaire rond ongeoorloofde opsporingsmethoden. Fijnaut leidde toen de wetenschappelijke onderzoeksgroep die voor die commissie de georganiseerde misdaad onderzocht.

Finaal gemist

“We zijn 25 jaar na Van Traa, maar het is heel hard nodig opnieuw diepgaand onderzoek te doen. Hoe kon het dat Nederland met name in de eerste tien, twaalf jaar van deze eeuw niet krachtdadig en eendrachtig genoeg optrad tegen de zware misdaad? Uiteindelijk heeft de Landelijke Recherche grote successen geboekt na de ramp met de MH17, het ontsleutelen van versleutelde communicatie en met de strijd tegen de motorbendes, maar het is een enórm vraagstuk hoe drugsorganisaties ongebreideld hebben kunnen groeien tot maffia-achtige structuren die nu moeilijk zijn te bestrijden.”

“Hoe kan het dat de recherche en het Openbaar Ministerie in Midden-Nederland de ontwikkeling van de drugsorganisaties finaal hebben gemist totdat het te laat was? Hoe kan het dat op het departement Justitie en Veiligheid op cruciale posities mensen zitten die totaal niet zijn berekend op hun taak, niet in termen van ervaring en niet in termen van kennis over politie en justitie?”

Griezelig weinig expertise

Dat minister Ferd Grapperhaus die mensen accepteert op posities voor topambtenaren, ziet Fijnaut als ‘een brevet van onvermogen’. “Als je de cv’s googelt van die mensen op vitale posities, verschiet je van kleur. Griezelig, hoe weinig relevante expertise er is. Onvergeeflijk, zeker in deze tijd. Als je zulke mensen benoemt, kan het niet verbazen dat van alles fout loopt en dat een plan zoals voor dat MIT groeit. Dat departement scheidde in de afgelopen jaren een strekkende meter af aan brieven aan de Tweede Kamer, ­beleidsstukken en persberichten – ik heb ze –, maar een coherent programma voor de strijd ­tegen de georganiseerde misdaad zit er niet bij. Het is doodeng.”

Het ministerie van Justitie en Veiligheid en minister Grapperhaus hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid dit interview tevoren in te zien en te reageren.

Cyrille Fijnaut (Heerlen, 1946)

1959-1965 Gymnasium
1965-1968 Politieacademie
1969-1974 Studie criminologie en filosofie
1971-1973 Politie-inspecteur Tilburg
1973 Onderzoeker universiteit Leuven
1978 Promotie. 1979-1982, 1990-2004 Lector criminologie Katholieke Universiteit Leuven
1983 Raadsadviseur ministerie van Justitie
1986-1997 Hoogleraar criminologie en strafrecht, Erasmus Universiteit
1990-2004: Hoogleraar criminologie en strafrecht aan de KU Leuven
1997-2002 Gasthoogleraar Global Law School New York University
2000-2011 Hoogleraar Universiteit Tilburg
1994-1996 Hoofd onderzoeksgroep commissie-Van Traa (Opsporingsmethoden)
2002 Rapporteur commissie-Van den Haak (beveiliging van de vermoorde Pim Fortuyn)
2006 Boek De Geschiedenis van de Nederlandse politie
2012 Voorzitter van de adviescommissie die onderzoek doet naar gerechtelijke dwalingen

Cyrille Fijnaut is getrouwd en heeft twee zonen

Taghi Podcast

Ridouan Taghi is de beruchte hoofdverdachte in de veelvoudige liquidatiezaak Marengo. Misdaadverslaggever Paul Vugts vertelt in deze podcast onder andere over de onwaarschijnlijke bloeddorst van Taghi, de liquidaties waar hij van verdacht wordt en zijn invloed op de rechtsstaat. Luister de podcast hier.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden