PlusPortretten

Opgegroeid in wijk x of wijk y? Daar hoort een salaris bij

Wie opgroeit in een arm gezin, kan beter in Zuid dan Noord wonen. Het latere inkomen hangt namelijk sterk samen met de wijk waarin iemand is opgegroeid, blijkt uit onderzoek. Vier docenten vertellen.

De Van der Pekbuurt. De verschillen in kansen binnen Amsterdam zijn groot.Beeld Jean-Pierre Jans

Stel, je woont als tiener in de jaren negentig in de Van der Pekbuurt in Amsterdam-Noord. Je komt uit een relatief arm gezin, 75 procent van de Nederlandse gezinnen heeft een hoger jaarinkomen. Door de hele stad wonen kinderen zoals jij, uit even arme gezinnen. Toch zijn je even arme leeftijdsgenoten uit de Apollobuurt later beter af.

De verschillen binnen Amsterdam zijn groot: die tiener uit de Van der Pekbuurt verdient (uitkeringen meegerekend) als hij eenmaal volwassen is gemiddeld 17.300 euro bruto per jaar. Voor zijn leeftijdsgenoot die in een éven arm gezin opgroeide in de Apollobuurt is dat gemiddeld 25.500 euro: bijna vijftig procent meer.

“Dat het eigen inkomen sterk samenhangt met het inkomen van de ouders wisten we al,” zegt Bastian Ravesteijn. Hij leidt voor de Erasmus School of Economics een groot onderzoek naar kansongelijkheid in Nederland. Het team van Ravesteijn vergeleek de inkomens van ruim een miljoen Nederlanders die tussen 1982 en 1987 geboren zijn: de huidige dertigers dus.

Ravesteijn: “Als je uit een arm gezin komt, is de kans relatief klein dat je zelf later rijk wordt. Maar wat nu ook blijkt, is dat het ook uitmaakt in wélke wijk je arm opgroeit.”

Opwaarts in Duivendrecht

Ook binnen een stadsdeel lopen de kansen sterk uiteen. Getogen in de Staatsliedenbuurt? Dan verdien je gemiddeld 17.700 euro bruto per jaar. Een paar straten verderop, in Bos en Lommer, is dat ineens 22.800 euro; zo’n 29 procent meer dan de buren uit de Staatsliedenbuurt.

Opvallend: de klim op de economische ladder is in de regio Amsterdam het grootst in Duivendrecht; daar verdienen dertigers uit arme gezinnen nu gemiddeld bijna 28.000 euro per jaar.

Naast het inkomen van de ouders spelen ook zaken als migratieachtergrond, opleidingsniveau van de ouders en geslacht een rol.

“Zo zien we dat dertigers met een niet-westerse migratieachtergrond een lager inkomen hebben dan dertigers zonder een migratieachtergrond, waar in de stad ze ook wonen,” zegt Ravesteijn. “Maar ook hier zien we op buurtniveau verschillen: zo doen dertigers met een Marokkaanse achtergrond uit Slotermeer of de Stadionpleinbuurt het qua inkomen beter dan hun leeftijdsgenoten uit de Banne of de Indische Buurt.”

Omdat wijken voortdurend aan verandering onderhevig zijn, kan het best zijn dat jongeren die nu in, bijvoorbeeld, Slotervaart opgroeien, beter af zijn dan hun wijkgenoten van rond de dertig uit het onderzoek.

Zien hoe het zit met inkomensverschillen in uw wijk? Dat kan op kansenkaart.nl 

Mohammed Jâouna: ‘Ik probeer te zijn wie ik zelf vroeger miste.’Beeld Ernst Coppejans

Mohammed Jâouna (39), freelance docent sociaal werk op de HvA en sociaal ondernemer

“Ik groeide als gekleurd Marokkaans jongetje op in een witte elitewijk in Amstelveen, we woonden met zijn negenen in een eengezinswoning en hadden het niet breed. Al mijn vriendjes in de buurt hadden boeken thuis, een fiets en een computer. En het belangrijkste: hun ouders hielpen ze met hun huiswerk. Ik moest in mijn eentje naar de bieb om mijn spreekbeurt voor te bereiden.

Mijn ouders deden hun best, maar Nederlands was niet hun eerste taal, en ze kenden het Nederlandse schoolsysteem niet. Een docent zegt makkelijk: vraag maar even aan je vader of moeder; ik weet hoe zwaar het is als je jong bent en heel veel alleen moet doen.

Ik ben geen traditionele leraar, onderwijs is voor mij veel meer dan kennis in je hoofd stampen voor het examen. Ik ben een relatief jonge docent met een kleurtje, daardoor ben je automatisch een rolmodel. Voor mijn leerlingen probeer ik degene te zijn die ze nodig hebben naast een leraar: een vaderfiguur, een coach, een voorbeeld.

In de pauze ben ik veel in de kantine om te kletsen, om te horen wat er speelt in hun leefwereld. Soms kies ik ervoor om een les eerder af te sluiten zodat ik een gesprekje kan hebben met een student bij wie ik zie dat het nodig is. Of we drinken na school een kop thee.

Zaken als netwerken, mondiaal burgerschap en persoonlijk leiderschap vergroten de kans op persoonlijk geluk en succes, ook naast school. Mijn droom is om een school te stichten waar meer ruimte is voor deze vorm van persoonlijke ontwikkeling.

Ik bouw graag bruggen en beweeg me zowel in witte als gekleurde bubbels, allebei de kanten moeten meer open staan voor de ander. Maar wel op gelijkwaardige basis: de kinderen uit Nieuw-West zijn in potentie net zo succesvol als die uit Zuid.”

Lieke Koningen: ‘Kleine succesjes geven het vertrouwen om door te gaan’Beeld Ernst Coppejans

Lieke Koningen (40), coach en projectleider diversiteit en inclusie op MBO College Zuidoost

“In mijn entree-klassen zitten veel studenten die te laag worden ingeschat. Het zijn soms de stoerste jongens of meiden, die het gedrag dat ze op straat hebben geleerd mee de klas in nemen. Een docent weet niet altijd hoe hij met zo’n drukke student moet omgaan, de ouders zijn niet zo taalvaardig en begrijpen soms niet wat er aan de hand is.

Zo’n student krijgt een te laag schooladvies en zit zich vervolgens rot te vervelen op school, waardoor het vaak nóg slechter gaat. Voor je het weet krijgen ze een negatief stempel. Terwijl ze vaak hartstikke slim zijn, en daar moet je als docent op inspelen. Geef ze een rol in de klas, help ze zoeken naar hun professionele interesse.

Als het lukt om kleine succesjes te boeken kan iemand het vertrouwen krijgen om weer door te gaan. Een van mijn studenten loopt nu stage bij Pakhuis de Zwijger, die krijgt heel veel verantwoordelijkheid, leert nieuwe vaardigheden en merkt dat ze veel meer kan dan ze zelf dacht.

Ik ben sinds een paar jaar projectleider diversiteit en inclusie. We adviseren de bedrijven waar onze studenten stage lopen, maar kijken ook naar onszelf: zijn wij als docenten wel benaderbaar voor een student die wil praten over discriminatie?

Vanuit het ROC van Amsterdam zijn we met een project begonnen om stagediscriminatie aan te kaarten. Te vaak horen onze studenten: ‘Wat spreek jij goed Nederlands zeg,’ terwijl ze hier geboren en getogen zijn. Of een grapje over hun afkomst als ze een keer te laat zijn.

Terwijl je als stagebedrijf ook kunt vragen hoe het komt dat iemand te laat is. Dan kom je er misschien achter dat een student thuis voor zijn oma zorgt, of zelf een jong kind heeft. En dan vragen: wat heb jij nodig om hier stage te kunnen lopen? Dan kom je samen veel verder en zorg je dat een student een positieve eerste ervaring op de arbeidsmarkt heeft.”

Eelko Kruse: ‘Gemengde scholen zijn het beste, daar leer je normaal met elkaar samenleven.’Beeld Ernst Coppejans

Eelko Kruse (43), was 18 jaar wiskundedocent op het Comenius Lyceum

Iedereen die iets wil bereiken, komt er uiteindelijk wel. Dat denk ik echt. Voor sommige kinderen is de weg naar succes alleen een stuk zwaarder dan voor anderen. Er komen regelmatig alumni terug naar school om te vertellen over hun ervaringen. Soms mooi, maar ook moeilijk: ze vertellen dat ze er moeilijk tussen komen omdat ze een Marokkaanse naam hebben. Sommige leerlingen krijgen daar juist een extra drive van, om te laten zien dat ze het wél kunnen. 

Het Comenius Lyceum is altijd een buurtschool geweest, een afspiegeling van de samenleving in Nieuw-West. Rond 2000 waren we nog een vrij gemengde school, maar in de loop van de jaren vertrokken steeds meer witte gezinnen uit de wijk en dus van school. We hebben lang geprobeerd die vermenging toch vast te houden, maar toen dat niet lukte, zeiden we: laten we dan proberen de beste ‘zwarte’ school van Amsterdam te zijn. 

Uiteindelijk zijn gemengde scholen het beste, daar leer je normaal met elkaar samenleven. Daarom hebben we een uitwisselingsproject met het Hyperion Lyceum. Derdeklassers trekken dan een week met elkaar op. Ze gaan samen naar de synagoge of het COC; plekken waar ze anders misschien niet zo snel komen.

Een paar jaar geleden zijn we met het ‘econasium’ begonnen. Dat is gericht op duurzaamheid en bedoeld om onze leerlingen een eerlijke kans op de arbeidsmarkt te geven, een extra zetje. Als je al een taalachterstand hebt kan zoiets extra’s best lastig zijn, maar het is ook een stimulans voor de leerlingen die écht graag willen. Die zien: ik kan een bijzonder traject doen. 

Ze werken bijvoorbeeld aan een duurzame modelijn of denken in de buurt mee over de inrichting van een nieuw park. Daar houden ze dan weer contacten aan over die later weer nuttig kunnen zijn.”

Sita Remesar: ‘Leerlingen kiezen een beeld dat vertrouwd is.’Beeld Ernst Coppejans

Sita Remesar (54), conrector Vossius Gymnasium

Op de lagere school wilde ik graag naar de huishoudschool. Dat zag er zo leuk uit, lekker met je handen bezig zijn. Maar mijn moeder zei: niks daarvan, jij gaat naar het vwo. Zo zie je: ouders hebben zo veel invloed op de schoolkeuze van hun kinderen.

Op het Vossius Gymnasium hebben we vooral kinderen met hoogopgeleide ouders, met een Nederlandse achtergrond. Die weten de weg naar de school goed te vinden. Maar kinderen met een vwo-advies uit een lagere sociaal-economische klasse krijgen we veel minder binnen.

Hoe dat komt, daar kan ik zelf ook moeilijk de vinger op leggen. Ik kan me voorstellen dat de drempel voor ouders hoger is als je er zelf geen ervaring mee hebt. Ik hoor ook weleens dat mensen denken dat een school als het Vossius heel duur is, blijkbaar toch een hardnekkig misverstand.

Ik ben al elf jaar bezig om het Vossius diverser te maken, maar het gaat langzaam. We moeten zorgen dat we zichtbaar zijn, we gaan bijvoorbeeld naar basisscholen in Abcoude toe om kennis te maken. We hebben ook weleens op een scholenmarkt in de Arena gestaan, daar spreek je ook weer meer verschillende soorten mensen. En we nodigen basisschoolleraren uit: kom eens een keer een kijkje nemen.

Het heeft voor leerlingen denk ik ook met herkenbaarheid te maken: je wilt naar een school waar leerlingen zitten zoals jij, waar mensen zitten die je herkent. Elke school heeft zijn eigen cultuur en codes, leerlingen kiezen voor een beeld dat vertrouwd is. Dat geldt voor kinderen uit Nieuw-West, maar ook voor die uit Centrum.”

Hoe verbeter je het onderwijs?

Hoe kan het onderwijs kansen voor alle leerlingen vergroten? Die vraag stelden programmamakers Julia von Graevenitz en Menno Visser aan ruim dertig leraren. Hun project Urban Onderwijs leverde een boek, talkshow en documentaire op waarin docenten vertellen hoe zij het onderwijs zouden willen verbeteren. De talkshow trapte vrijdag af onder leiding van schrijver Abdelkader Benali, en is terug te zien via urbanonderwijs.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden