PlusGeschiedenisverhaal

Te vroeg geboren baby’s als attractie

Kindjes in couveuses waren in 1895 een trekpleister op de Wereld­tentoonstelling in Amsterdam. De reacties waren wisselend. Was het wel goed om die ‘stakkertjes van onvermogenden’ in leven te houden?

Negentiende-eeuwse gravure van Victor Rose genaamd Oeuvre Maternelle des couveuses d'enfants de Maternité Lion.Beeld Corbis via Getty Images

Het begon allemaal met een eierbroedmachine, die de Franse uitvinder Alexandre Léon Lion (1861-1934) in Marseille in elkaar knutselde. Een megabroedmachine – het Franse woord is couveuse – voor maar liefst vijfduizend eieren. Het apparaat had een ingenieus systeem van luchtcirculatie en elektrische temperatuurregeling, waardoor de temperatuur constant bleef. Lion maakte er een familieattractie van. Met zoveel eieren in de machine was de kans altijd groot dat er een kuiken uitkwam. 

Als bezoekers suggereren dat zo ook vroeggeboren baby’s warm gehouden kunnen worden, ziet hij meteen mogelijkheden. Mei 1890 presenteert hij de eerste voor kinderen aangepaste versie, onder medische begeleiding van een dokter. Met zijn in 1891 opgerichte Oeuvre Maternelle des Couveuses d’Enfants wil Lion zijn methode om vroeggeboren kinderen te redden, verspreiden. Hij zamelt geld in, krijgt subsidie. Bezoekers aan zijn ‘couveusesalons’ op tentoonstellingen en beurzen moeten een kaartje kopen, maar de baby’s worden gratis verzorgd.

‘Kinderkweektoestel’

Als Lion hoort dat er in 1895 in Amsterdam een Wereldtentoonstelling wordt gehouden, ziet hij kans op internationaal succes. Omdat er ook een tentoonstelling in Bordeaux is, stuurt hij zijn onderdirecteur Auguste Narçon naar het tentoonstellingsterrein op het Museumplein, waar de Kraamkliniek Lion, couveuses met levende baby’s in een houten paviljoentje neerstrijkt, vlak bij de Saksische worstentent. 

Op een reclamepamflet wordt couveuse vertaald als ‘kinderkweektoestel’. Narçon heeft vijf couveuses bij zich en een eigen team: bewaakster Rosalie Terray uit Nice en twee kaartverkoopsters, de 26-jarige Antwerpse ­Clara Röd en de eveneens uit Nice afkomstige Leontine Weyh.

Portret van dokter Alexandre Lion.Beeld Universal Images Group via Getty

De 21-jarige Amsterdamse fabrieksarbeidster Johanna Petronella Elisabeth Wagner wordt aangenomen als min, zij is in april bevallen van een doodgeboren kindje in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. Johanna, 1.54 meter lang en loensend, heeft dan al een bewogen leven achter de rug: in de winter van 1893 was ze met een ontsteking opgenomen op de afdeling ­geslachtsziekten van het Binnengasthuis, waar ze in mei 1893 beviel van een levenloos kind.

Ook Janna Hendrika Meijer, dienstbode in Apeldoorn, vindt emplooi als min. Zij is op 25 juni 1895 in Leiden bevallen van de tweeling Johanna en Hendrika. Kwam ze naar Amsterdam om in de Maternité Lion haar tweeling te kunnen verzorgen? Waarschijnlijk wel: de kleine Johanna overlijdt op 13 augustus, volgens haar overlijdensakte ‘in eene tent staande op het tentoonstellingsterrein’.

De andere pasgeboren kinderen worden geregeld via Gerrit Hendrik van der Mey, hoogleraar obstetrie en gynaecologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft in zijn kliniek wel een couveuse, maar niet zo’n vooruitstrevende als die van Lion. Van der Mey ‘levert’ drie kinderen. Als dank krijgt hij een couveuse. Een vierde ­baby wordt direct na de ­geboorte thuis naar de tent op het Museumplein gebracht.

Elke twee uur worden de zuigelingen voor voeding en verschoning uit de couveuse gehaald en naar een naastgelegen ruimte gebracht, waar het net zo warm is als in de couveuse. Als ze nog niet aan de borst kunnen drinken, krijgen ze met een speciale lepel een mengsel van koemelk en water.

Tekening van de eerste couveuse van Tarnier.

De pers reageert verschillend op de ‘attractie’. Om te beginnen valt het tegen dat de bezoeker er een kwartje voor moet neertellen, bovenop de toegangsprijs van 50 cent voor het tentoonstellingsterrein. Enkele honderden mensen per dag doen dat – een aantal dat Lion tegenvalt: hij is gewend aan enkele duizenden. De kijkers zijn meestal wel onder de indruk en het is, schrijven de kranten, het ‘interessantste’ of ‘merkwaardigste’ onderdeel van de tentoonstelling. Wel vragen sommigen zich af wat het verband is tussen couveusekinderen en het thema van de tentoonstelling, namelijk het hotel- en reiswezen.

Commercieel geen succes

Door de houten barak op een kermisterrein ­twijfelt de correspondent van de Leeuwarder Courant over ‘de menschlievende bedoeling van den exploitant’. Maar het Algemeen Handelsblad is positief en geeft een uitgebreide technische beschrijving van de werking van de couveuses: ‘een allermerkwaardigste zegepraal der wetenschap’. Wel vraagt de krant zich af ‘of het kunstmatig in ’t leven houden van deze stakkertjes wel een grote weldaad is’, omdat vroeggeboorten juist in kringen van ‘onvermogenden’ zouden voorkomen.

Commercieel is het Amsterdamse avontuur geen succes. De couveuses kosten 300 gulden, een prijzig bedrag (omgerekend naar nu ruim 4000 euro), en de techniek blijkt kwetsbaar.

Gynaecoloog Van der Mey overlijdt in december 1895, kort na de Wereldtentoonstelling. Zijn opvolger Hector Treub geeft de voorkeur aan een simpeler en goedkoper type couveuse. De laatste kindertjes hebben de tent begin november 1895 verlaten. Couveuses op een kraamafdeling werden in de jaren daarna gaandeweg gemeengoed in Nederland.

Thijs Gras is historicus, maar werkt als ambulanceverpleegkundige in Amsterdam. In het oktober­nummer van Ons Amsterdam staat een uitgebreide versie van dit verhaal: onsamsterdam.nl.

Kartonnen baby

De Franse kraamarts Etienne Tarnier en ingenieur Odile Martin ontwikkelden in 1880 de eerste couveuse. Deze toonden ze 1886 op de Boerenbeurs van Marseille, met een kartonnen baby. Lion maakte door gebruik van echte baby’s een attractie van zijn couveuse. De Wereldtentoonstelling van Amsterdam was slechts één in een reeks tentoonstellingen waar Lion tussen 1894 en 1914 couveuses tentoonstelde. In Berlijn waren de couveuses een verpletterend succes, zo ook in Engeland en de Verenigde Staten. Daar bleven de ‘infant incubators’ een vaste attractie op tal van kermissen en tentoonstellingen, zelfs tot 1943 in het amusementspark op Coney Island in New York.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden