Plus

Struikelstenen voor homoseksuele oorlogsslachtoffers: ‘Vervolgd en vergeten’

Op vier plekken in de stad werd dinsdag een Stolperstein gelegd voor homoseksuele oorlogsslachtoffers. Een eerbetoon voor vergeten mensen met een vergeten leven, zegt initiatiefnemer Judith Schuyf.

Dinsdag werd in de Rombout Hogerbeetsstraat een Stolperstein gelegd voor de homoseksuele verzetsman Karel Pekelharing. Beeld Joris van Gennip
Dinsdag werd in de Rombout Hogerbeetsstraat een Stolperstein gelegd voor de homoseksuele verzetsman Karel Pekelharing.Beeld Joris van Gennip

Geen nabestaanden, geen uitgebreide biografie en in de meeste gevallen zelfs geen foto. Het trof historicus Judith Schuyf tijdens haar onderzoek pijnlijk dat er zo weinig informatie te vinden was over de Amsterdamse oorlogsslachtoffers van wie bekend was dat zij homoseksueel waren. “Ik vond het triest. Het zijn vergeten mensen met een vergeten leven. De Joodse traditie zegt dat de doden blijven bestaan zolang hun namen worden genoemd. Dat vind ik een mooie gedachte.”

Met het COC nam Schuyf het initiatief om een negental homoseksuele oorlogsslachtoffers uit de hoofdstad te eren met een zogenoemde Stolperstein, een glimmende steen met opschrift die herinnert aan hun lot in de oorlogsjaren. Dinsdag werd op vier plaatsen in de stad een struikelsteen gelegd: in de Kerkstraat voor Mina Sluyter, in de Valkenierstraat voor Samuel Hoepelman, in de Rombout Hogerbeetsstraat voor Karel Pekelharing en op het Singel voor Willem Arondéus.

In de kaartenbak

Sluyter en Hoepelman behoorden tot de Joodse Amsterdammers die in de oorlog werden weggevoerd. De eerste overleed in 1942 in Auschwitz, de tweede een jaar later in Sobibor. In de dossiers die bewaard zijn gebleven, zijn duidelijke verwijzingen te vinden naar hun seksuele gedrag. Sluyter werd verdacht van het onderhouden van een relatie met een ‘arische’ vrouw, Hoepelman was meermaals betrapt op het plegen van ‘tegennatuurlijke ontucht’ met ‘arische’ jongens.

Het registreren van homoseksualiteit was niet nieuw. In de jaren twintig was de Amsterdamse politie begonnen met het aanleggen van een lijst met de namen van mannen en vrouwen die werden verdacht van homoseksuele contacten. Schuyf: “Er was weinig voor nodig om in die kaartenbak te belanden. Een man die aangifte kwam doen van een gestolen fiets en een wat verwijfde indruk maakte, kon om die reden een aantekening krijgen.”

Seyss-Inquart

Meteen in mei 1940 kwam rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart met een verordening die homoseksueel contact verbood. Twee jaar later kreeg de politie opdracht mensen die hiervoor waren opgepakt door te sturen naar de Sicherheitsdienst. De maatregel viel samen met de start van de vervolging van de Joden, vertelt Schuyf. “We weten dat in juli en augustus een aantal bij de politie bekende homoseksuelen is opgepakt of ontboden op het bureau.”

Naast de Stolperstein van verzetsman Karel Pekelharing werden na de plaatsing rozen gelegd. Beeld Joris van Gennip
Naast de Stolperstein van verzetsman Karel Pekelharing werden na de plaatsing rozen gelegd.Beeld Joris van Gennip

Anders dan in Duitsland, waar mensen vanwege hun homoseksualiteit naar tuchthuizen, heropvoedingskampen en concentratiekampen konden worden gestuurd, was in Nederland geen sprake van systematische vervolging. Schuyf kent de discussie onder historici, maar vindt die weinig vruchtbaar. “Van deze Amsterdammers staat in elk geval vast dat ze aantoonbaar werden vervolgd om wat ze waren of wat ze deden.”

Dat geldt ook voor Willem Arondéus en Karel Pekelharing die deel uitmaakten van het zogeheten Kunstenaarsverzet. Arondéus was onder meer betrokken bij de aanslag op 27 maart 1943 op het bevolkingsregister onder leiding van Gerrit Jan van der Veen. Pekelharing maakte deel uit van de knokploeg die in 1944 een aantal pogingen deed een groep kameraden te bevrijden uit het huis van bewaring aan de Weteringschans.

Geen geheim

In beide gevallen leidde het verzetswerk tot hun arrestatie en hun dood. Arondéus werd een week na de aanslag op het bevolkingsregister aangehouden en op 1 juli 1943 geëxecuteerd in de duinen bij Overveen. Pekelharing werd na de vondst van een aantekening met zijn naam op 6 april aangehouden in café Américain en enkele weken later, op 10 juni 1944, eveneens in Overveen voor het vuurpeloton geplaatst.

Van de twee mannen is bekend dat zij geen geheim maakten van hun seksuele voorkeur, vertelt Schuyf. “Het gegeven dat zij in kunstenaarskringen verkeerden, maakte dat natuurlijk iets gemakkelijker. Pekelharing was dichter en danser, Arondéus schrijver en schilder. Ze hadden geen eenvoudig leven. Met hun werk konden ze geen droog brood verdienen. Arondéus kreeg in het begin van zijn carrière een paar grote opdrachten, maar arm was hij en bleef hij.”

Roze overhemd

Over Arondéus gaat de mare dat hij kort voor zijn executie tot zijn advocaat de gevleugelde woorden sprak: “Zeg de mensen dat homoseksuelen niet per definitie zwakkelingen zijn.” Schuyf twijfelt aan het waarheidsgehalte van dat verhaal. “De anekdote is pas vijftien jaar later opgedoken. Dat is merkwaardig. In de cel heeft Arondéus bovendien nog een aantal afscheidsbrieven geschreven, en ook daarin rept hij met geen woord over zijn homoseksualiteit.”

Dat laatste past volgens de onderzoeker in het tijdsbeeld. “De coming-out zoals we die nu kennen, bestond nog niet. Homoseksualiteit was geen onderwerp van gesprek.” Het gevaar van verdichting ligt bovendien op de loer, zegt Schuyf. “Tegelijk met Arondéus werd ook Sjoerd Bakker gefusilleerd. Hij was couturier en homo en vroeg te mogen sterven in een roze overhemd. Het is verleidelijk dat als een statement te zien, maar Bakker hield gewoon van de kleur roze.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden