Plus Interview

Rob Polak: ‘Als je boos bent, ben je als advocaat niet goed bezig’

In een vorig leven stond Rob Polak (58) als advocaat bij De Brauw grote klanten bij als Boeing, El Al en Philip Morris. Hij werd getypeerd als ‘de sluipmoordenaar’. Nu is hij onder de naam Robert Pollack schrijver van De Taak, een spionagethriller geïnspireerd op de Magnitski-affaire. 

Rob Polak. Beeld Erik Smits

Schrijver Robert Pollack, pseudoniem van jurist Rob Polak, woont in Oegstgeest in een sprookjesvilla met een rieten dak en hemelsblauwe luiken. Naast de voordeur hangt een ouderwetse smeedijzeren klopper. Pollack doet binnen een paar tellen open. Hij is een beetje zenuwachtig, zegt hij als we in de gang staan, gevolgd door de vraag waar we zullen gaan zitten: in de woonkamer, de eetkamer of de keuken. Het wordt de woonkamer, dat wil hij het liefst.

Terwijl hij naar de keuken verdwijnt voor koffie, komt zijn vrouw (Tanja Bender, hoogleraar Internationaal Belastingrecht aan de Universiteit Leiden) naar beneden om hallo te zeggen. De twee leerden elkaar kennen in de tijd, halverwege de jaren negentig, dat advocatenkantoor De Brauw Blackstone Westbroek samenwerkte met belastingadvieskantoor Loyens & Volkmaars. Zij werkte bij Loyens, hij was advocaat bij De Brauw, op de sectie litigation (procesvoering). De vonk sloeg over tijdens een medewerkersweekendje, zegt ze: “Zoals dat gaat.”

Pollack verschijnt met twee kopjes koffie. Hij grinnikt. “Wij en onze twee kinderen zijn het enige dat is overgebleven van de samenwerking.”

In 2012 vertrok hij bij De Brauw, na een loopbaan van bijna 25 jaar als advocaat. Hij wilde meer tijd hebben voor andere dingen. Zoals schrijven. Op 28 mei verscheen zijn debuutroman De Taak. Een politieke thriller over twee Europese ambtenaren die, in opdracht van de Raad van Europa, naar Sint-Petersburg worden uitgezonden om de verdachte dood van een in gevangenschap overleden Russische advocaat te onderzoeken. Deze lijn in het verhaal is geïnspireerd op de Magnitski-affaire. Fiscaal jurist Sergej Magnitski ontdekte in 2008 dat Russische overheidsfunctionarissen 230 miljoen dollar aan belastinggeld hadden gestolen en witgewassen. Vervolgens werd hij zelf gearresteerd voor fraude en na 358 dagen dood in zijn cel gevonden. Magnitski was toen 37 jaar.

In De Taak verloopt het onderzoek niet zonder slag of stoot: een getuige gaat dood, iemand anders verdwijnt. De Europese ambtenaren, een Duitse man en een Franse vrouw, begeven zich in het Rusland van vandaag op dun ijs.

Durft u uzelf al schrijver te noemen?

“Niet helemaal. Als mensen vragen wat ik doe, zeg ik meestal dat ik jurist ben maar ook schrijf.”

Even over dat pseudoniem, Robert Pollack – uit te spreken op zijn Engels. Als het uw bedoeling was te verschuilen gaat dat niet helemaal lukken, vrees ik.

“Ik had eerst een pseudoniem gekozen dat niet leek op mijn naam, maar zowel de uitgever als Tanja waren het daar niet mee eens. Zij vonden dat ik het beter onder eigen naam kon publiceren. Toch wilde ik iets van onderscheid maken tussen mijn schrijverschap en mijn leven als jurist. Ik heb nog een aantal cliënten die ik adviseer, ik ben net benoemd als rechter-plaatsvervanger bij het Gerechtshof Den Haag, ik ben voorzitter van de Ethische Codecommissie voor Musea…”

Hij lijkt niet helemaal op zijn gemak met het opsommen van wat hij allemaal doet. “Nou ja, ik heb wat functies. In een gesprek met mijn redacteur kwamen we op deze middenweg. Zo is er afstand, maar ik ben niet helemaal onherkenbaar. Dat is toch wel handig. Anders zou ik bijvoorbeeld niet over mijn juridische achtergrond kunnen praten en die is wel van belang.”

Pollack groeide op in de Albrecht Dürerstraat in Amsterdam-Zuid als jongste van twee. Zijn vader deed als neurofarmacoloog bij TNO onder meer onderzoek naar prikkeloverdracht in zenuwcellen, zijn moeder werkte als assistente op kantoor tot er kinderen kwamen. Beide ouders wonen nog in het huis waar ze hun dochter en zoon grootbrachten. Polak komt er wekelijks.

‘Ik wil onderscheid maken tussen de schrijver en de jurist’ Beeld Erik Smits

Zijn familie is vooral historisch joods, zegt hij. “We zijn niet religieus, zelfs de gezinnen waarin mijn ouders opgegroeid zijn, waren dat niet. Het Joods-zijn werd thuis alleen gevoeld door de Tweede We­reldoorlog. Mijn vader zat ondergedoken vanaf 1944, na verschillende keren te zijn opgepakt en weer vrijgelaten, mijn moe-der zat in Bergen-Belsen. In 1944 is ze als 11-jarig meisje met haar zus en haar ouders vrijgelaten in ruil voor Duitse Tempeliers die door de Engelsen als krijgsgevangenen waren opgepakt in Palestina.”

Hoe voelde u de oorlog in uw jeugd?

“De oorlog was vijftien jaar voor mijn geboorte afgelopen; eigenlijk heel kort. Dat had ongetwijfeld invloed op mijn ouders en dus ook op ons, maar ik kan niet precies aangeven hoe. Ik kan me sowieso relatief weinig herinneren van mijn jeugdjaren. Het was best een goede tijd, geloof ik. Mijn ouders praatten zelden over de oorlog. Ze waren wel vaak bezorgd dat Caroline, mijn zus, en mij iets zou over­komen. Misschien dat de oorlog bij mij doorwerkt in een vaag besef dat er geen per­manente rust of vrede bestaat, dat elk evenwicht plotseling kan worden door­broken.”

Na een studie Nederlands Recht aan de Universiteit van Amsterdam verhuisde hij naar de Verenigde Staten om verder te studeren. Vanuit New York werd hij in 1986 aangenomen bij De Brauw, toen nog een zeer statig Haags kantoor (tegenwoordig zitten ze op de Zuidas in een toren die The Rock heet).

Op het omslag van De Taak staat dat u advocaat was van de Tweede Kamer. Wat hield dat in?

“Wij waren de Landsadvocaat voor de Tweede Kamer, zoals Pels Rijcken dat is voor de regering. Ik werd ingeschakeld als de Kamer behoefte had aan onafhankelijk juridisch advies, bijvoorbeeld over voorgenomen wetgeving. Dat ging over van alles en nog wat: van liberalisering van het huurrecht tot het verbod op pelsdierhouderijen tot de voorgenomen sluiting van de kerncentrale in Borssele. Ik had er een interessante, uiteenlopende praktijk aan. Naast het adviseren van de Tweede Kamer deed ik ook veel massaschadeclaims. Ik heb bijvoorbeeld de afwikkeling van de Bijlmerramp gedaan voor Boeing en El Al.”

En u trad op voor een tabaksfabrikant in een massaschadezaak.

“Ik gaf samen met een andere partner leiding aan het team van De Brauw dat Philip Morris bijstond, ja.”

Als je bij een kantoor als De Brauw werkt, kom je nooit op voor de underdog, toch?

Hij aarzelt. “Dat is niet helemaal waar. Ik heb altijd veel werk gedaan voor de kunst- en cultuursector. Dan trad ik vaak op voor wat u de underdog noemt, en was ik de eiser: degene die de status quo wil doorbreken. Voor de orthodoxe kerk van Cyprus heb ik een grote zaak gedaan over het terugvorderen van iconen die zich in particuliere handen bevonden. Voor de erven Malevitsj heb ik vijf schilderijen teruggekregen van het Stedelijk Museum. Maar inderdaad, in de meer corporate zaken sta je bij De Brauw bijna altijd aan de kant van grote ondernemingen.”

Dus, bijvoorbeeld, Boeing en El Al wilden zo min mogelijk uitkeren aan de slachtoffers: dan was het uw taak dat juridisch voor elkaar te krijgen?

“Dat is te simpel gezegd. Aansprakelijkgestelden, zoals Boeing en El Al destijds, willen niet meer uitkeren dan waartoe ze juridisch verplicht zijn. Daar gaat het om.”

U heeft ook veel processen gevoerd over kunstvoorwerpen die tijdens de Tweede Wereldoorlog geroofd zijn uit handen van Joodse eigenaren.

“Zeker. En een aantal keer stond ik aan de kant van de musea; niet die van de underdog.”

Hoe was dat voor u, gezien uw achtergrond? Voelde u niet een soort extra morele verplichting naast de ethiek die je behoort te hebben als advocaat?

“Nee. Mijn fascinatie voor de restitutiepraktijk had, en heeft, natuurlijk met mijn achtergrond te maken, maar in het adviseren van een cliënt kon ik me losmaken van dat gevoel. Ook als ik optrad voor een mu­seum dat iets niet wilde teruggeven en ik de juridische argumenten moest zoeken om dat te verdedigen.”

Keek u als advocaat naar de rechtvaardigheid voor u een zaak accepteerde?

“Ik kreeg weleens iets aangeboden waarvan ik meteen dacht: dit stinkt, of: ze willen dat ik hier een standpunt inneem dat ik onverdedigbaar vind. Dan zei ik dat ik de zaak niet aannam omdat ze in mijn ogen met dat standpunt gingen verliezen. En verliezen, daar houd ik niet van, dat doe ik alleen maar als het echt nodig is.”

Rob Polak (Robert Pollack)
27 juli 1960, Amsterdam

1971-1978 Amsterdams Montessori Lyceum
1980-1987 Nederlands Recht aan de Universiteit van Amsterdam en Master of Laws aan Columbia University School of Law, New York
1988-2012 Advocaat en vanaf 1997 partner bij De Brauw Blackstone ­Westbroek
2012-heden Schrijver en juridisch consultant
Vanaf 1991 Commissaris Athenaeum ­Boekhandel
Vanaf 2016 Voorzitter Ethische Code­commissie voor Musea (lid sinds 2015)
Vanaf 2019 Raadsheer-plaatsvervanger Gerechtshof Den Haag

Rob Polak woont in Oegstgeest met zijn echtgenote Tanja Bender. Ze hebben twee studerende kinderen.

Hij valt even stil, vervolgt dan: “Als jonge advocaat had ik een keer een zaak voor een groot veilinghuis waar iets was ingebracht met een besmet oorlogsverleden. Een partner van mijn kantoor vond dat ik het niet kon doen omdat het veilinghuis geen sympathiek standpunt had. Ik dacht toen: sympathiek, sympathiek, het gaat er toch om of het redelijkerwijs verdedigbaar is? Ik sprak er met mijn vader over. Hij vond dat ik me vrij moest voelen het veilinghuis te verdedigen. Ik heb de zaak uiteindelijk niet opgegeven.”

En, gewonnen?

“Geschikt, naar ieders tevredenheid.”

Welke karaktereigenschap maakte u tot zo’n succesvolle advocaat?

“Ik ben zorgvuldig en ik kan goed schrijven, in de zin van helder een standpunt verwoorden op papier. Verder heb ik ook wel enig strategisch vernuft. Misschien is het ook een goede eigenschap dat er een zekere kalmte over me komt in crisisachtige situaties, en daar heb je met enige regelmaat mee te maken. Ik ben als advocaat nooit in paniek geweest. Wellicht is het gevoelloosheid. Nee, dat is overdreven. Het is koelbloedigheid, een beetje een killersmentaliteit. Een cliënt beschreef mij ooit, en hij bedoelde het als compliment, als een sluipmoordenaar.”

U komt onschadelijk over.

Hij glimlacht fijntjes. “Dat werkt in je voordeel als sluipmoordenaar. Ik denk wel dat u mij nu anders ziet dan als ik in een zaak moet optreden, maar dat testosteronachtige heb ik niet, ik ben geen macho. Een cliënt heeft ooit iets over mij geschreven in een boek. Zal ik het even pakken?”

Graag.

“Het is wel van twintig jaar geleden, hoor.” Het boek gaat over de Cypriotische iconen rechtszaken. De kerk was zijn cliënt en Tasoula Hadjitofi, de schrijfster van het boek (The Icon Hunter), was de vertegenwoordiger. Hij kan het citaat niet meteen vinden. “Ik had er een ezelsoortje bij moeten maken.”

Ik heb in De Taak wel een ezelsoor gemaakt, bij een citaat over een advocaat waarvan ik denk dat het over u gaat.

“Ik weet welke u bedoelt: ‘Een advocaat moet veel durven zonder al te grote risico’s te nemen’. Jan Maarten Boll, een van mijn vroegere bazen bij De Brauw, heeft dat tegen me gezegd. Mooie uitspraak, hè.”

Handelt u ernaar?

“Ik heb het niet voor niets al die tijd onthouden. Kijk, in deze alinea staat het. ‘Polak gives the impression that he is a fierce attorney in an understated way – No bravado, just expertise?’ Ja, dat is het. Om het non-testosterongehalte aan te geven.”

Kinderfoto Rob Polak

Het schrijven van fictie heeft Pollack altijd getrokken. Op zijn achttiende schreef hij zijn eerste werk, een novelle over een student die zich bezighield met het beoordelen van edelstenen. “Daardoorheen speelde een liefdesrelatie. Vraag me niet naar de details, want ik heb er veertig jaar niet naar gekeken. Voor De Taak maakte ik al aantekeningen tijdens mijn eerste reis naar Sint-Petersburg in 1989. De ontdooiing van de Koude Oorlog was begonnen en ik wilde graag de Sovjet-Unie vanbinnen zien. Ik was daar alleen, had geen relatie, dus was heel vrij. Zo zijn mijn eerste gedachten over dit boek ontstaan.”

Wat deed u er?

“Wat ik altijd doe en prettig vind als ik in een vreemde stad ben, is rondwandelen en praten met mensen die er wonen. Russisch sprak ik niet, maar met handen en voeten en een klein beetje Engels lukte het wel. Ik ging zelfs eten bij Russen thuis. Het was heel bijzonder. Overal hing een fata­listische sfeer, maar je proefde tegelijkertijd de hoop dat er snel iets zou veranderen.”

“Halverwege de reis ontmoette ik twee Joodse meisjes die weg wilden. Ik heb geprobeerd ze te helpen. Toen ik terugkwam op kantoor, vertelde ik aan mijn baas dat ik wilde gaan praten met de Israëlische ambassade en dat er wat uren in gingen zitten. Dat vond hij prima. Voor de zekerheid benadrukte ik dat er niet voor betaald zou worden. Hij keek me aan en zei: ‘De rekeningen worden in het hiernamaals betaald.’ Dat zegt wel iets over de sfeer bij De Brauw.”

Hoe kwam u er uiteindelijk toe te stoppen als advocaat en een boek te gaan schrijven?

“In 2010 nam ik vier maanden sabbatical, dat mocht na tien jaar partnerschap. In die periode schreef ik veel, maar ik deed verder niets bijzonders. Dat wilde ik ook niet, ik wilde vooral weten hoe het was om gewoon thuis te zijn, als huisman.”

Want dat ben je als advocaat bij De Brauw niet zo vaak?

“Nee, en dan was ik het nog relatief veel. Ik heb ook een tijdje parttime ge­werkt toen de kinderen klein waren.”

Ook niet zo gebruikelijk voor een partner in de corporate advocatuur.

“Bij De Brauw kon het wel. Er was een regeling voor ingesteld, maar die was eigenlijk meer voor vrouwen bedoeld, al zei niemand dat natuurlijk. Er was een oudere mannelijke partner die er gebruik van maakte. Toen heb ik het ook aangevraagd. Het bestuur vond het zonder morren goed en ik heb het vier jaar gedaan.”

Hoe vond u dat?

“Heel fijn. Je kunt twee middagen per week naar huis om je kinderen van school te halen zonder je schuldig te voelen. De werkdruk werd niet evenredig minder, want een praktijk loopt altijd door. Maar hoe kwamen we hierop? O ja, mijn sabba­tical. Nadat ik terugkwam op kantoor, dacht ik: nee, ik wil toch een nieuw hoofdstuk in mijn leven beginnen. Ik vond ook dat mijn eigen top in de advocatuur was bereikt. Was ik nog vijf jaar gebleven, dan had zich ongetwijfeld een nog mooiere, grotere zaak aangediend, maar ik had er 95 procent uitgehaald, het was goed zo. Het zijn ook gouden handboeien, een partnerschap bij zo’n kantoor. Het is heel lucratief, de zaken zijn bijzonder, en ik heb me in de werkomgeving altijd thuis gevoeld. Maar tot mijn zestigste blijven voelde niet als de goede weg. Ik heb nog een jaar afgebouwd en sindsdien ben ik een vrij man.”

In De Taak is de mannelijke onderzoeker, Steffen, een durfal en een jonge hond. Een romanticus ook. Christine is wat ouder en behoudender, op het eerste gezicht althans, en ze wil niet buiten de begrenzing van de opdracht uit Straatsburg treden. Bent u meer Christine of Steffen?

“Ik denk dat in beide personages iets van mij zit, maar Steffen gaat volledig in tegen wat ik net zei: ‘Een advocaat moet veel durven maar geen al te grote risico’s nemen.’ Hij neemt enorme risico’s, iets wat ik niet zou doen. Christine kijkt steeds wat de regels zeggen. Daarin lijkt ze op mij. Bij haar overdrijf ik die eigenschap zodat het irritant begint te worden, wat dan weer goed is voor de dynamiek tussen die twee. Zo irritant ben ik geloof ik niet, maar als advocaat dacht ik bij elke stap wel: wat betekent dit voor de positie van mijn cliënt?”

Geen ego?

“Nooit. Als je boos bent, of je verweert tegen iets wat jou raakt, ben je als advocaat niet goed bezig. Eigenlijk moet je je bij elke stap in een zaak afvragen: hoe zou een rechter hiernaar kijken? Althans, zo deed ik het.”

We geven natuurlijk geen spoilers weg, maar bij zowel Christine als Steffen gaan allerlei spannende, persoonlijke en hoogst onjuridische belangen meespelen die een enorme impact hebben op het onderzoek.

Pollack kijkt blij. “Ik wilde natuurlijk wel dat het een leuk boek zou worden.”

Heeft u er ervaring mee?

Lachend: “Niet zo dramatisch als in het verhaal, maar ik zat weleens zo lekker in een zaak dat overmoed op de loer lag. Op zo’n moment is het tijd jezelf streng

toe te spreken. Je mag als advocaat nooit denken: ‘Ik heb deze situatie helemaal in de hand, niemand maakt mij wat.’ Elk evenwicht kan plotseling worden door­broken.”

Bent u weleens verliefd geworden op een cliënt?

“Nee. Een enkele keer kwam het voor dat ik iemand heel leuk vond, maar nooit zo dat het de zaak overheerste.”

Je voelt in De Taak uw achtergrond als advocaat bij een prestigieus kantoor, maar je voelt ook dat u er los van bent. Er zitten pikanterieën in waarvan ik dacht: zou hij dit ook hebben durven schrijven als hij nog wekelijks moest aanschuiven bij de jurisprudentie-met-kroketten-lunch?

Het duurt een seconde of tien voor hij antwoord geeft. “Als ik dit boek had geschreven tijdens mijn sabbatical was ik naar het bestuur gegaan om te vragen of kantoor bezwaar zou hebben tegen publicatie. Ik vermoed dat Martijn Snoep, de voorzitter van De Brauw in het jaar dat ik wegging, zou hebben gezegd: ‘Rob, hartstikke leuk, maar houd dit in de la tot je op een dag iets anders gaat doen.’ En dat zou ik begrijpen.”

Aan zelfcensuur had u niet gedaan?

“Natuurlijk niet. Haha. Ik zou bijna zeggen: u zou eens een paar van de verhalen moeten lezen die ik wel nog in de la heb liggen. Wilt u water trouwens?”

‘Nooit ego. Als je boos bent, ben je als advocaat niet goed bezig’ Beeld Erik Smits

Terwijl hij water haalt, bekijkt het bezoek de sudokuboekjes type ‘moeilijk’ op de salontafel.

Is dit uw hobby?

“Nee, mijn vrouw doet het graag. Ik lees alleen. Ik ben nu de nieuwe vertaling van Anna Karenina van Hans Boland aan het lezen.”

Hoe is dat?

“Ongelooflijk goed. Van bijna elk boek dat hier in de kast staat denk ik: het is te lang, hier had een goede, strenge redacteur vijftig tot honderd bladzijden uit moeten snijden, maar dit boek van duizend bladzijden vind ik niet te lang. Het is echt heel bijzonder.”

Moet u een boek altijd uitlezen van uzelf?

“Nee, ik mag het wegleggen als ik na honderd bladzijden nog denk: dit is wel heel hard werken. Hopelijk geldt dit niet voor mijn boek.”

Het viel me op dat in De Taak weinig beeldspraak zit, anders dan in veel Nederlandse boeken.

“Ik had eerst meer vergelijkingen, maar mijn redacteur zette er vaak grote strepen door.”

Kon u dat goed hebben?

“Het deed soms even pijn, maar ik ken het belang van kill your darlings. Als je helemaal opgewonden van blijdschap wordt terwijl je iets schrijft, weet je eigenlijk al dat het niet goed is.”

Is dat ook zo als advocaat?

“Zeker. Als ik een processtuk schreef en innerlijk zat te jubelen dat het zo scherp en goed geformuleerd was, wist ik dat ik het de volgende dag heel kritisch moest herlezen. Zo moet je volgens mij altijd ­kijken naar je werk: wat is hier niet goed aan? Niet denken: god, wat ben ik briljant.”

Had u iets aan uw ervaring met het schrijven van processtukken?

“Ja, helder schrijven, maar het was ook een handicap: ik wil te volledig zijn. In een processtuk is wijdlopigheid uit den boze, maar je wilt wel dat alle feitelijke beschrijvingen slechts voor één uitleg vatbaar zijn. En je wilt dat de rechter die uitleg volgt. Maar als schrijver kun je niet de hele tijd je alinea’s zo opbouwen. Je moet juist ruimte laten voor de fantasie van de lezer.”

Binnenkort heeft Pollack als rechter-plaatsvervanger zijn eerste zitting. “Ik heb een paar dagdelen ingeruimd om het dossier heel zorgvuldig te lezen, want ik wil als snotneus goed voor de dag komen.”

Heeft u er zin in?

“Ja. Ik heb altijd gedacht dat ik ge-schikt ben voor rechterlijk werk. De bestuursvoorzitter van De Brauw zei in zijn afscheidspraatje voor mij dat hem opviel dat ik altijd mijn gevoel volg. Dat klopt. Als iets goed voelt, doe ik het.”

Zonder veel herrie te maken?

“Voor het boek moet ik natuurlijk wel wat aandacht op mezelf vestigen, maar doorgaans is dat niet mijn stijl.”

Hij grinnikt: “Sluipmoordenaar. Ik ga bij voorkeur geruisloos op mijn doel af.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden