Plus Serie: Vogelen

Op ontdekkingsreis naar de 300 vogelsoorten die de stad rijk is

In één jaar zag vogelaar Arjan Dwarshuis op vijf continenten maar liefst 6852 vogelsoorten. Deze zomer speurt hij Amsterdamse parken, bossen en achtertuinen af.

Beeld Ted Struwer

Met gevaar voor eigen leven sta ik, met één voet op een krakkemikkige houten tafel en de andere op smalle ijzeren reling, op een dakterras in West, terwijl mijn nek in snel tempo rood kleurt. De smalle strook huid onder de draagband van mijn verrekijker zal hier straks spierwit tegen ­afsteken; de tijdelijke tatoeage waaraan je een vogelaar in de zomermaanden onmiddellijk kunt herkennen.

Vanaf dit uitzichtpunt volg ik met mijn verrekijker een kleine zwarte vogel, die op duizelingwekkende hoogte boven de stad cirkelt. Zijn onmiskenbare sikkelvormige silhouet, met torpedovormig lichaam en diepgevorkte staart, steekt scherp af tegen de blauwe hemel. Het is een gierzwaluw, de ultieme stadsvogel.

Elk najaar migreert deze door miljoenen jaren evolutie geperfectioneerde vliegmachine via West-Afrika, dwars door het Congobekken, naar Mozambique, om eind mei terug te keren in Nederland: een tocht van bijna 20.000 kilometer. Dat is een onvoorstelbare prestatie, zeker als je bedenkt dat deze vogel slechts 38 gram weegt – evenveel als zeven suikerklontjes. En in al die tijd komt hij niet één keer aan de grond: hij eet, drinkt, sekst en slaapt in de lucht. Dit laatste doet hij door tot meer dan drie kilometer hoogte te vliegen, waarna hij langzaam naar beneden zweeft, terwijl hij de ene hersenhelft laat rusten en de andere gebruikt om een oogje in het zeil te houden.

Tien maanden in de lucht

De gierzwaluw krijgt gezelschap van een dozijn soortgenoten. Het groepje wordt compacter, terwijl de vogels in steeds hoger tempo in een onzichtbare thermiekbel achter elkaar aan cirkelen. Plotseling vouwen ze hun vleugels langs hun lichaam en storten zich met meer dan 100 kilometer per uur naar beneden. Ik zie steeds meer details: hun hagelwitte keel, hun brede, kikkervormige bek waarmee ze moeiteloos duizenden muggen per dag uit de lucht vangen, en hun grote, donkere ogen, die diep in hun schedel liggen om hun aerodynamica zo min mogelijk te verstoren.

Vlak boven de daken buigen ze scherp af en met een grote boog zigzaggen ze pijlsnel tussen schoorstenen, antennes, rokende barbecues en nietsvermoedende Amsterdammers door. Ik heb mijn positie niet voor niets zo uitgekozen: enkele seconden later scheren ze met gierend geschreeuw rakelings langs mijn hoofd; de verkoelende wind van hun vleugelslagen voel ik op mijn gezicht.

Eén gierzwaluw maakt zich los van de groep, duikt naar beneden en verdwijnt onder een loszittende dakpan. Meteen daarna klinkt het geluid van bedelende kuikens: ik besef dat ik me al die tijd, zonder het door te hebben, op nog geen twee meter van een nest bevond. 

Over een paar weken zullen daar twee jongen tevoorschijn kruipen. Ze zullen dan intensief hun vliegspieren moeten trainen voor de lange reis die komen gaat, want vanaf het moment dat ze hun vleugels definitief openslaan en de duik in het diepe nemen, zijn ze op zichzelf aangewezen. De eerste tien maanden van hun leven komen ze niet één keer aan de grond. Ze vliegen vele tienduizenden kilometers dwars door Europa en Afrika, om uiteindelijk een partner voor het leven te vinden, waarmee ze een nestje zullen bouwen onder een Amsterdamse dakpan of dakgoot.

De kerkspitsen, flatgebouwen en eeuwenoude grachtenpanden van Amsterdam vormen een antropogeen ­gebergte, waar verschillende ­vogelsoorten, net als de gierzwaluw, dankbaar gebruik van maken. 

De bekendste en tegelijkertijd meest gehate van allemaal is de stadsduif. Terwijl één op de acht vogelsoorten door toedoen van de mens met uitsterven wordt ­bedreigd, slaagt deze opportunist er juist in om in onze nabijheid te floreren. Ze poepen onze auto’s en balkons onder en als we een patatje eten, strompelen ze met hun tot stompjes gereduceerde klauwtjes als schurftige piraten om ons heen, geduldig wachtend op hun kans. Hier zijn we zelf verantwoordelijk voor: wij hebben immers ooit hun voorouder, de rotsduif, gedomesticeerd en tot postkoerier gemaakt. Nu ­maken hun nazaten ons het leven zuur.

Gelukkig voor ons hebben de Amsterdamse duiven een geduchte vijand: de slechtvalk, de snelste vogel ter wereld. Net als zijn favoriete prooi heeft deze roofvogel, met vlijmscherpe klauwen en gehaakte snavel, de stadsjungle tot zijn thuis gemaakt. Inmiddels broeden er meer dan vijf paartjes op de hoge gebouwen langs de Ring A10, waaronder het beroemde slecht­valkenpaar op het hoofdkantoor van ABN Amro aan de Zuidas. Dat paar was een aantal jaren live te volgen via de webcams van Beleef de Lente.

Dagelijks patrouilleren ze in het luchtruim boven de stad en als ze met hun uitzonderlijke gezichtsvermogen een prooi in het vizier krijgen, voeren ze met dodelijke precisie een stootduik uit met meer dan 300 kilometer per uur. Een vette stadsduif, met een maag vol patat met mayo, heeft dan geen schijn van kans.

Meer dan genoeg voedsel

Recentelijk hebben ook scholeksters, visdiefjes en zilvermeeuwen Amsterdam ontdekt. De platte, met kiezelsteentjes bedekte daken van nieuwbouwwoningen en kantoorpanden vormen een perfecte surrogaatbiotoop voor de uitgestrekte duinen en kwelders waar deze vogelsoorten zich van origine thuis voelen. Daar worden hun nesten leeggeroofd door de vos, hier zijn ze veilig voor deze listige eierdief. En in tegenstelling tot die overbeviste Noordzee is er in de stad meer dan genoeg voedsel te vinden voor hun hongerige kuikens: kort gemaaide grasvelden met sappige wormen, het visrijke IJ op een steenworp afstand en overal uitpuilende vuilniszakken, die alleen maar hoeven worden opengetrokken. Geef ze eens ongelijk.

Sommige mensen ergeren zich aan de luidruchtige en brutale meeuwen, maar ik vind ze geweldig: het is bewonderenswaardig dat deze vogels zich hebben weten aan te passen aan dit overbevolkte stukje Nederland.

Ornithologische ontdekkingsreis

Officieel is vastgesteld dat er ruim driehonderd vogelsoorten leven binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam. IJsvogels flitsen als felblauwe bliksemschichten over de slootjes van het Amsterdamse Bos, bosuilen jagen ’s nachts op ratten in onze achtertuinen en stadsparken, onze nationale vogel, de grutto, baltst boven de natte graslanden van Waterland en als je geluk hebt, kun je op een windstille voorjaarsavond de misthoornachtige zang van de roerdomp horen in het Schinkelbos.

De komende weken ga ik op ornithologische ontdekkingsreis door de wondere natuur die deze stad rijk is – van de velden en vijvers van het Vondelpark tot de uitgestrekte ruigte van het Westelijk Havengebied en het ondoordringbare rietmoeras van Polder IJdoorn.

Arjan Dwarshuis (1986) schreef het boek ‘Een ­bevlogen jaar’ over de bijna 7000 vogelsoorten die hij in 2016 heeft gespot. Daarmee verbrak hij het ­wereldrecord vogels kijken. Beeld Friso Boven

Zomerserie

Arjan Dwarshuis heeft in veertig landen bijna 7000 vogelsoorten ­gespot. In deze ­zomerserie richt hij zijn verrekijker op de vogels in Amsterdam. Volgende week: het Vondelpark.

1. De stad
2. Vondelpark
3. Schinkelbos
4. Westelijk ­Havengebied
5. Amsterdamse Bos
6. Polder IJdoorn en Kinseldam
7. Waterland

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden