Plus Interview

Regisseur Ivo van Hove: ‘Ik meet me geen pose aan, ik denk dat dat mijn geheim is’

Als hij theater maakt, moet het wel ‘het allerbeste ter wereld zijn’. Ivo van Hove krijgt woensdag de Johannes Vermeer Prijs 2019. 

Ivo van Hove: ‘Ik geef altijd eerlijk mijn mening. Ik denk dat David Bowie dat heel erg heeft gewaardeerd.’ Beeld AFP

“Ik ben heel gefocust,” zegt Ivo van Hove als we plaatsnemen in zijn kantoor, in de coulissen van Internationaal Theater Amsterdam, waar hij al bijna twintig jaar directeur is. “Vroeger op school, op het internaat, heb ik een goede discipline aangeleerd. Ik heb geleerd om de tijd die ik heb goed te gebruiken.”

Stipt drie kwartier later zal hij kort afscheid nemen en vertrekken naar de repetities van Freud, een van zijn drie nieuwe producties, een coproductie met het Antwerpse Toneelhuis.

In oktober kunnen David Bowieliefhebbers in het DeLaMar naar de Nederlandse versie van Lazarus, de Broadwaymusical die Van Hove met de zanger maakte, kort voor diens dood in 2016. En in Antwerpen is de herneming van Les damnés te zien, naar een scenario van Luchino Visconti, over een Duitse industriële familie die in de jaren dertig probeert te overleven door zich met het opkomende nazisme te verbinden.

Van Hove: “Die voorstelling heeft alleen maar aan actualiteit gewonnen. De afgelopen drie jaar is de wereld er niet progressiever op geworden, integendeel: ze is nu vooral behouds­gezinder.”

Het is een politieke voorstelling, dus?

“Zeker. Maar het woord politiek vind ik moeilijk. Politiek klinkt tegenwoordig steeds meer als partijpolitiek, maar voor mij is Les damnés een politieke voorstelling in de ware zin van het woord, afkomstig van de Griekse term polis: het gaat over dingen die van belang zijn voor de samenleving. Les damnés is dus een maatschappelijk project, een voorstelling over de samenleving.”

Toch krijgt u vaak de kritiek dat samenleving en politiek niet bepaald een hoofdrol spelen in uw voorstellingen.

“Soms zijn er onuitroeibare mythes. Dit is er zo een. Maar zoek eens uit wat we allemaal gedaan hebben! In 2007 heb ik Romeinse tragedies gemaakt: een voorstelling van maar liefst zes uur, over politieke mechanismen, over alles wat er goed en fout kan gaan in de politiek. Ik heb The Fountainhead gemaakt, van Ayn Rand, een voorstelling over extreem liberalisme. Ik kan zo doorgaan.”

De incidentele negatieve kritiek valt in het niet bij de berg loftuitingen aan het adres van Van Hove. The New York Times omschreef hem als ‘de belangrijkste auteur in het internationale podiumcircuit’. Toen hij vorig jaar zestig werd, verschenen er vier boeken over Van Hoves leven en werk, in binnen- en buitenland. ­Woensdag wordt hij bekroond met de Johannes Vermeer Prijs, de Nederlandse staatsprijs, voor zijn ‘grandioze bijdrage aan de ontwikkeling van het theater in en buiten Nederland’.

Van Hove groeide op in het Vlaamse Kwaadmechelen, een gehucht met 2000 inwoners, als zoon van de plaatselijke apotheker. Hij voelde zich er een outsider. Toen hij op internaat in Hoogstraten ging, was dat een bevrijding, een weg naar zelfontplooiing. Als veertienjarige had hij er een relatie met een leraar – een gelijkwaardige relatie, zegt hij zelf – en hij ontwikkelde er zijn liefde voor het toneel. Ondanks een rechtenopleiding koos hij voor een toekomst in het theater. Het begin van een indrukwekkende, uiterst productieve ­carrière.

Hoeveel voorstellingen zijn het inmiddels?

“Dat weet ik niet, maar in een van die boeken die vorig jaar verschenen zijn, staat een lijst. Het waren er veel,” lacht de regisseur. “Meer dan honderd. Maar ik doe dit dan ook al veertig jaar. En de laatste vijftien jaar ben ik steeds meer gaan doen. Daarom denken mensen soms dat ik op elke aanbieding ‘ja’ zeg, maar dat is helemaal niet zo. Als ik voel dat de omstandigheden niet juist zijn, zeg ik nee. Jan en ik hebben elkaar daar altijd goed in gevonden.”

Jan Versweyveld is Van Hoves scenograaf en levensgezel. Hun hele loopbaan hebben ze samen opgebouwd. “Het begin van onze relatie, toen we nog heel jong waren – twintig – was heftig en stormachtig. Jan heeft toen heel snel gezegd: ‘Wij moeten samen iets maken.’ Zo hebben we ontdekt dat we elkaar versterken en hebben we de juiste balans kunnen vinden, dankzij hem.”

Had u zo’n indrukwekkende carrière kunnen opbouwen zonder Jan?

“Die vraag is te hypothetisch. Ik heb het nooit anders gedaan. Mijn eerste voorstelling heb ik samen met Jan gemaakt. Wat als hij er niet zou zijn? Ik heb geen idee.”

“In een relatie moet je er in voor- en tegenspoed zijn voor elkaar. Het is natuurlijk wel zo dat, als het voor ons even tegenzit op het werk, we samen in die tegenspoed zitten. Dan kom je niet thuis bij iemand die zegt: ach, het valt wel mee. Integendeel: dan zitten we allebei in de shit. Maar we hebben daar goed mee leren omgaan.”

Hebt u dan al voorstellingen gemaakt die echt mislukt zijn?

“Stukken die rommel zijn? Natuurlijk. Sommige voorstellingen ontsporen helemaal. En dat is dan mijn eigen schuld, natuurlijk. Ondertussen weet ik ook dat je het meeste leert uit de voorstellingen die wat minder waren. En veel voorstellingen die het publiek niet zo zag zitten, zijn voor mij heel belangrijk geweest. Kreten en gefluister, bijvoorbeeld, was niet de grootste publiekstrekker, maar ik zou dat stuk elke dag willen hernemen. Het is een voorstelling die me heel na aan het hart ligt. Succes bij het publiek verblindt mij niet. Niet alle grote successen zijn de allerbeste stukken.”

Toch bent u streng voor uzelf en voor uw medewerkers. Uw leus is: ‘Het is maar theater...’

“‘… maar het moet het allerbeste ter wereld zijn.’ Dat stukje komt er altijd achter. Maar het blijft maar toneel, natuurlijk. Een mislukte voorstelling, daar ga je niet aan dood.”

Toen Van Hove in 2001 Gerardjan Rijnders ­opvolgde als directeur van Toneelgroep ­Amsterdam, was dat een bewuste keuze. “Het is heel simpel: ik ben directeur geworden om een organisatie op poten te zetten die helemaal gericht is op het maken van het allerbeste toneel ter wereld. Daarom wilde ik ook verantwoordelijk zijn voor de financiële kant.”

Dat verliep aanvankelijk niet zonder tegen­slagen. De spelersgroep liep niet warm voor Van Hove. “Ik heb veel tegenslagen gehad, en veel tegenstand. Omdat ik blijkbaar weerstand oproep. Omdat mensen vaak niet willen wat ik wil. Dan ben ik wel een moeilijke klant. Dan houd ik mijn rug meestal goed recht.”

Hij bouwde een ensemble met topacteurs als Halina Reijn, Hans Kesting en Ramsey Nasr, produceerde eigenzinnige bewerkingen van klassiek tekstrepertoire en lokt volle zalen. Na succesvolle voorstellingen in Londen, New York en Parijs staan de internationale sterren in de rij om in een van zijn stukken te mogen spelen. Juliette Binoche (Antigone), Jude Law (Obsession) en Breaking Bad-acteur Bryan Cranston (Network) zijn maar enkele van de vele grote namen.

Waarom willen al die sterren zo graag met u werken?

“Dat is heel moeilijk uit te leggen, maar ik heb een gemakkelijke ingang bij dat soort mensen. Ze hebben voorstellingen van mij gezien en ze willen graag met mij praten. Waarschijnlijk voelen ze dat ik hun iets kan bieden wat hen beter maakt. En dat geldt voor mij natuurlijk ook. Werken met Bryan Cranston heeft mij beter gemaakt. Net zoals werken met Ramsey Nasr of Hans Kesting mij ook beter maakt.”

“Wat zulke mensen ook aantrekt, is dat ik ben wie ik ben, dat ik me geen pose aanmeet. Ik denk dat dat mijn geheim is. Dat, en dat ik altijd eerlijk mijn mening geef. Ik denk dat David Bowie dat bijvoorbeeld heel erg heeft gewaardeerd: mijn eerlijkheid, mijn oprechtheid.”

Bowie was uw idool.

“Voor mij was hij een godheid. Maar toen ik naar hem toe ging, heb ik me in het vliegtuig voorgenomen: ik ga gewoon mezelf proberen te zijn. Ik ga tegenover hem zitten zoals ik ook tegenover Halina Reijn zit, of zoals ik tegenover Jan zit. Leugenachtigheid, doen alsof, dat vind ik niet interessant. En iemand als David Bowie zou dat ook heel snel doorprikken.”

Toen u in Zomergasten naar de videoclip van Lazarus keek, kreeg u het moeilijk.

“Ik kon niet zonder Bowie in Zomergasten gaan zitten, dat zou al te gek zijn, maar ik had een heel heftig fragment gekozen. Op voorhand dacht ik: daarover kan ik iets moois vertellen, maar dat lukte toch niet goed. Heel raar was dat. De ontmoeting met David Bowie, dat was voor mij hors concours. Op artistiek vlak én op menselijk vlak.”

Vraagt u zich nooit af: wat valt er nog te bereiken, nu ik met David Bowie heb gewerkt?

“Zoals ik al zei: Lazarus was hors concours. Ik ga nieuwe projecten daar niet aan afmeten. Het was ook nooit mijn doel om met David Bowie te werken.” Lacht. “Als je een doel vooropstelt en je haalt het niet, word je een ongelukkige man. En een nare man.”

Ivo van Hove

- geboren op 28 ­oktober 1958 in Heist-op-den-Berg
- ­opgegroeid in Kwaadmechelen
- gevierd en veelvuldig onderscheiden opera- en ­toneelregisseur
- sinds 2001 directeur van Internationaal Theater Amsterdam (ITA), voorheen Toneelgroep Amsterdam
- vaste gastregisseur bij The New York Theatre Workshop
- begon in 1981 als theatermaker met eigen producties
- onder meer Juliette Binoche, Isabelle Huppert en Bryan Cranston speelden in zijn stukken
- was een van de laatsten die (in 2015) samenwerkten met David Bowie
- werkt onafscheidelijk samen met scenograaf Jan Versweyveld, zijn levenspartner

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden