Achter de schermen

Parool-columnist Marcel Levi: ‘De wetenschap is voor nuance, de column niet’

Sinds anderhalf jaar schrijft hoogleraar geneeskunde Marcel Levi wekelijks in Het Parool over alles wat hem opvalt. Zijn goed gelezen columns maken nogal wat los, blijkt uit de vele reacties die hij krijgt. ‘In een column moet je stelling nemen.’

‘Als ik echt een politieke carrière zou najagen, ging ik wel wat anders doen’ Beeld Marc Driessen
‘Als ik echt een politieke carrière zou najagen, ging ik wel wat anders doen’Beeld Marc Driessen

Als internist, hoogleraar geneeskunde aan de UvA en voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) is Marcel Levi’s agenda behoorlijk vol. Maar voor het schrijven van zijn wekelijkse column in Het Parool maakt hij graag tijd. “Dingen die ik leuk vind, vind ik nooit een belasting,” zegt hij ’s ochtends vroeg aan de telefoon, als zijn eerste meeting van de dag er alweer op zit. “Het is een hobby geworden.”

U verruilde uw baan als directeur van een Londense ziekenhuisgroep in april, midden in coronatijd, voor uw functies bij de UvA en de NWO. Voelde het schrijven toen ook als een hobby?

“Toen Engeland een coronabrandhaard was en het in Londen heel druk was, werd het schrijven bijna een vorm van ontspanning. Er gaat best wat tijd zitten in het denkwerk: waar wil ik het over hebben, wat wordt de invalshoek, wat gaat de conclusie zijn? Maar het schrijven zelf gaat heel snel, en daarna is het een kwestie van schaven. Ik lees een column zeker nog twee keer door om ‘m beter of korter te maken, of toch andere woorden te gebruiken, die meer tot uitdrukking brengen wat ik wil zeggen.”

Had u al ervaring met columns schrijven?

“Ik schrijf al ruim vijf jaar een maandelijkse column voor Medisch Contact, een populair blad voor dokters. Daar kreeg en krijg ik veel reacties op. Daarom dacht ik: misschien is het leuk dit ook eens voor een niet-medisch publiek te doen. Ik heb de stoute schoenen aangetrokken en de toenmalig hoofdredacteur van Het Parool benaderd. Dit is echt mijn krant: toen ik een klein jongetje was hadden we hem thuis al en ik lees ’m nog steeds elke dag. Ik had geen idee wat de hoofdredacteur ervan zou vinden, maar hij zag het wel zitten.”

Wanneer vindt u de tijd om te schrijven?

“Meestal schrijf ik in het weekend, of ’s ochtends vroeg. Thuis, aan de eettafel of achter mijn bureautje. Maar ik merk dat het ook heel goed gaat in Italië – daar heb ik een huisje, waar ik graag naartoe ga. Je moet ruimte in je hoofd hebben om iets goed op te schrijven, denk ik.”

Weet u van tevoren welke onderwerpen zullen aanslaan?

“Dat is lastig te zeggen. Soms schrijf ik een column en denk ik: die is raak. Daarop komen dan een paar leuke reacties, niets excessiefs. En soms schrijf ik iets wat aardig, maar niet wereldschokkend is en wordt daar 250.000 keer over getwitterd. Ik schrijf in elk geval over wat ik zie. In het begin dacht ik: oh jee, ik moet elke week wat verzinnen, maar dat is supermakkelijk. Valt me iets op als ik door de stad of op mijn werk loop, dan duik ik in dat onderwerp en schrijf ik erover. Al laat ik me wel een beetje leiden door feedback. In lockdowntijd merkte ik dat mensen behoefte hadden aan een optimistischer geluid dan wat je de hele dag op televisie zag. Toen ben ik columns over corona nog meer gaan afwisselen met bijvoorbeeld lifestyle en andere niet-medische onderwerpen. Het kan alle kanten opgaan.”

Collectieve boosheid op de Belastingdienst, de gezondheidszorg, het vaccinatiebeleid: u heeft overal een mening over.

“Ik ben gewoon een burger die met open ogen door de samenleving loopt, af en toe een verbandje probeert te leggen en schrijft wat-ie daarvan vindt. En ja, die mening staat er vrij duidelijk; ik wind er geen doekjes om. Zo ben ik nou eenmaal, dus zo schrijf ik ook. Natuurlijk, ik ben wetenschapper en wetenschap bestaat uit nuance, zoeken naar zekerheid en onzekerheid. Maar daar is een column niet voor. Volgens mij is het veel leuker om stelling te nemen en daar reacties op te krijgen. Die krijg ik veel. Ook weleens een negatieve en dat vind ik helemaal niet erg. Het gaat me erom iets los te maken.”

Reageert u op al die reacties?

“Daarvoor zijn het er eigenlijk te veel, maar ik probeer het wel. Zeker als het een inhoudelijke reactie is. Als iemand zegt: volgens mij heb je dat over het hoofd gezien, of: ik heb nog een ander argument. Dan stuur ik terug: je hebt een punt, of: bedankt voor de info, dat wist ik niet. Meestal kan ik een standpunt wel verdedigen, omdat ik erover heb nagedacht, maar ik kan het ook weleens mis hebben. Da’s dan weer een leerpuntje. Op tweets reageer ik niet, dat is gewoon too much.”

Aan welke onderwerpen zou u zich nooit wagen?

“Een column is geen plek om reclame te maken voor jezelf, dus ik zou nooit schrijven: ik heb dit en dat tien jaar geleden al gepubliceerd. En ik probeer niet op de persoon te spelen, al sneuvelt heel af en toe weleens een minister.”

Hugo de Jonge, bijvoorbeeld.

“Precies. Dan ben ik zo verontwaardigd, dat ik denk: hier kan ik niet omheen. En hij is ook wel een publiek figuur. Maar voor de rest probeer ik echt weg te blijven van persoonlijke aanvallen. Die vind ik onprettig en niet kunnen.”

U pleit in uw columns soms voor politieke oplossingen, zoals een gerichte informatiecampagne voor ‘allochtone landgenoten’ omdat de vaccinaties bij die groep achterbleven. Ziet u een column als een manier om de politiek te activeren?

“Nou ja, een beetje. Dat is het gereformeerde in mij, dat ik denk: als je overal commentaar op hebt, moet je ook eens een suggestie doen hoe het beter kan. En over sommige onderwerpen denk ik: hier zou meer aandacht voor moeten zijn.”

Is dat meedenken over oplossingen een manier om voor te sorteren op politieke ambities die u weleens heeft uitgesproken?

“Ach welnee. Weet je, ik heb helemaal niet van die uitgesproken ambities. Dat is een eigen leven gaan leiden. Mensen vonden misschien dat het niet helemaal lekker liep in Nederland met het coronabeleid, hadden mij misschien iets horen zeggen waarvan ze dachten: dat spreekt me wel aan, en twitterden: kan hij geen minister worden? Daarop werd mij overal gevraagd of ik dat zou willen. Steeds antwoordde ik: dat is helemaal niet aan de orde. Tot ik een keer dacht: eigenlijk is dit een vaag politiek antwoord. Toen heb ik dus eerlijk gezegd: als ik ervoor gevraagd zou worden – en die kans is kleiner dan 1 procent – dan ga ik daar serieus over nadenken, en misschien zeg ik wel ja. Maar als ik echt een politieke carrière zou najagen, ging ik wel wat anders doen, partijvergaderingen bijwonen bijvoorbeeld. Ik heb heel leuk werk en ben daar ook heel druk mee.”

Wat is u het meest bijgebleven van de drukte van de coronatijd?

“We hebben het steeds over ‘de pandemie’, maar die heeft verschillende fasen gekend. Die eerste fase was griezelig, omdat we nog niet veel over het coronavirus wisten en er veel onzekerheid was, ook in het ziekenhuis: hebben we wel genoeg materialen om onszelf te beschermen, waar gaat dit naartoe? Ik heb toen wel gedacht: dit kan een totale ramp worden voor iedereen – ook voor mijzelf en mijn familie. Die fase ging redelijk vlot over, omdat we hard aan het werk gingen. We konden er IC-bedden bij maken, we vonden toch voldoende mondkapjes en handschoenen. De onzekerheid maakte plaats voor saamhorigheid: mensen leverden samen op heel nieuwe, originele manieren waanzinnige prestaties. Dat sprak me erg aan. Na een heel korte periode van rust brak vervolgens een fase aan die werd gekenmerkt door vermoeidheid. Fysieke, maar ook psychologische vermoeidheid. Mensen hadden genoeg van alle ellende die op hen afkwam, wilden weer eens wat leuks doen, hadden lang de zorg voor zichzelf én voor hun naasten gehad. Iedereen heeft ze anders beleefd, maar ik heb over al die fasen geprobeerd te schrijven. Misschien dat mensen zich daarin herkenden.”

Waar schrijft u komende zaterdag over?

“Over kleurcodes. Daar werd ik door getriggerd toen iedereen het erover had dat Nederland donkerrood was gekleurd, terwijl in Zuid-Limburg de rivieren overstroomden en daar code oranje gold. Als ik door zoiets plotseling geïntrigeerd raak, wil ik erover schrijven.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden