PlusExclusief

Scholen worstelen met grenzen sinds MeToo: ‘Aanraken, bijvoorbeeld, doe je gewoon niet meer’

Frenk Saarloos, directeur van Iedersland en Hogelant in Noord, hanteert het ‘vierogenprincipe’: een leerling hoort nooit alleen in een lokaal te zijn met een docent. Beeld Tzenko Stoyanov
Frenk Saarloos, directeur van Iedersland en Hogelant in Noord, hanteert het ‘vierogenprincipe’: een leerling hoort nooit alleen in een lokaal te zijn met een docent.Beeld Tzenko Stoyanov

De MeToogolf zet ook op Amsterdamse middelbare scholen de verhoudingen op scherp. Mondige leerlingen en verkrampte docenten zetten de schoolleiding voor het blok: wat is het nieuwe normaal in de omgangsvormen? ‘Aanraken, bijvoorbeeld, doe je gewoon niet meer.’

Anna Herter en Tahrim Ramdjan

Neem vorige week, toen het kwik regelmatig boven de 25 graden uitkwam en leerlingen schaarser gekleed dan normaal naar school kwamen. Op meerdere scholen rees de vraag of mannelijke docenten hun vrouwelijke leerlingen kunnen aanspreken op – volgens hen – te korte kleding.

“Mag ik dat als blanke, heteroseksuele vijftiger tegen een meisje zeggen?” vraagt rector Wilfred Vlakveld van het Hervormd Lyceum Zuid zich af. “Dat betekent weliswaar dat ik naar je heb zitten kijken, maar ik ben geen vieze man.”

Ook bij rector Maryse Knook van de Open Schoolgemeenschap Bijlmer en haar team leidt de kledingkeuze van leerlingen soms tot ingewikkelde discussies. “We hebben er heel open gesprekken over gevoerd met elkaar. Wat kan wel, en wat kan niet? Dat werd soms heel expliciet, tot de vraag: mag je tepels zien? Zo niet, kun je dat midden in de kantine tegen een leerling zeggen? En wíé moet het zeggen?”

De vragen over het al dan niet aanspreken van leerlingen op hun kledingkeuze schetsen de verwarring over alle onderwerpen die ook maar enigszins tegen MeToo aanhangen. Want sinds MeToo is het een belangrijke discussie op Amsterdamse scholen: wat is wel of niet grensoverschrijdend gedrag, en hoe gaan we ermee om?

De noodzaak van het debat is er op dit moment meer dan ooit: na de onthullingen rond tv-programma The Voice of Holland ziet de onderwijsinspectie het landelijk aantal meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag op scholen ‘met tientallen per week’ toenemen, zegt een woordvoerder. Hoeveel daarvan uit Amsterdam komen, is onbekend, maar er zijn veel voorbeelden van onwenselijk gedrag in en om de klas, blijkt uit gesprekken met leerlingen van verschillende scholen.

Een natuurkundeleraar die een leerlinge in de les ‘schatje’ noemt. Een wiskundedocent die zegt dat je ‘bonuspunten’ krijgt als je ‘na de les langskomt’. Een docent Nederlands die, wanneer hij met een 14-jarige leerling alleen is in een lokaal, achter haar gaat staan en haar vastpakt. Een gymdocent die een ander 14-jarig meisje vraagt of ze haar vest wil dichtdoen, omdat ‘zij hem anders afleidt’. Een afdelingsleider die leerlingen met een bril ‘brilsmurf’ noemt en blonde kinderen ‘domme blondjes’.

In april deden al twee oud-leerlingen van het Amsterdams Lyceum in hun schoolkrant verslag van alle opmerkingen en aanrakingen door docenten die zij en medeleerlingen als aanstootgevend hadden ervaren (‘Meneer slaat me op mijn kont’).

Scholen hebben nog niet alle antwoorden. Uit een rondgang van Het Parool onder 30 van de ongeveer 80 Amsterdamse middelbare scholen (waarin alle stadsdelen en niveaus zijn vertegenwoordigd) blijkt dat elke school in meer of mindere mate grensoverschrijdend gedrag tot aandachtspunt heeft gemaakt. Sommige hebben een stappenplan voor eventuele incidenten, anderen zweren bij ‘maatwerk’. Maar veelal vertellen scholen nog zoekende te zijn in het ‘mijnenveld’ van nieuwe opvattingen over wat grensoverschrijdend is. Het lastige: die opvattingen zijn niet in beton gegoten.

Onschuldig bedoelde grapjes

Dat scholen zoekende zijn, ervaart ook afdelingsleider Jessica Servaas van het Vossius Gymnasium. Ze noemt het ongemak bij onschuldig bedoelde grapjes in de klas. “Puur omdat je niet over elk woord nadenkt. In de klas moet je heel ad rem kunnen reageren, en humor helpt om te deëscaleren. Als leraar loop je altijd langs de rand van de afgrond.”

Sommige scholen hebben al keuzes gemaakt vanwege de cultuur op de school. Op het Comenius College in Nieuw-West vindt fysiek contact tussen docent en leerling sowieso niet plaats, omdat het volgens directeur Freek op ’t Einde ‘in de islamitische cultuur al niet gebruikelijk is dat je zomaar iemand aanraakt’. Dat herkennen meerdere scholen in West en Nieuw-West.

Martine Pijpe van De Vinse School in Centrum zegt dat haar school is ontstaan ten tijde van de MeToobeweging en daarom al heel alert is.

Rectoren beamen dat leraren in de veranderende tijden geremd zijn in hun gedrag, uit angst dat dit verkeerd geïnterpreteerd wordt. “Ze lopen misschien niet op hun tenen, maar mijn docenten zijn wel meer op hun hoede,” zegt Jan van der Linden, directeur van het Casparus College in stadsgebied Weesp. “Aanraken, bijvoorbeeld, doe je gewoon niet meer. Ook als je een arm om een kind wilt slaan om te troosten.”

“Sommige leerlingen maken van een mug een olifant,” vult directeur Rick Volder van het Cburg College aan. Hij raadpleegt een paar keer per jaar de camera’s op school, omdat er discussie ontstaat over een interactie tussen leraar en leerling. “Dan pak je een leerling bij de arm omdat hij even mee moet komen, en dan doet hij achteraf alsof er veel meer aan de hand is. Leerlingen komen met de wildste verhalen thuis. Voordat je het weet heb je een ouder aan je broek die beweert dat een docent aan zijn of haar kind heeft gezeten.”

De grenzen zijn al moeilijk te bepalen op het gebied van persoonlijke integriteit. Nog ingewikkelder wordt het als de algemeen veranderende cultuur een rol speelt. Zo twijfelt Jan-Willem Dienske, rector van het Gerrit van der Veen College, of ‘jongens en meisjes’ zeggen nog wel kan.

De deuren altijd open

In algemene zin móét er beleid zijn op scholen om te voldoen aan de zorgplicht, stelt hoogleraar onderwijsrecht Pieter Huisman (Universiteit Tilburg). Hoe ze dat invullen, is aan de scholen zelf. Juist aandacht hebben voor dit grijze gebied, maakt dat ernstigere incidenten, zoals een aanranding of relatie tussen docent en leerling, voorkomen kunnen worden.

Aarzelend of juist proactief, de aanpak verschilt sterk per school, blijkt uit de inventarisatie van Het Parool. De ene school heeft tot in detail vastgelegd hoe er met elkaar om dient te worden gegaan, de andere laat dat over aan de praktijk. Meer dan de helft, 54 procent, van de gesproken scholen heeft een document waarin gedragsregels opgesteld staan. Dat blijkt vooral het geval te zijn op scholen die uitsluitend vmbo-onderwijs aanbieden.

Grote ramen in de lokalen, de deur die open blijft bij een-op-eengesprekken, of gewoon maar in de aula gaan zitten met een leerling: scholen nemen allerlei maatregelen om misverstanden te voorkomen.

In de lessen waar fysiek contact bij komt kijken, springen de veranderende mores het meest in het oog. Op kunstschool Ivko in Zuid wordt een dansdocent erop getraind hoe hij het beste een danspas bij een leerling corrigeert. En op het Iedersland en Hogelant in Noord vangt tijdens de gymles met ringen en touwen niet langer de docent, maar een medeleerling je op.

Sowieso hanteert directeur van de twee scholen, Frenk Saarloos, het ‘vierogenprincipe’: een leerling hoort nooit alleen in een lokaal te zijn met een docent.

Alle scholen hebben minstens één interne vertrouwenspersoon om invulling te geven aan hun zorgplicht. Bij veel scholen zijn dat er twee, bij een enkeling zelfs zes. Iets meer dan de helft, 57 procent, van de scholen heeft ook een externe vertrouwenspersoon waar leerlingen bij zouden kunnen aankloppen.

Vinden leerlingen ook de weg naar de vertrouwenspersonen? Scholen vermelden hun contactgegevens in de schoolgids; een derde van de gesproken scholen kent bovendien een schriftelijk stappenplan. Meerdere scholen zeggen aan het begin van het schooljaar en tijdens de mentorlessen aandacht te besteden aan het onderwerp.

Toch zeggen sommige leerlingen tegen Het Parool dat ze geen idee hebben wie de vertrouwenspersoon is. Dat hoort Iris Schijvens van het Landelijk Aktiekomité Scholieren (Laks) vaker. “Dan herkennen ze het kamertje en bordje erboven, maar hebben ze die persoon nog nooit gezien.” Terwijl scholen het vaak wél geregeld hebben. Zij ziet daarin een kans voor scholen: laat de vertrouwenspersoon een informeel praatje maken met leerlingen, om kennis te maken.

Eigen invulling van zorgplicht

Scholen blijken, kortom, elk een eigen invulling te geven aan de zorgplicht rondom grensoverschrijdend gedrag. Is dat veilig genoeg? Moet de route bij grensoverschrijdend gedrag in een schriftelijk stappenplan worden vastgelegd? Of in gedragsregels?

André Kreuze, directeur van het Landelijk Instituut Vertrouwenspersonen, noemt het ‘vreemd’ dat meldingen bij elke school anders worden behandeld. Hij stelt dat het in het uiteenlopende karakter van incidenten goed is om richtlijnen te hebben als houvast. Ook Laura Adèr van Fairspace, een organisatie die bedrijven helpt een veilige en inclusieve werkvloer te creëren, benadrukt het belang van ‘regels op papier’. “Maar het is ook een papieren werkelijkheid. In de praktijk blijkt het toch vaak maatwerk.”

Plaatsvervangend rector Luc Hilkens van het St. Nicolaaslyceum vreest juist dat je onvoorziene situaties kan missen bij een té gedetailleerde beschrijving van gedragsregels. Schoolleider Jan Paul Beekman, met twee Spinozascholen in Zuid, zegt dat het uiteindelijk neerkomt op de integriteit van het personeel. “Ik vind het zó vanzelfsprekend dat je ervan uitgaat dat je docenten doen wat ze horen te doen. Dat raakt ook aan mensbeeld.”

Toch moet de discussie gevoerd, ziet ook Rick Volder van Cburg College. “Ik snap waar het vandaan komt. Tegelijkertijd wil je ook een arm kunnen slaan om een leerling die verdriet heeft. Dat doe je niet zomaar meer. Ja, dan wordt het contact wel minder warm dan je zou willen.”

Reageren? onderzoek@parool.nl

Hulp bij grensoverschrijdend gedrag: mentor of vertrouwenspersoon?

Hoe moet een school handelen bij een klacht over grensoverschrijdend gedrag? Sinds de Wet veiligheid op scholen in 2015 in werking is getreden, hebben scholen een zorgplicht voor de sociale veiligheid. Vermoedens van zedenmisdrijven moeten gemeld worden bij de onderwijsinspectie. Een antipestcoördinator en een klachtenregeling zijn verplicht, vertrouwenspersonen alleen als dat via de klachtenregeling van het schoolbestuur geregeld is.

Veel scholen zien de vertrouwenspersoon echter niet als het eerste aanspreekpunt, blijkt uit een rondgang onder dertig middelbare scholen in Amsterdam. De meeste scholen vinden dat de mentor dat is. Drie scholen zeggen te stimuleren dat leerlingen daarvóór nog met de betreffende docent praten.

Een slechte zaak, vindt André Kreuze van het Landelijk Instituut Vertrouwenspersonen. Een vertrouwenspersoon moet het eerste aanspreekpunt zijn. Eerst langs de mentor gaan, noemt hij ‘uitermate onwenselijk’. “De eerste opvang na een vervelend incident is ontzettend belangrijk.” De mentor zal nog weleens doorverwijzen naar de vertrouwenspersoon of rector, maar, zegt Kreuze: als je iets is overkomen waar je last van ondervindt, is het niet fijn om dat meerdere keren te moeten delen. Laks-bestuurslid Schijvens wijst er tevens op dat niet elke leerling een goede band met zijn mentor heeft.

Ook moet de school weten hóé te reageren als iemand zich meldt en waar die terechtkan, stelt Laura Adèr van Fairspace, die bedrijven helpt een veilige en inclusieve werkvloer te creëren. “Dat gaat vaak mis: 75 procent van de reacties op een ervaring van grensoverschrijdend gedrag bevat – bedoeld dan wel onbedoeld – victim blaming.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden