PlusInterview

Nieuwe commandant van de Amsterdamse brandweer: ‘Corrigéér elkaar dan’

Tijs van Lieshout: ‘We hebben afgesproken dat het afgelopen is met de ondergrondse guerrilla.’Beeld Frank Ruiter

Tijs van Lieshout (56) heeft zijn eerste honderd dagen achter de rug als de nieuwe commandant van de brandweer Amsterdam-Amstelland. ‘Ik kan hier toch niet binnenkomen met de mededeling dat er duizend klootzakken rondlopen?’

De nieuwe commandant van de Amsterdamse brandweer, Tijs van Lieshout, heeft zijn eerste succesje binnen. Vorige week meldden ‘de anoniemen’ zich schoorvoetend op zijn kantoor: een groep van ongeveer vijftien (oud-)brandweermannen die de leiding van het korps jarenlang bestookten met schrijfsels over vermeende misstanden en het onrecht dat hun zou worden aangedaan.

“Best dapper van ze,” zegt Van Lieshout ­tevreden. “We hebben afgesproken dat het afgelopen is met de ondergrondse guerrilla.”

Hebben ze zichzelf gemeld?

“Dat gaat via tussenpersonen. Die zeggen: er komen signalen uit het korps, sta je daarvoor open? Nou werk ik naar goed Zuid-Afrikaans model: eerst de waarheid, dan de verzoening.”

Uw voorganger heeft twee keer aangifte gedaan van doodsbedreigingen uit het korps.

“Ze beweren met de hand op hun hart dat dat niet van hen komt. Ik geloof ze, want ze hebben er niets bij te winnen. Op straat worden ze aangesproken: hé, wanneer gaan jullie nou iets leren? Daar hebben ze veel last van.”

Van Lieshout is door burgemeester Femke Halsema aangesteld om bij de brandweer Amsterdam-Amstelland de rotzooi op te ruimen, nadat zijn voorganger Leen Schaap volkomen stuk was gelopen op het seksisme, het racisme en de criminaliteit in het korps. In de loopgraven­oorlog tussen leiding en uitrukdienst was het de commandant die uiteindelijk het loodje legde.

Dinsdag presenteerde de nieuwe man zijn voornemens: over tien jaar 100.000 vrijwillige hulpverleners erbij in de stad – zoals burgers die de brandweer tippen – en een emissievrije brandweer. De eerste elektrische tankauto is al besteld. Als het aan hem ligt, gaan brandweerlieden straks ook op de ambulance rijden of gaan ze, als ze geen brand blussen, als toezichthouder de straat op.

In zijn stoutste dromen fantaseert hij over de bouw van een glazen brandweerkazerne op het Museumplein.

Van Lieshout werd geboren in Dongen in een ‘licht praktiserend’ katholiek gezin. Brabantse gemoedelijkheid: kerken en carnavalsverenigingen. Als kind wilde hij geen brandweerman, maar soldaat worden. Een beetje dwarsig: terwijl zijn halve familie demonstreerde tegen kernwapens, meldde hij zich in 1982 bij de militaire academie. Voor volk en vaderland.

Hij diende in Duitsland en Bosnië, voerde als luitenant-kolonel eenheden tot 800 man aan. “Het grootste cadeau dat ik heb meegenomen uit de landmacht, is gevoel voor leiderschap,” zegt hij. “Bij defensie leer je schakelen. De ene dag doe je met een zwart geschminkt gezicht met de mannen mee aan een grote oefening, de volgende dag zit je met de minister aan tafel bij de ambassadeur van Afghanistan.”

Na 22 jaar verliet Van Lieshout het leger om thuis, nabij het Gelderse Tiel, te kunnen zorgen voor zijn zwaar autistische zoon. Een gehandicapt kind en missies van zes tot negen maanden in het buitenland waren niet meer te combineren. “Ik dacht: de brandweer, dat is ook leuk operationeel.”

Heeft u weleens een brandje geblust?

“Jazeker!”

Vindt u dat belangrijk?

“Ik ben bepaald niet de beste brandweerman, want mijn praktijkervaring is nagenoeg nihil. Maar ik kan er heel goed over meelullen. Ik snap wat er door het hoofd gaat van de bevelvoerder in de minuten dat hij naar een incident rijdt. Ik weet wat de organisatie beweegt.”

Is het een moeilijk vak?

“Het is vooral emotioneel belastend. De ellende die je ziet, de zelfmoorden waar je als eerste bij bent, de mislukte reanimaties van baby’s en kinderen, terwijl de wanhopige ouders ernaast staan. Laatst had ik iemand die in dertig jaar meer dan 750 dode mensen heeft gezien. Dat is veel. Dat zijn allemaal druppeltjes in je emmer. Het vreet aan je. Hoe voorkom je dat je vrouw elke avond gek wordt van die verhalen?”

Wat trof u aan bij de Amsterdamse brandweer?

“Veel frustratie en veel boosheid over de afgelopen jaren, maar ook een geweldig verlangen om met elkaar uit de strijd te komen. Leiding en korps hebben met de rug naar elkaar toe geleefd. Ik zie veel motivatie, maar het moet wel weer ontluiken.”

Na drie weken lag er bij u thuis een anonieme dreigbrief: ‘Ben je soms ook autistisch?’

“Ik geloofde het niet. Ik dacht: is dit een grap?”

Het was intimidatie: we zullen de nieuwe man even op zijn plek wijzen.

“Nou, dat is dan mislukt. Het raakte me wel, vooral omdat het op mijn gezin was gericht. Maar het maakt me sterker in mijn koers: geen podium voor slecht gedrag. Ik ben er heilig van overtuigd dat nagenoeg het hele korps walgt van dit soort dingen, maar ik denk wel: als jullie van elkaar weten uit welke hoek dit komt, corrigéér elkaar dan. Zorg dat het niet weer gebeurt.”

Dat is niet de ervaring van de laatste jaren.

“De tachtig bevelvoerders hebben op intranet een steunbetuiging geschreven: wij staan achter het nieuwe beleid en nemen fors afstand van dit geëikel. Maar ik realiseer me dat we nog een hele weg te gaan hebben.”

Wat voor opdracht heeft u meegekregen?

“Verdergaan waar mijn voorganger was gebleven: het normaliseren van gedrag. Het tegengaan van pesterijen en discriminatie en het moderniseren en flexibiliseren van de organisatie. Maar dan wel in gezamenlijkheid. Het vertrouwen van het korps in de leiding en het vertrouwen van de leiding in het korps moet hersteld.”

De kritiek op uw voorganger was dat hij er te veel met gestrekt been in ging.

“Ik heb ook een hard gestrekt been.”

Daarvan is nog weinig gebleken.

“Om een organisatie verder te krijgen, heb je ook een wortel nodig. Als je hier twintig jaar branden blust en nooit een compliment over je werk krijgt, haak je af. Mijn ervaring in leiderschap is dat het gedrag dat je beloont sterker wordt en het gedrag dat je negeert, minder wordt.”

U heeft uw eerste ernstige incident al achter de rug: een brandweerman die foto’s maakte van een stervende jongen tijdens een reanimatie – en die foto’s ook nog eens verspreidde.

“Ik heb daar proportioneel gestraft.”

Een berisping.

“Het kwam van een relatief jonge brandweerman, die toegaf dat het niet handig was. Het ging om een auto die de kazerne binnen was gereden, in een ruimte waar vlak daarvoor nog werd vergaderd. Er was stress, ze liepen ongeprepareerd en onvoorbereid rond. Hij heeft een foto gemaakt en dat mocht niet. Dat is stom, maar geen reden om je meteen af te knallen. Hij heeft zijn fout toegegeven en wil het goedmaken. In de afgelopen jaren is hier aan de lopende band strafontslag opgelegd. Al die zaken zijn bij de rechter gesneuveld.”

De mannen denken nu: lekker doorgaan waar we zijn gebleven.

“Dat moeten ze dan maar proberen. Ik kan toch niet binnenkomen met de mededeling dat hier duizend klootzakken rondlopen? Dat is toch geen houding waarmee ik verder kom?”

Hebt u al kennis gemaakt met de onder­nemingsraad?

“Het was minder erg dan ik had gevreesd.”

Wat had u dan gevreesd?

“Één massief blok: téguh.”

Uw voorganger sprak over de ‘maffia van de medezeggenschap. De Ombudsman zei daarover: niet handig, maar wel degelijk gebaseerd op een veelheid aan feiten en verhoudingen.

“Dat geven ze inmiddels zelf ook toe. Ze hebben daar een heel heldere brief over geschreven, die ik heb doorgestuurd naar het bestuur. Het goede nieuws is: voor de nieuwe ondernemingsraad hebben zich 35 medewerkers kandidaat gesteld, onder wie heel veel nieuwe mensen.”

Steen des aanstoots was de afschaffing van de 24 uursdienst, waarbij brandweerlieden op de kazerne blijven eten en slapen.

“Dit is de vijfde brandweerorganisatie die ik aanvoer en overal was er een 24 uursdienst. Waarom zou dat zijn? Het is een efficiënte en relatief goedkope manier om altijd paraat te zijn. Voor mij is de steen des aanstoots het gedrag van mensen die op de kazerne hun eigen bedrijfjes inrichtten en met materieel van de brandweer auto’s stonden te repareren. Dat heeft mijn voorganger terecht hard aangepakt.”

Burgemeester Halsema schreef: de huidige 24 uursdienst zal eerder uitzondering dan regel worden.

“We gaan er gewoon goed naar kijken.”

Ik hoor u anders zeggen: dat gaan we gewoon niet doen.

“De vraag moet zijn: wat is het probleem met de 24 uursdienst? Dat is er niet. Er is elders helemaal geen discussie over.”

Welk deel van die 24 uur besteedt de brandweer aan blussen?

“Dat vind ik een irrelevante vraag.”

Omdat het maar 3 procent is?

“Omdat blussen niet het product van de brandweer is. Het product van de brandweer is paraatheid. Wat gaan we doen? De stad in brand steken zodat er meer werk is? Of zeggen we: de brandweer komt niet na zes minuten, maar na twaalf? Maar goed, ik snap de vraag wel: wat doet die brandweer eigenlijk als ze de hele dag op de kazerne zitten? Die vraag stel ik ook. Ik stel me zo voor dat in de toekomst brandweerlieden ook worden ingezet op de ambulance of als BOA op straat. Dat zal ook niet iedereen me in dank afnemen.”

Blijft het probleem dat je zo’n groep mannen en een enkele vrouw 24 uur per dag op elkaars lip laat zitten.

“Dat ken ik wel van mijn tijd bij defensie: met 500 man de hele week op een kazerne. Dat was ook geen nonnenklooster. Dat gaf soms ook gek gedrag. Maar een groep van dertig is in elk geval veel makkelijker te corrigeren.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden