Plus Klapstoel

Ted van Lieshout: ‘Eigenlijk zijn kleuters heel lief’

Ted van Lieshout (1955) is schrijver en illustrator van kinder- en jeugdliteratuur. Dinsdag krijgt hij voor Ze gaan er met je neus vandoor de prestigieuze Boekensleutel, die voor het eerst in zeven jaar wordt uitgereikt.

Ted van Lieshout. Beeld Harmen de Jong

Eindhoven

“Een rotstad, zeggen ze. Maar dan wel míjn rotstad, de stad van mijn kinderjaren. Bijna al mijn werk speelt zich er in zekere zin af. We woonden aan de rondweg, tussen twee wijken in. Achter ons huis lag een fabrieksterrein. Mijn vader was aannemer, hij is gestorven in 1963, toen ik zeven was. Hij was een weduwnaar met acht kinderen toen hij met mijn moeder trouwde. Met haar kreeg hij nog vier kinderen, van wie ik de tweede ben. Ik was vaak ziek: ik had astma en bronchitis en last van eczeem. Ik vond tekenen, kleien en plakken leuk en aan voetbal had ik een hekel. Ik voelde me anders. Dat had natuurlijk te maken met mijn homoseksualiteit, maar dat wist ik toen nog niet.”

Gerrit Rietveld Academie

“Het kon me niet zoveel schelen wat ik zou worden, als het maar een creatief beroep zou zijn. Video’s en schilderijen maken, dat was hip in die tijd. Ik was niet hip. Ik was een schijtlijster, die op de academie kleine tekeningetjes zat te maken, omdat ik niet vies wilde worden van de verf. Ik dacht: als ik nou boeken ga illustreren, kan ik misschien de overstap maken naar het schrijven. Het lukte pas toen ik voor kinderen aan de slag ging en mijn verheven toontje liet varen. Als je boeken maakt voor volwassenen, doe je je toch wat intelligenter voor dan je bent. Kinderen trappen daar niet in, die lachen je uit om dat gezwollen taalgebruik.”

Boekensleutel

“Hoeveel prijzen ik heb gehad? Vijfentwintig? Dertig? Veertig? Ik weet het niet. Maar deze is heel bijzonder. Hij bestaat al veertig jaar, maar is pas negen keer uitgereikt, de vorige zeven jaar geleden. Hij is bedoeld voor boeken die taal en beeld combineren tot iets nieuws, tot een kunstwerk in zichzelf. Er zijn twee jury’s: een voor taal en een voor beeld. Als die niet tot overeenstemming komen, wordt hij niet uitgereikt. Na Miep Diekmann ben ik de tweede Neder­lander die hem krijgt. En omdat zij al een tijdje geleden overleden is, ben ik nu dus de enige ­lévende Nederlandse schrijver die hem heeft. Daar ben ik best trots op. Ik trek dinsdag nette, leuke kleren aan. Een pak? Nee zeg. Als ik een pak aantrek, denken ze dat er iemand is verdronken. Het wordt een aardige broek met een leuk hemd waarin mijn brede schouders goed uitkomen. En een schoen met hak, want ik heb hele korte beentjes.”

Boer Boris

“De oudste zoon van mijn goede vriend illustrator Philip Hopman heet Boris en die wilde boer worden. Philip dacht: leuk idee. Maar hij kan niet schrijven, dus kwam hij bij mij. Normaal doe ik alles zelf: schrijven, tekenen, vorm­geven. Alleen: als ik een verhaal illustreer, zal een aantal dingen niet gebeuren. Ik kan geen hijskraan tekenen, dus schrijf ik niet over een hijskraan. Bij Philip kan dat wel, want die kan alles tekenen. Afijn, ik bedacht een jongetje

op een grote tractor. Hij is een beetje stug, een echt Noord-Hollands boertje. Philip dacht: dat wordt één boek. Maar volgende maand komt deel twaalf uit: Een paard voor Sinterklaas. We hebben nu van de hele serie 300.000 boeken verkocht. Boer Boris is ons basisinkomen, waardoor we de vrijheid hebben om dingen te doen die minder succesvol zijn.”

Kleuters

“Ik had nooit zo veel met kleuters. Ben je net een leuk verhaal aan het voorlezen en dan staat zo’n kind op om er dwars doorheen te gaan staan lullen. Ik zou totaal niet geschikt zijn als vader. Volgens mij is het ook heel gezond om als kinderboekenschrijver een gezonde hekel aan kinderen te hebben. Maar toen wij met Boer ­Boris kwamen, moesten we natuurlijk wel. Geluk­kig hadden Philip en ik vrij snel in de ­gaten hoe het werkt. ‘Wil jij je sokken uitdoen? Nou, dan zal ik je er even mee helpen.’ Gewoon: even een pauze nemen. Eigenlijk zijn kleuters hartstikke lief. Soms zitten ze al een half uur klaar met hun rode laarsjes voordat Philip en ik gaan beginnen. Dan smelten we. We zijn nog nooit zoveel gesmolten als de laatste jaren. Kortom: ik haat ze niet, maar ze moeten na een uurtje wel weer terug naar hun eigen ouders.”

Mijn meneer

“Over het feit dat ik als kind een relatie heb gehad met een volwassen man heb ik voor kinderen het verhaal Zeer kleine liefde geschreven. Iedereen begon te roepen hoe verschrikkelijk het was, maar niemand wist wat er echt was ­gebeurd. Met een roman voor volwassenen, Mijn meneer, wilde ik nuance aanbrengen. Ik heb begrip gevraagd voor pedofilie, niet voor pedoseksualiteit, niet voor seks met kinderen.”

“Ik heb vaak moeten benadrukken dat ik zelf slachtoffer was, want als je je hier genuanceerd over uitlaat, denken mensen al snel dat je zelf pedofiel bent. Ook omdat ik schrijver van kinderboeken ben. En homo. En omdat ik de dader altijd in bescherming heb genomen. Sommige mensen zeggen: je moet die man aangeven om andere kinderen in bescherming te nemen. Nou, dat vind ik dus niet. Het feit dat hij iets met mij heeft gedaan, wil niet zeggen dat hij dat ook met anderen heeft gedaan. En onderhand zal hij wel dood zijn.”

Leesplicht

“In de kinder- en jeugdliteratuur staat lees­plezier bovenaan. Helemaal fout. Je kunt pas plezier ontlenen aan lezen als je goed kunt ­lezen. Maar wat zegt men? Als je geen plezier hebt in lezen hoef je niet te lezen. Maar tandenpoetsen doe je toch ook niet voor je lol? Nou hoef je van mij geen boeken te lezen, ik vind het ook prima als je de achterkant van het pak met hagel­slag leest, maar je moet het wel kunnen als je zelfstandig wilt kunnen functioneren in de wereld. De verplichting om goed te kunnen ­lezen en schrijven als je van de basisschool af komt, moet veel zwaarder wegen. Schrijf dat maar op! Er komen nog steeds veel te veel an­alfabeten met een diploma van school.”

Linedance

“Rond Boer Boris treed ik regelmatig met Philip op voor kleuters. We dachten: leuk om er een dansje bij te doen, alleen konden we nergens een cursus klompendansen vinden. Wel een cursus linedancing, in een buurthuis in Zuid. Daar hebben we twee jaar lang veel plezier aan beleefd. Het kneuterige, de muziek waar ik anders nooit naar zou luisteren. Die pasjes zijn trouwens ingewikkelder dan je denkt. Als je ze goed kunt, ben je toch trots op jezelf. En je krijgt meteen je beweging.”

“Eh, nee, aan sport doe ik inderdaad niet al te veel. Wie heeft je dat nou weer verteld? Ik heb informatie opgevraagd bij het hotel tegenover mijn huis om te kijken of ik daar in de fitnessruimte wat kan doen. Ik begin een beetje plumpudderig te worden.”

Gouden lijst

“Schrijvers van adolescentenboeken verdienen ook een veer in hun kont, maar in 2008 schafte de CPNB de Gouden Zoen voor het beste 12-plusboek af. Zo sloegen ze een ravijn tussen kinderboeken en volwassen literatuur. Ze dachten dat de kinderen daar vanzelf wel overheen zouden springen, maar natuurlijk doen ze dat niet. Ze kijken wel uit. Dus bedacht ik met Hans Hagen de Gouden Lijst voor deze categorie. Alleen: die is ook alweer afgeschaft.”

“De meeste mensen denken: kinderboeken zijn voor kinderen en als ik geen kinderen heb, is het voor mij niet interessant. Dat stoort mij, dan voel ik mij tekortgedaan. Toen ik jonger was, ben ik best activistisch geweest en heb ik me beijverd voor betere condities. Maar ik kan niet anders zeggen dan dat dat steeds is mislukt. Al die inspanningen hebben er niet toe ­geleid dat de kinder- en jeugdliteratuur echt ­serieus wordt genomen.”

Reizen

“Ik raak gestrest van reizen. Als ik met de trein moet, kan ik alleen maar denken: als ik de trein maar haal, als hij maar geen vertraging heeft. Vroeger reisde ik helemaal niet, maar zeventien jaar geleden heb ik de stap genomen en ben ik naar Curaçao gegaan. Ik was er als schrijver uitgenodigd: ’s morgens werken en ’s middags op het strand. Heerlijk. Maar in mijn eentje wil ik eigenlijk niet, dan voel ik me ontheemd.”

“Met Philip ben ik dit jaar op scholen in Kuala Lumpur en Singapore geweest. Met een andere vriend ga ik sinds een jaar of zes op cruises. Het fijne is dat je niet van zo’n boot af kunt. Ga je in Rome slapen, sta je op en ligt Palermo aan je voeten. Er komt geen trein aan te pas. Alsof de stad vanzelf naar je toe is komen drijven.”

Lunchclub

“Met Jacques Dohmen, een oud-redacteur van Querido, en de schrijvers Dolf Verroen en Rindert Kromhout komen we zes keer per jaar bijeen. Dan proberen we elkaar een beetje de loef af te steken met lekker eten. Ik ga daar vrij ver in. Ik sloof me het meeste uit, geloof ik. Als ze bij mij zijn geweest, hoeven ze ’s avonds in elk geval niet meer te eten. Maar de laatste keer had ik coquilles en die waren niet helemaal gaar. Dan schaam ik me te pletter. Maar ach, het gaat om de gezelligheid. We hebben het vaak over boeken, al weet ik soms niet over welk boek ze het hebben. Ik ben de slechtste lezer van het ­gezelschap. Dan wacht ik gewoon tot ik weer aan de beurt ben met praten.”

Gerjoke Wilmink

“De directeur van Alzheimer Nederland? Ik vergeet vrij veel. Laatst dacht ik: zou het alzheimer zijn? Zei de dokter: ‘Meneer Van Lieshout, we moeten u iets ergs vertellen. U wordt ouder.’ Mensen van mijn leeftijd die zeggen dat ze zich twintig voelen, liegen allemaal.”

“Ik ben alleenstaand. Wie raapt mij op als er iets met me gebeurt? Het kan best zo zijn dat ik hier een paar dagen lig... ja, lig weg te rotten. Als mijn moeder een paar dagen niets van mij hoort, wordt ze al een beetje paniekerig. Maar het is niet zo dat ik denk: ik ga trouwen, om maar iemand te hebben. Zo’n man kan ook net op vakantie zijn.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden