PlusNieuws

Slavernijmuseum moet nationaal icoon worden: dit zijn de 9 mogelijke locaties

De komst van een nationaal slavernijmuseum in Amsterdam is weer een stap dichterbij met de aanwijzing van negen potentiële locaties. Het museumgebouw moet een icoon voor de stad worden en toegankelijk voor elk Nederlands kind.

David Hielkema
Het slavernijverleden wordt elk jaar herdacht in het Oosterpark, maar krijgt binnen enkele jaren permanente aandacht in het komende slavernijmuseum. Beeld ANP / Koen van Weel
Het slavernijverleden wordt elk jaar herdacht in het Oosterpark, maar krijgt binnen enkele jaren permanente aandacht in het komende slavernijmuseum.Beeld ANP / Koen van Weel

De plannen voor het nationaal slavernijmuseum in Amsterdam moeten over een jaar definitief klaar zijn, inclusief locatiekeuze en programmatische opzet. Het museum gaat inzicht bieden in de Nederlandse slavernijgeschiedenis en de betekenis van slavernij in de huidige samenleving.

Negen mogelijke locaties zijn in beeld. Eén daarvan is de kop van het Java-eiland, waar in 2018 over is besloten dat op de ruim 2 hectare een nieuw stadspark komt. Een andere potentiële locatie is de Sixhaven. Lange tijd werd hier gesproken over een metrostation, maar dat gaat niet door wegens de kosten; voorlopig moet Sixhaven een groen gebied blijven. Het Marineterrein – waar bewoners strijden tegen grootschalige woningbouw – en het Mandelapark zijn andere mogelijkheden.

Het slavernijmuseum moet volgens het gemeentelijk projectteam nationale uitstraling krijgen in een nieuw gebouw. Een icoon voor de stad én voor het land. Het pand krijgt een publieksruimte van circa 6500 vierkante meter – vergelijkbaar met het Eye Filmmuseum. Een park eromheen is vereist en idealiter kan het publiek naar het museum komen met een pontveer. ‘Daar zou vast een deel van de verhaalervaring kunnen beginnen,’ stellen de verkenners in hun overzicht van de locaties en de opzet.

Toegankelijk voor elke scholier

De inhoudelijke hoofdlijnen voor dit museum zijn ook door het college van b. en w. vastgesteld. Het museum moet samenwerken met andere musea en burgerorganisaties; denk aan The Black Archives, maar ook andere organisaties buiten Amsterdam. Het krijgt een programma dat een ‘zo groot en divers mogelijk publiek’ aanspreekt en waar ruimte is voor reflectie en herdenking. Omdat het museum een kleine vaste kerncollectie zal bezitten, wordt het zaak om veel verschillende tentoonstellingen en voorstellingen binnen te halen.

Essentieel voor het museum is ook de educatieve programmering. ‘Leren over het verleden brengt begrip voor de toekomst. Voor de jeugd, maar ook voor volwassenen,’ stellen de onderzoekers. Het doel is om zoveel mogelijk scholieren uit Nederland het museum een keer te laten bezoeken.

Drie kwartiermakers krijgen nu een jaar de tijd om volgens deze hoofdlijnen verdere plannen voor het museum uit te tekenen. Het is nog niet bekend wie dit zijn, maar ze zullen zich allen richten op een specifiek profiel: één maatschappelijk, één museaal en één fysiek.

Verschillende perspectieven

Wethouder Touria Meliani (Kunst en Cultuur) vindt het slavernijmuseum passen bij de Amsterdamse rol in de geschiedenis. Volgens Meliani komt de focus van het museum op de trans-Atlantische slavernij van Afrika naar de Amerika’s te liggen, al moet er vanaf het begin ruimte voor verbreding komen – bijvoorbeeld voor het aandeel van de Vereenigde Oostindische Compagnie. “Dit is echt een momentum. Hier komen verschillende perspectieven samen. We gaan echt een plek bieden aan verhalen die niet verteld zijn.”

Ook wethouder Rutger Groot Wassink (Sociale Zaken en Diversiteit) is nauw betrokken bij het realiseren van het museum. Hij noemt de excuses voor de rol van het stadsbestuur tijdens de Nationale Herdenking Nederlands Slavernijverleden een belangrijk markeringspunt. “Geen eindpunt, maar een begin. Dit is heel nadrukkelijk een museum voor het land waar iedereen in Nederland trots op kan zijn.”

In de ambtswoning werd vorig jaar een rapport over het slavernijverleden overhandigd aan de gemeente. Van links naar rechts de wethouders Touria Meliani en Rutger Groot Wassink, burgemeester Femke Halsema, en Marian Markelo van kennisinstituut Ninsee. Beeld Roos Trommelen
In de ambtswoning werd vorig jaar een rapport over het slavernijverleden overhandigd aan de gemeente. Van links naar rechts de wethouders Touria Meliani en Rutger Groot Wassink, burgemeester Femke Halsema, en Marian Markelo van kennisinstituut Ninsee.Beeld Roos Trommelen

Dat er een nationaal slavernijmuseum moet komen, is in 2017 geopperd in de Amsterdamse gemeenteraad. Amsterdam stelde toen 100.000 euro beschikbaar voor onderzoek. In 2019 kende toenmalig minister Ingrid van Engelshoven (D66) aan de voorbereidingen voor het slavernijmuseum 1 miljoen euro per jaar toe en afgelopen november brachten de Raad voor Cultuur en de Amsterdamse Kunstraad een positief advies over het museum uit. ‘Met dit plan neemt Nederland een onderscheidende en inspirerende positie in binnen Europa.’

Pop-up

Nog meer mogelijke locaties zijn de kop van de Oranjesluizen, Tolhuistuin-Overhoeks en de Papaverweg in Noord en het Amstelpark en het Kenniskwartier in Zuid. Om zichtbaarheid te geven aan het museum wordt geadviseerd zo snel mogelijk te beginnen met een pop-up of een tijdelijke locatie. Groot Wassink hoopt dit in april 2023 te realiseren. Als het aan de wethouders ligt, volgt de opening van het voltooide museum in 2025. “Bij het 750-jarig bestaan van Amsterdam zou enorm mooi zijn.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden