PlusExclusief

Tolerantie, wat hebben we eraan? ‘Zonder migranten was Amsterdam dood geweest’

De Amsterdamse bevolking was in 1930 nog niet gewend aan niet-westerse gezichten. Zo werd deze Chinese vrouw op straat omringd door nieuwsgierige en opdringerige passanten. Beeld Persbureau M.S. Vaz Dias / Stadsarchief Amsterdam
De Amsterdamse bevolking was in 1930 nog niet gewend aan niet-westerse gezichten. Zo werd deze Chinese vrouw op straat omringd door nieuwsgierige en opdringerige passanten.Beeld Persbureau M.S. Vaz Dias / Stadsarchief Amsterdam

In de zeventiende eeuw wisten ze al: tolerante steden bloeien. Dat concluderen nu ook de historici Jan en Leo Lucassen. Komen er veel migranten naar Amsterdam, dan gaat het goed met de stad.

Marcel Wiegman

Amsterdam is een stad van migranten: van Joden en hugenoten in de zeventiende eeuw tot Surinamers, Turken, Marokkanen en goed verdienende expats nu. Van gelukszoekers uit de klei van de Hollandse provincie tot gelukszoekers uit de rest van de wereld. De even voor de hand liggende als beladen vraag: wat hebben ze ons eigenlijk opgeleverd?

Veel, aldus de broers Jan en Leo Lucassen, zelf afkomstig uit de Limburgse Peel, opgeleid tot historici in Leiden en werkzaam bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. “Zonder migranten was de stad dood geweest, zowel economisch als cultureel.”

Op verzoek van de gemeente deden ze onderzoek naar vijf eeuwen migratie naar de stad. Ze schreven er een boek over: Migratie als het DNA van Amsterdam. De conclusie: komen er veel migranten, dan gaat het goed met Amsterdam. Gaat het slecht met Amsterdam, dan blijven de migranten weg.

Geschiedschrijving door een roze bril? “Het zijn gewoon de feiten,” zegt Jan. En Leo: “Of we het leuk vinden of niet: Amsterdam is sterk afhankelijk van migratie, wat niet wil zeggen dat er geen problemen zijn.”

Nationalistische blik

Amsterdam is een stad die in- en uitademt: mensen gaan weg, mensen komen erbij. “Wij hebben last van een nationalistische blik op het verleden,” zegt Jan Lucassen. “Wie hier is geboren, hoort erbij, wie hier op jonge leeftijd is gekomen hoort er een beetje bij en de rest hoort hier niet. Psychologisch hebben wij allemaal behoefte aan een wij en een zij, maar als je dat historisch vertaalt is het idioot.”

Leo: “Amsterdam trekt the young and the brightest. Mensen met avontuurzin. Niet alleen uit het buitenland, maar ook uit de dorpen en steden in Nederland zelf. Daar heeft de stad altijd van geprofiteerd.”

De Gouden Eeuw als ijkpunt. ‘De zo geroemde tolerantie van de Republiek betekende: geen gedwongen bekering, emigratie of executie,’ schrijven de broers. Protestanten, katholieken en joden leefden vreedzaam naast elkaar, terwijl de stad in twintig jaar groeide van 27.000 naar meer dan 100.000 inwoners en, in iets langzamer tempo, naar 200.000. Amsterdam bloeide als nooit tevoren.

 De voormalige bioscoop Cinetol aan de Tolstraat werd begin jaren tachtig tijdelijk gebruikt als moskee.  Beeld Stadsarchief Amsterdam
De voormalige bioscoop Cinetol aan de Tolstraat werd begin jaren tachtig tijdelijk gebruikt als moskee.Beeld Stadsarchief Amsterdam

‘Tolerantie was,’ aldus de broers, ‘een manier om gewelddadige conflicten te vermijden, maar zonder enige inhoudelijke sympathie voor het anders denken als zodanig.’ Kortom: tolerantie als welbegrepen eigenbelang.

Leo: “Dat hadden ze goed gezien. Ze waren niet gek.”

Jan: “Pieter de la Court, een van onze eerste economen, wist al: tolerante steden bloeien. Het Spaanse wereldrijk is aan intolerantie ten onder gegaan.”

Sloppenwijken

In Amsterdam kwam de omslag in de negentiende eeuw: nooit eerder was de stad zo arm. En nooit eerder was de stad zo autochtoon. Nog maar drie procent van de bevolking was in het buitenland geboren, inclusief de koloniën. ‘Vreemdelingen,’ schrijven de broers, ‘waren voor het eerst sinds twee eeuwen weer een bezienswaardigheid.’ Sloppenwijken behoorden daarentegen tot het normale stadsbeeld. Pas met de komst van nieuwe migranten, vooral veel Duitsers, ging het weer beter met de stad.

Leo: “De afgelopen veertig jaar is Amsterdam opnieuw sterk veranderd. Eerst kwamen de Surinamers, daarna de Turken en Marokkanen. De stad is volkomen verkleurd. Maar is het daarmee een puinbak geworden? Is de sociale cohesie verdwenen? Is de stad onleefbaar geworden? Ik zou eerder zeggen: het tegenovergestelde.”

Wat kan de geschiedenis ons leren over integratie? “Dat het van twee kanten moet komen,” zegt Leo Lucassen. “Dat het tijd kost en allemaal niet vanzelf gaat. Ook in de zeventiende eeuw waren er problemen met armoede en criminaliteit.”

Tot aan de Tweede Wereldoorlog was De Bijenkorf een Joods familiebedrijf. Vanaf de zeventiende eeuw immigreerden vele Portugese Joden naar Amsterdam waar ze weliswaar getolereerd werden, maar het nog eeuwen duurden tot ze als volwaardige burgers werden behandeld.  Beeld H.M.J. Misset/Stadsarchief Amsterdam
Tot aan de Tweede Wereldoorlog was De Bijenkorf een Joods familiebedrijf. Vanaf de zeventiende eeuw immigreerden vele Portugese Joden naar Amsterdam waar ze weliswaar getolereerd werden, maar het nog eeuwen duurden tot ze als volwaardige burgers werden behandeld.Beeld H.M.J. Misset/Stadsarchief Amsterdam

Maar ook leert de geschiedenis dat nieuwkomers uiteindelijk altijd insiders worden, hoe lang dat ook kan duren. “Neem de Joden. Het is dat de Holocaust dat proces voor veel Joodse Amsterdammers wreed heeft afgebroken, maar rond 1900 was hun integratieproces vrijwel klaar. Nadat ze eeuwen zijn behandeld als non-burgers. Getolereerd weliswaar, maar van een normale deelname aan de samenleving uitgesloten.”

Uitsluitingsmechanismen

Het is niet een-op-een te vertalen, zegt hij. “Maar je kunt er veel van opsteken over wat er nu gebeurt met de Marokkanen. De uitsluitingsmechanismen lijken op elkaar. Net als de Joden toen worden de Marokkanen nu gezien als de ultieme ander.”

Jan: “De Chinezen hebben die rol ook tijdelijk vervuld en later de Surinamers. Geert Wilders is in 2015 nog een Polenmeldpunt begonnen. Een maatschappij heeft altijd behoefte aan één zondebok. Als het er meer worden, weet je niet meer op wie je moet schelden.”

Het is wonderlijk, vindt Leo Lucassen: “Als je puur statistisch kijkt naar de tweede generatie Marokkaanse Amsterdammers en ziet hoe groot de sprong is die ze via het onderwijs hebben gemaakt op de sociale ladder. Dat is spectaculair, zeker als je je realiseert dat hun ouders vaak nauwelijks een opleiding hadden genoten en sommigen half-analfabeet waren. Maar die migranten hadden wel lef. Ze hebben de aspiraties die ze zelf niet waar konden maken geprojecteerd op hun kinderen.”

Natuurlijk, zegt hij. “Er is een niet onaanzienlijke minderheid waarmee het niet goed gaat, en waarvan een deel afzakt richting criminaliteit. Maar die groep is veel kleiner dan je zou mogen verwachten. En dan nog: is de manier waarop een man als Ridouan Taghi, weliswaar geen Amsterdammer, een crimineel netwerk opzet geen toonbeeld van integratie? Het is vreselijk wat hij doet, maar om zo’n organisatie op te kunnen zetten moet je heel goed weten hoe Nederland in elkaar zit.”

Pessimisme

Het CBS, het SCP, ze kunnen schrijven wat ze willen over de opvallende vooruitgang die Marokkaanse Nederlanders en Marokkaanse Amsterdammers boeken, opgepikt door het grote publiek wordt het nauwelijks, aldus de broers Lucassen. Het optimisme over migratie en diversiteit dat nog tot ver in de vorige eeuw voortduurde, heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een groot gevoel van pessimisme.

Leo Lucassen: “Rechts beweert dat we door omvolking een minderheid worden in eigen land. Links bezingt de superdiversiteit, waarmee ze in feite ongewild het frame van rechts bevestigt: de stad als een bak los zand, waaruit alle autochtonen zijn verdwenen. Ik denk dat ze beide ongelijk hebben, omdat ze geen oog hebben voor het doorgaande proces van integratie met autochtonisering als gevolg. Als migrant kom je in een soort betonmixer terecht, samen met de mensen die er al in zitten. Wat eruit komt, vormt de nieuwe generatie autochtone Amsterdammers.”

Studioportret uit 1860 van arts en chemicus Samuel Sarphati (1813-1866), zoon van Portugees-Joodse ouders, naar wie de Sarphatistraat en het Sarphatipark zijn vernoemd. Beeld Stadsarchief Amsterdam
Studioportret uit 1860 van arts en chemicus Samuel Sarphati (1813-1866), zoon van Portugees-Joodse ouders, naar wie de Sarphatistraat en het Sarphatipark zijn vernoemd.Beeld Stadsarchief Amsterdam
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden