PlusInterview

‘Straatintimidatie is een mannenprobleem, daar mag je jongens op aanspreken’

De schuld bij straatintimidatie ­publiekelijk bij het slachtoffer leggen is grotendeels taboe geworden, zegt socioloog Mischa Dekker. Maar hoe pak je dit probleem dan wel aan? Dat blijkt nog vaak een worsteling.

Socioloog Mischa Dekker promoveert aan de Universiteit van Amsterdam op zijn onderzoek naar straatintimidatie in Nederland en Frankrijk. Beeld Lin Woldendorp
Socioloog Mischa Dekker promoveert aan de Universiteit van Amsterdam op zijn onderzoek naar straatintimidatie in Nederland en Frankrijk.Beeld Lin Woldendorp

Zelf is Dekker zelden lastig gevallen op straat. “Ja, weleens bij een urinoir, maar dat had denk ik toch een andere lading dan bij een vrouw.” Juist die verschillen tussen de ervaringen van mannen en vrouwen tijdens het lopen of fietsen in de publieke ruimte wekte een paar jaar geleden zijn interesse. Woensdag promoveert Dekker aan de Universiteit van Amsterdam op zijn onderzoek naar straatintimidatie in Nederland en Frankrijk.

Daarin laat hij onder meer zien dat de afgelopen tien jaar een wereldwijde cultuuromslag was in hoe er tegen straatintimidatie wordt aangekeken.

“Het publiekelijk de slachtoffers de schuld geven, bijvoorbeeld, daarbij kun je rekenen op boze reacties. Dat is een taboe geworden. Misschien niet achter gesloten deuren, maar wel in het openbaar.” Hij wijst op de discussie die ontstond rondom de in maart vermoorde Londense Sarah Everard. Iemand vroeg zich af of ze nog wel zo laat alleen over straat had moeten gaan en die vraag werd vervolgens publiekelijk massaal afgekeurd. “We zijn het er inmiddels allemaal over eens: straatintimidatie is een probleem. Je zou verwachten dat partijen op alle vlakken van het politieke spectrum het ook eens zouden zijn over het invoeren van beleid en het aanpakken ervan. Toch zie je op dat punt nog steeds polarisatie.”

Dekker sprak niet de slachtoffers, maar juist de partijen die het probleem proberen aan te pakken: politici, beleidsmakers, journalisten, politie en activisten. Hij analyseerde interviews, krantenartikelen en observeerde bijeenkomsten over dit thema. Zo bekeek hij hoe straat­intimidatie de laatste jaren op de kaart is gezet en hoe hierop beleid is gemaakt.

Waar komt die polarisatie in Nederland vandaan?

“Het thema is in Frankrijk vooral door linkse partijen op de kaart gezet en had een sterk feministische inslag, waarbij de nadruk op machtsongelijkheid tussen mannen en vrouwen werd gelegd. Dit in tegenstelling tot Nederland, waar juist Leefbaar Rotterdam en de Amsterdamse VVD over een verbod op sissen en naroepen begonnen. Daarbij werd straat­intimidatie al snel gekoppeld aan hangjongeren met een migratieachtergrond en dat zorgde voor ongemak bij de linkse partijen. MeToo zorgde voor een omslag. Straatintimidatie werd breder bespreekbaar en dat creëerde meer ruimte bij zowel slachtoffers als beleidsmakers en politici.”

Dus alle partijen zijn nu zover: dit moet aangepakt worden. Maar beleid maken blijkt lastig. Waarom?

“In Frankrijk waren ze bang dat een beleid de ‘galanterie’, de hoffelijkheid, zou aantasten, maar in beide landen bestaat ook heel erg de vrees voor stigmatiseren. In Nederland is er bijvoorbeeld de beduchtheid voor het stigmatiseren van mannen met een migratieachtergrond. Die angst daarvoor is op zich helemaal niet erg, het laat zien dat je reflectief naar je verleden kunt kijken. Maar je kunt er ook te ver in gaan. Als het zo ingewikkeld wordt dat mensen helemaal niet meer over het thema straatintimidatie durven te praten, dan wordt een probleem ook niet meer erkend.”

Ook zijn Nederlanders bang voor moraliseren, zag u. De Fransen niet?

“In Nederland vinden ze het moeilijk om mannen te reduceren tot daders en vrouwen tot slachtoffers. Gender­ongelijkheid en seksisme worden hier al snel als te moraliserend gezien. De Fransen hebben daar veel minder last van. Ze hebben daar een feministischer benadering en de nadruk ligt meer op het geweld tegen vrouwen. Vrouwen noemen ze echt slachtoffers en tegen jongens zeggen ze: hou op met zo dominant doen. In Nederland gaat het ook wel over de mannelijke dominantie, maar het wordt toch ook vooral gezien als onhandigheid tijdens het flirten. We willen uitgaan van de goede intenties van de jongens, met als gevolg dat de lessen die kinderen op school leren een soort flirtlessen zijn: je ziet iemand lopen op straat: hoe zou je dat aanpakken?”

Relativeren we in Nederland op die manier het probleem niet te erg?

“Door mensen niet op een moreel niveau aan te spreken, is er geen aandacht voor structurele ongelijkheid, maar met zo’n praktische aanpak lukt het wel om over het onderwerp te praten. Iets waar ze in Frankrijk juist moeite mee hebben. Daar leidde het beleid tot spanningen in bepaalde wijken in de banlieues, met als gevolg dat zoiets helemaal niet meer bespreekbaar werd. In die zin zou Frankrijk dus wel wat van Nederland kunnen leren. Tegelijk kan Nederland wel wat meer feminisme in het debat gebruiken. Vorig jaar nog was er in Amsterdam een campagne #jijstaatnietalleen, waarbij de focus weer op de slachtoffers lag. Daardoor wordt toch weer gesuggereerd dat de oplossing vooral bij hen ligt, en zij hun gedrag zouden moeten aanpassen. Ook toen zag je weer dat beleidmakers het lastig vinden om mannen aan te spreken op hun gedrag. Maar het is wel degelijk een mannenprobleem, daar mag je jongens best over aanspreken en je beleid op aanpassen.”

Waar moeten we dan aan denken?

“Het sisverbod kwam er niet door, maar preventief zijn er nog veel mogelijkheden als je de focus verlegt naar mannen. Denk aan voorlichting en het aanpassen van de publieke ruimte, maar vraag je ook af waar de subsidies rond dit thema vandaan komen. Het is een veiligheidsprobleem, dus waarom komt er niet meer geld uit de richting van het ministerie van Justitie en Veiligheid?”

Straatintimidatie in Amsterdam

47 procent van de Amsterdamse vrouwen tegenover 28 procent van de mannen had afgelopen jaar te maken met straatintimidatie, bleek uit een onderzoek van de gemeente dat eind februari verscheen. Bij vrouwen van 15 tot 34 jaar ging het zelfs om 74 procent. Het aantal Amsterdammers dat zich veilig voelde op straat bleef de afgelopen jaren ongeveer gelijk. De meest voorkomende vormen van straatintimidatie tegenover vrouwen waren ook in 2020 nafluiten, naroepen met beledigende of seksuele opmerkingen en nasissen. Bij mannen is dit nageroepen worden met beledigende opmerkingen. In 2017 werd in Amsterdam en Rotterdam een sisverbod ingesteld, maar in 2019 oordeelde het Gerechtshof in Den Haag dat sissen en straatintimidatie valt onder de vrijheid van meningsuiting. Een verbod is in beide gemeenten wel opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), maar in Amsterdam wordt hierop niet gehandhaafd. Wie betrapt wordt krijgt een waarschuwing.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden