PlusAnalyse

Studie over slavernijverleden: Amsterdam heeft nog veel uit te leggen

Het boek maakt het aandeel van Amsterdamse bestuurders in de aansturing van de slavenhandel en slavernij nog duidelijker. Dinsdag nam het stadsbestuur het wetenschappelijke werk De slavernij in Oost en West in ontvangst.

Beeld van het werk van slaven op een koffieplantage in Suriname in de 19de eeuw.Beeld Hollandse Hoogte

De opeenvolgende stadsbesturen pakken de laatste jaren stevig door met de herwaardering van het koloniale verleden van Amsterdam. Eerder was al besloten tot de komst van een museale voorziening over slavenhandel en slavernij en een reeks straatnamen voor vrijheidsstrijders in de voormalige koloniën. Dinsdag kreeg het bestuur een in opdracht geschreven wetenschappelijk werk. Dit zet nog eens duidelijk op een rijtje wat de schaduwzijden waren van de Amsterdamse handelsgeest en veroveringsdrang.

Het is niet overdreven om te stellen dat het oude Amsterdam voor een belangrijk deel is gebouwd op het bloed, zweet en tranen van tot slaaf gemaakten elders op de wereld. Aan de welvaart hing een prijskaartje dat werd betaald door de honderdduizenden Afrikaanse en Aziatische mannen, vrouwen en kinderen die als goederen werden verhandeld, verscheept en tewerkgesteld op de plantages.

Dat is geen nieuws, maar wat het boek De slavernij in Oost en West in de bijdragen van de tientallen onderzoekers van verschillend pluimage wel duidelijk maakt, is de centrale rol die Amsterdamse bestuurders speelden in de organisatie en de aansturing van slavenhandel en slavernij. Zij hadden zitting in de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie en investeerden vaak ook als privépersoon in slavenschepen en plantages.

Pijnlijk

Het is een pijnlijke constatering voor een stad die prat gaat op een lange geschiedenis van vrijheid en tolerantie, maar het past ook bij Amsterdam om een kritische blik in de spiegel te werpen. De hoofdstad nam eerder het voortouw bij de metamorfose van Zwarte Piet, ook toen de rest van het land daar nog hoofdschuddend naar keek. Amsterdam is ook de belangrijkste aanjager en financier van de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij, elk jaar op 1 juli in het Oosterpark.

Wat dat betreft hoeft het geen verwondering te wekken als Amsterdam volgend jaar in het Oosterpark als eerste in het land excuses maakt voor de eigen rol in de slavenhandel en slavernij. Het gisteren gepresenteerde boek legt daar een stevig fundament voor. Het is volgend jaar ook nog eens vierhonderd jaar geleden dat de West-Indische Compagnie werd opgericht, de onderneming die vanuit het West-Indisch Huis de grote aanjager was van de trans-Atlantische handel en slavernij. 

Symbolen

De dadendrang van het stadsbestuur kan niet verhullen dat de grote stappen met name worden gezet op het terrein van de koloniale symbolen. Een slavernij-museum in oprichting, een lijst straatnamen, de roetveegpiet en excuses voor de keuzes van bestuurders die honderden jaren geleden aan de macht waren;  het zijn allemaal belangrijke symbolen, omdat zij op verschillende manieren getuigen van een veranderde blik op het verleden. Maar het blijven symbolen.

Minstens zo belangrijk is het aanpakken van de achterstanden die de Afro-Surinaamse en Afro-Antilliaanse gemeenschap in Amsterdam nog op veel terreinen hebben. Een grote groep kampt met armoede, schulden, werkloosheid, racisme en een slechte gezondheid. Om die problemen te lijf te gaan, zijn goed onderwijs nodig, stageplekken, banen en veilige buurten. Stuk voor stuk zaken die aanzienlijk moeilijker te realiseren zijn dan een museale voorziening, een nieuwe straatnaam of een ruiterlijk excuus.

De vinger in de pap van de slavenhandel van Amsterdam

Tussen de 16de en de 19de eeuw speelde Amsterdam een belangrijke rol in slavenhandel en slavernij. Een aantal voorbeelden uit het dinsdag gepresenteerde boek De slavernij in Oost en West.

De mondiale handel vanuit Amsterdam ging van start tegen het einde van de 16de eeuw. De Compagnie van Verre, opgericht door negen Amsterdamse kooplieden, stuurde een vloot onder leiding van Cornelis de Houtman naar Azië. De initiatiefnemers stamden uit voorname families. Reynier Adriaensz Pauw maakte zelfs deel uit van het vroedschap. De Amsterdamse predikant en geograaf Petrus Plancius leverde kaarten aan voor de reis en ook het boek Itinerario van Jan Huygen van Linschoten ging mee aan boord. Daarin onder meer een advies over de slaven en slavinnen uit Mozambique, volgens de schrijver door hun kracht geschikt om ‘het vuijlste ende grofste werck te doen’.

Opstand

In 1707 brak een opstand uit op de plantage van Jonas Witsen, stadssecretaris van Amsterdam, bewoner van de Gouden Bocht en neef van de bekende regent Nicolaes Witsen, die dertien keer burgemeester was van de stad en betrokken was bij de VOC, de WIC en de Sociëteit van Suriname, die het land en de plantages bestierde. De opstand brak uit omdat Jonas Witsen de vrije zaterdag afschafte en de werktijden van de tot slaaf gemaakten opvoerde. De opstand werd met geweld onderdrukt en de leiders werden ter dood veroordeeld. Ze moesten langzaam worden verbrand en met gloeiende nijptangen geknepen tot de dood erop volgde. Daarna moesten de hoofden op stokken worden gespiest, in naam van de Staten-Generaal en van de Sociëteit van Suriname, waarvan de gemeente Amsterdam mede-eigenaar was.

Bestuur VOC

Amsterdamse bestuurders hadden de belangrijkste stem in het bestuur van de VOC, die zich in 1615 schaarde achter het advies van de Amsterdamse koopman Jacques l”Hermite en Jan Pietersz Coen uit Hoorn om de Banda-eilanden te ‘destrueren en te verwoesten’. Vanuit Amsterdam werd de agressieve koers van Coen bepaald, die leidde tot verwoesting van Jakarta en de volkerenmoord op de Banda-eilanden, waarbij de 10.000 tot 15.000 inwoners werden vermoord of verdreven. Na deze slachtpartij werd de economie op Banda ingericht op slavernij. De geteelde nootmuskaat en foelie maakten Amsterdam tot een Europees centrum in de specerijenhandel.

Ten tijde van de eerste West-Indische Compagnie (1621-1674) was het de Amsterdamse afdeling die de infrastructuur ontwikkelde voor de slavenhandel. Onderhandelaars werden uitgestuurd naar Afrika om lokale vorsten om toestemming te vragen voor het bouwen van forten langs de kust van Benin, Senegal en Ghana. De Amsterdamse Kamer leverde bijvoorbeeld de hand- en polsboeien waarmee opstandige tot slaaf gemaakten aan boord konden worden vastgezet. Om de mensenhandel buiten de WIC aan banden te leggen, besloten de bestuurders in Amsterdam om alle slaven op Curaçao te brandmerken.

Van de 374 Amsterdamse burgemeesters en schepenen, die de stad bestuurden van de eind 16de tot eind 18de eeuw, was bijna de helft bewindvoerder van de VOC, de WIC of directeur van de Sociëteit van Suriname, die alle drie een belangrijke en directe rol speelden in de slavenhandel. Onder de burgemeesters was dat zelfs meer dan de helft. Onder deze notabelen zaten diverse generaties van bestuurdersgeslachten als Witsen, Van Collen, Backer, Geevinck, Hinloopen, Van de Pol en Deutz. De Amsterdamse burgemeesters hadden ook persoonlijke belangen in slavernij en gebruikten hun positie ook om de slavenhandel te beschermen en te rechtvaardigen.

Kinderen

De slavenhandel strekte zich ook uit tot kinderen. De WIC waarin het Amsterdamse stadsbestuur was betrokken, telde slaven niet in mensen, maar per stuk. Iedereen tussen 15 en 36 jaar was ‘één stuk’. Jongere kinderen waren twee derde of een derde stuk. Uit contracten van de Amsterdamse handelaren Jochem Matthijs en Coenraad Smitt, in de tweede helft van de 18de eeuw, blijkt dat zij kapiteins de opdracht gaven 320 jonge slaven te verkopen voor minimaal tachtig- tot honderdduizend gulden. Voor hogere opbrengsten kregen de kapiteins een premie.

In 1753 introduceerde de Amsterdamse burgemeester Willem Gideon Deutz het negotiatiesysteem, een investeringsfonds voor de plantages in de koloniën. Investeerders brachten geld in waarmee plantages konden worden opgezet of uitgebreid. De geldstroom verliep via een fondsdirecteur die zijn investeerders een hoog rendement beloofde. Het starten van een plantage was een kostbare aangelegenheid, met name door de kosten van de tot slaaf gemaakten die doorgaans een derde van de waarde van de plantage vertegenwoordigden. De planter moest in ruil voor de investering zijn inkopen doen in Amsterdam, en ook de producten van de plantage weer in de stad verkopen. Zo vloeide de investering terug in de lokale economie.

Jacob Baron de Petersen (1703-1780) is een van de vele stadsbestuurders die ook carrière maakten als WIC-ambtenaar en slavenhandelaar. Hij was gelieerd aan de Amsterdamse regentenfamilie Bicker, die ook burgemeesterschap combineerde met slavenhandel en bezit van plantages. De Petersen, die het ver schopte binnen de WIC, handelde ook zelf in slaven en was eigenaar van plantages. Zoals veel andere Amsterdamse regenten investeerde ook hij in transporten van slaafgemaakten. Hij groeide uit tot een van de meest gefortuneerde Amsterdammers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden