In 1941 werden zijn 38 postduiven vermoord door een buurman in opdracht van de NSB en de Duitsers, omdat ze wel eens boodschappen over zouden kunnen brengen. Als troost kreeg de toen elfjarige Herman Krikhaar zijn eerste doosje olieverf van zijn moeder. ''Dat was het begin van mijn artistieke loopbaan,'' aldus Krikhaar, die dinsdag in Frankrijk na een kort ziekbed overleed.

Vijfentwintig jaar lang zorgde hij als galeriehouder in de Spuistraat voor reuring op de hoek van het Spui. Als geen andere galeriehouder werd Krikhaar bekend als een snelle jongen met veel contacten in de societywereld. Openingen werden bezocht door internationale beroemdheden als Rudolph Nurejev en het Londense topmodel Jean Shrimpton, naast veel BN'ers.

Krikhaar groeide op als bakkerszoon in een gezin met acht kinderen in Almelo. Met zijn eerste tubes schilderde hij vlijtig oude meesters na, maar hij werd ook al snel gegrepen door het werk van Picasso, de hij later ook in zijn galerie verhandelde. In 1947 studeerde hij enige tijd aan de kunstacademie van Arnhem waar hij Theo Wolvecamp en Karel Appel leerde kennen.

Tussen 1953 en 1961 was Krikhaar purser bij de KLM. Kunstenaar Jan Sierhuis: ''Krikhaar was een bijzonder charmante man. Echt een knappe gozer die heel makkelijk contact legde en alles voor elkaar kreeg. Die sociale vaardigheden heeft hij vooral in die tijd geleerd.'' Als purser begon hij ook met het handelen van kunst. Hij nam voorwerpen uit het Midden-Oosten en Azië mee naar Amsterdam, waarbij hij een flink arsenaal trucs aanleerde om de douane te omzeilen.

A.B.C. (Appel, Brands, Corneille)
In 1963 opende Galerie Krikhaar zijn deuren, als dertiende galerie in Amsterdam. Als nieuwkomer wist hij direct grote namen te strikken voor zijn galerie. Voor zijn eerste tentoonstelling had hij Marc Chagall, kort daarna gevolgd door een expositie met de titel A.B.C. (Appel, Brands, Corneille). Fotograaf en galeriehouder Nico Koster: ''Dat was zijn grootste verdienste. Hij heeft het werk van de Cobrakunstenaars gepromoot toen bijna niemand er iets in zag. Daarnaast werkte hij veel internationaler dan de meeste galeries in Nederland.''

De galerie in de Spuistraat maakte in 1980 plaats een grotere ruimte aan het Rokin, vooral omdat Krikhaar forse schilderijen van Picasso wilden gaan tonen. Vier jaar later keerde hij weer terug naar de Spuistraat. Krikhaar besloot in 1988 te stoppen, vlak voordat de kunstmarkt in elkaar klapte (''Ik sloot die deur met een combinatie van pijn en opluchting. Die artiesten lijken aardige jongens, maar er zitten ook klootzakken tussen'').

Daarna ging Krikhaar zelf meer schilderen. Hij vestigde zich in 1994 met zijn tweede vrouw Helena in de Provençaalse heuvels in Zuid-Frankrijk, in een schitterende villa die Krikhaars zoon had ontworpen. Sierhuis: ''Maar een vergunning had hij niet en iedereen kon zien dat de bouw niet voldeed aan de voorschriften. Dus het was nog niet af of de burgemeester stond boos op de stoep. Maar Herman ontving hem met open armen en gaf hem en passant een paar prenten van Picasso cadeau. Daarna waren ze de grootste vrienden.'' (KEES KEIJER)