Plus

Spanje en Nederland: meer collega’s van elkaar dan rivalen

Veel grote musea zijn per land ingericht. De Hollanders bij de Hollanders, de Spanjaarden bij de Spanjaarden. Het Rijksmuseum laat nu zien dat Spaanse en Nederlandse schilderkunst eigenlijk niet zoveel van elkaar verschillen.

Velázquez’ Nar. Aan het hof werd hij gepest, maar de schilder toont hem in alle waardigheid.

Tegenover een parkje in Sevilla, achter een hek met een rij hoge palmbomen, blaakt een witte gevel met de woorden ‘Santa Caridad, Domus Pauperum’. Via een binnenplaats met tegel­tableaus kom je in het Hospital de la Caridad, een instelling waar 82 armen, ouderen, zieken en daklozen onderdak vinden. Het Hospital is in 1663 gesticht door Don Miguel Mañara Vicentelo de Leca (1627-1679). Het wordt nog steeds in zijn geest beheerd door een ‘broederschap van de heilige liefdadigheid’. Zoals veel charitatieve instellingen heeft het Hospital de Caridad ook een kerk. De tijd lijkt hier te hebben stilgestaan.

Een van de belangrijkste stukken hangt boven de deur. Het is een gruwelijk schilderij van Juan de Valdés Leal, met schedels en half ontbonden lijken, die de beschouwer eraan herinnert dat alle wereldse zaken vergankelijk zijn. Een weegschaal met symbolen van de hoofdzonden en de deugden stelt de kijker voor de keuze: hemelse vreugde of helse pijnen. Kiest u maar.

Het schilderij hangt al eeuwen op zijn oorspronkelijk plek. Maar nu is het tijdelijk vervangen door een reproductie, omdat het origineel in het Rijksmuseum hangt. Het huidige broederschap is bezig met een campagne om de stichter van het Hospital zalig te laten verklaren en om de discussie daarover kracht bij te zetten mocht het schilderij tijdelijk naar het Rijks.

Het katholieke gedachtegoed is nog spring­levend in Spanje, uiteraard veel meer dan in Neder­land. Katholiek versus protestant, het is maar een van de verschillen tussen de landen. Ook historisch zijn de verschillen altijd benadrukt. Spanje was in de 17de eeuw een koninkrijk, Nederland een republiek. In Spanje stond de inquisitie niet bepaald bekend om haar ruimdenkendheid, in de Nederlanden werd tolerantie veel meer gewaardeerd. Beide waren vroeger verwikkeld in oorlog en politieke spanningen, maar tegelijk kreeg deze periode in beide landen later de bijnaam Gouden Eeuw opgeplakt.

‘Krijg-nou-wat’

De tentoonstelling Rembrandt-Velázquez is een samenwerking tussen het Rijksmuseum en het Prado in Madrid, waar deze eerder in een andere vorm te zien was. Het Rijksmuseum kon veertien schilderijen uit het Prado lenen, waaronder zes van Diego Velázquez. In Amsterdam hangen deels andere schilderijen, die nadrukkelijk in paren of trio’s worden gepresenteerd. Marten en Oopjen worden geconfronteerd met een groot dubbelportret dat Velázquez twee jaar eerder maakte van een adellijk echtpaar, van vrijwel dezelfde afmetingen. De Staalmeesters hangen naast Velázquez’ De smidse van Vulcanus. In beide doeken drukken meerdere figuren verbazing uit, verbazing omdat iemand binnenkomt. Een van de figuren bij Velázquez heeft misschien wel de mooiste ‘krijg-nou-wat’-uitdrukking in de kunstgeschiedenis op zijn gezicht, inclusief opengevallen mond.

Rembrandt die zichzelf neerzet als apostel Paulus, met opgetrokken wenkbrauwen.

De naam van de tentoonstelling doet denken aan een wedstrijd tussen twee partijen – let ook op het streepje tussen de namen – maar in werkelijkheid wordt keer op keer juist de overeenkomsten tussen de twee schilders benadrukt. En de tentoonstelling gaat ook niet alleen over Rembrandt en Velázquez, maar bevat werk van veel meer kunstenaars. Waarbij moet worden aangetekend dat Vermeer, Zurbarán, Hals, Murillo en de andere kunstenaars op deze tentoonstelling elkaar nooit gekend hebben.

Eeuwenoude traditie

Toch hielden ze er in hun dagelijkse praktijk ongeveer dezelfde werkwijze op na en worstelden ze met dezelfde artistieke problemen. Uiteindelijk keek zowel Rembrandt als Velázquez altijd met een schuin oog naar Italië, waar de grote schilderkunstige traditie was. Rembrandt was daar overigens nooit zelf, Velázquez wel.

Het idee dat Spaanse en Nederlandse schilderkunst veel gemeen hebben, botst met een eeuwenoude traditie. Sinds de 19de eeuw is vaak benadrukt dat er een essentieel verschil is in de cultuur van de Europese naties en dat dit zichtbaar is in kunstwerken. De volksaard van elk land zou zijn weerslag hebben in de manier van schilderen. Velázquez werd als een echte Spaanse schilder gepresenteerd en Rembrandt als een typische Nederlander.

Zo zijn veel grote internationale musea ook ingericht. De Duitsers hangen bij de Duitse school, de Fransen bij de Fransen, enzovoort. Maar dit beeld begint steeds meer scheurtjes te vertonen. De afgelopen tijd wordt steeds meer benadrukt dat er eigenlijk sprake was van één overkoepelende Europese manier van werken, hooguit met regionale accenten.

De waarheid roepen

Op een van zijn laatste zelfportretten heeft Rembrandt zichzelf als de apostel Paulus afgebeeld. Hij kroop wel vaker in de huid van een personage of een typetje om zijn eigen hoofd te bestuderen. Zo verschijnt hij als vaandeldrager, oudtestamentische vorst of een ouderwetse edelman in zijn schilderijen. Hier heeft hij de attributen van Paulus bij zich, een oude schriftrol met quasi-Hebreeuwse letters en een zwaard. We weten niet precies waarom, maar hij doet nog iets vreemds in dit portret: hij trekt zijn wenkbrauwen op. Wil Rembrandt ons met dat gefronste voorhoofd een vraag stellen? En wat stelt hij dan ter discussie? Het is niet helemaal duidelijk wat hij wil, maar hij doet wel een direct, empathisch beroep op de beschouwer.

Daarnaast hangt een schilderij van een man die destijds een bufón of nar werd genoemd. Aan het Spaanse hof leefden mensen die door hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid als grappig werden gezien. Zij konden de etiquette doorbreken door de waarheid te roepen, maar moesten zich ook allerlei pesterijen laten wel­gevallen, of erger. De identiteit van deze kleine man staat niet vast en we weten niet wat Velázquez van hem vond, maar de schilder maakt hem in elk geval niet belachelijk. Ondanks zijn kleine gestalte is hij op ooghoogte weergegeven en zijn gezicht toont hem als een intelligent man. De boeken die hem omringen, dragen daar ook aan bij. Beide schilders hadden kunnen vervallen in malligheid, maar ze tonen uiteindelijk de condition humaine.

Soberheid en eenvoud

Een ander duo lijkt op het eerste gezicht minder voor de hand te liggen. Links hangt Het Lam Gods van Francisco de Zurbarán naast Interieur van de Sint-Odulphuskerk in Assendelft van Pieter Saenredam. Het witte lammetje, aan de poten vastgebonden, is een beeld dat medelijden en genade oproept. Het is een symbool voor het lijden van Christus, die vaak met een lam wordt vergeleken. Het schilderij van Saenredam toont een sober kerkinterieur, dat ooit als een katholieke kerk was gebouwd maar na de beeldenstorm van 1566 een tweede leven kreeg zonder sculpturen en afbeeldingen van heiligen. Het gesproken woord van de predikant staat nu centraal. Op de voorgrond heeft Saenredam het graf van zijn vader geschilderd. Zo worden beide schilderijen gepresenteerd als het toonbeeld van soberheid en eenvoud. Grootse betekenissen worden teruggebracht tot hun essentie.

Rembrandt-Velázquez. Nederlandse en Spaanse Meesters. Rijksmuseum, 11 oktober t/m 19 januari.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden