PlusLongread

Nabestaanden over de impact van de Februaristaking: ‘Thuis leerden we: de verrader slaapt nooit’

Geknielde Joden worden onder schot gehouden op het Jonas Daniël Meijerplein. De tweede van rechts is Meier Vieijra, één van de 427 joodse mannen die op 22 en 23 februari 1941 werden opgepakt op het plein.  Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo
Geknielde Joden worden onder schot gehouden op het Jonas Daniël Meijerplein. De tweede van rechts is Meier Vieijra, één van de 427 joodse mannen die op 22 en 23 februari 1941 werden opgepakt op het plein.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Willem Kraan, Joop IJisberg en Coba Veltman speelden een actieve rol in de Februaristaking, de enige openlijke protestactie tegen de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hun nabestaanden en nakomelingen kijken terug. ‘Pas veertig jaar later begreep ik mijn angsten.’

Bij Ellen Hettinga (1959) werden in het ouderlijk huis geen stoere of sterke verhalen verteld. Opscheppen of snoeven was binnen de familie geen optie. Terwijl er genoeg op te scheppen viel: haar opa, Willem Kraan, was één van de initiatiefnemers tijdens de Februaristaking in 1941, het enige openlijke protest tegen de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog in Europa.

Willem Kraan. Beeld Het Parool
Willem Kraan.Beeld Het Parool

De stratenmaker en communist Kraan, op 2 augustus 1909 in Amsterdam geboren, zorgde met enkele andere moedige Amsterdammers ervoor dat op 25 en 26 februari 1941 door duizenden stadsgenoten het werk werd neergelegd. Kraan werd door de nazi’s opgepakt en in 1942 gefusilleerd. Ellen Hettinga: “Dit verhaal is er binnen mijn familie altijd geweest. Bij ons thuis werd het zonder ophef verteld. Het was gewoon zo.”

De familie stond stil bij de oorlog tijdens ­Dodenherdenking op 4 mei. Ze gingen niet naar de herdenking van de Februaristaking, waarbij Kraan zo’n grote rol speelde. Ook Hettinga’s moeder – de dochter van Willem Kraan – sprak niet veel over zijn rol in de oorlog. Het ging meer over de honger, over de dingen die je wel mocht zeggen en die je niet mocht zeggen. “Mijn moeder had zo haar dingetjes. Ze bewaarde stompjes kaas, kon niets weggooien. Ze had ook stapels lakens op voorraad. In de oorlog hadden ze een keer lakens geruild voor eten. Dat zat er diep in. Ze kocht van alles twee. Altijd één op voorraad. Ik doe het zelf ook nog altijd. Dan denk ik: toch weer dubbel ingekocht.”

Ellen Hettinga.
 Beeld Marc Driessen
Ellen Hettinga.Beeld Marc Driessen

Sanne Hettinga (1991), dochter van Ellen en achterkleindochter van Willem Kraan, wist lang niet dat hij een verzetsheld is. Pas op de middelbare school werd ze zich bewust van zijn daden. “Niet dat ik het verhaal niet kende, maar de reikwijdte ervan kon ik eerder niet goed inschatten. Willem Kraan was voor mij de vader van mijn oma. Totdat ik op de middelbare school een stamboom van mijn familie moest maken en een geschiedenisleraar zijn naam zag en mij erop aansprak. Pas toen werd duidelijk dat hij meer was dan de vader van mij oma.”

Sanne Hettinga.
 Beeld Marc Driessen
Sanne Hettinga.Beeld Marc Driessen

Ellen: “Mijn moeder zag hem niet als een held. Het was haar vader. Die uit haar leven is getrokken toen ze acht jaar was, omdat hij werd gefusilleerd. Zij associeerde oorlog vooral met de dag dat ze zijn jas weer zag hangen en dacht: papa is er weer. Wat niet zo was, natuurlijk. Het waren dit soort herinneringen die zich bleven opdringen.”

‘Staakt, Staakt, Staakt!’

De tentoonstelling Wees moedig!, vanaf 24 februari digitaal te beleven op de site van het ­Verzetsmuseum en zodra de musea weer open mogen ook daar te bezoeken, belicht in het tachtigste herdenkingsjaar van de staking de verhalen van Willem Kraan, Coba Veltman en Joop IJisberg. De drie waren in 1941 mede-initiatiefnemers van de staking, die buitensporig hard werden bestraft. Volgens hun directe nabestaanden, die ruim 75 jaar na de bevrijding reflecteren op hun daden, konden ze toen niet overzien wat de gevolgen van die beslissingen zouden zijn. Behalve Kraan werd ook Joop IJisberg gefusilleerd, en Coba Veltman keerde in 1945 terug uit het kamp Ravensbrück – opgezadeld met herinneringen die haar tot haar dood in 1976 opjaagden.

Coba Veltman. Beeld -
Coba Veltman.Beeld -

Heldhaftig. Vastberaden. Barmhartig. Dat zijn de woorden die Amsterdam in 1946, dankzij de Februaristaking, aan het stadswapen mocht toevoegen. Toch was er na de oorlog niet veel aandacht voor de helden van het eerste uur. De Februaristaking werd inzet van een strijd tussen communisten en anti-communisten. De communisten hadden de staking op touw gezet. Hun tegenstanders gunden hun die eer niet, zeker niet tijdens de Koude Oorlog. Zij stelden dat de staking vooral een spontane ­uiting van volkswoede was geweest.

De oproep voor de staking (‘Staakt, Staakt, Staakt!’) werd onder anderen opgesteld, getypt en gestencild door Coba Veltman (1901-1976). Veltman was een bootwerkersdochter die in een gezin van negen kinderen in een eenkamerwoning opgroeide. Veltman was op jonge leeftijd al betrokken bij acties en protesten. Ze was eerst anarchist, en werkte later voor de krant van de Communistische Partij van Nederland (CPN). Ze moest niets hebben van conventies: ze werkte als moeder – toen zeer ongebruikelijk – buiten de deur, leefde ongehuwd samen, en liet haar kinderen haar bij de voornaam noemen omdat ze ‘mama’ een burgerlijke uitdrukking vond.

Gusta Olivier-Vonk. Beeld Marc Driessen
Gusta Olivier-Vonk.Beeld Marc Driessen

Gusta Olivier-Vonk (1929), de schoondochter van Coba Veltman, maakte na Veltmans dood een boek over het leven van haar schoonmoeder. Ze vertelt op scholen en tijdens lezingen nog altijd over de dunne grens tussen vrede en oorlog. “Ik kende Coba al en had veel bewondering voor haar. Toen ze mijn schoonmoeder werd, veranderde dat enigszins. Ze bemoeide zich met alles. Ook met de opvoeding van onze kinderen. Er zat diep in haar een drang om zich uit te spreken. Ik heb er pas een keer wat van gezegd toen ze zonder overleg het haar van onze dochter had afgeknipt. Lang haar bij meisjes vond ze burgerlijk. Dat moest eraf.”

Lege plek

Op 26 februari 1941, de tweede en laatste ­stakingsdag, werd Coba Veltman tijdens de ­verspreiding van een tweede oproep om weer aan het werk te gaan, opgepakt. De volgende dag brachten de nazi’s haar naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. De Gestapo veroordeelde haar tot een half jaar gevangenisstraf, die werd verlengd tot vijftien maanden. Veltman zat die straf uit in de gevangenis aan de Amstelveenseweg, in het Oranjehotel in Scheveningen en de Weteringsschansgevangenis. Ze wordt niet vrijgelaten en op transport gesteld. Via gevangenissen in Kleef en Berlijn kwam ze in juni 1942 in concentratiekamp Ravensbrück aan. Daar werd ze tewerkgesteld in een extern kamp. Begin april 1945 werd ze door het Zweedse Rode Kruis met tientallen andere vrouwen uit ­Ravensbrück overgebracht naar een herstellingskamp in Zweden.

Gusta Olivier-Vonk: “Aan het einde van haar leven vertelde Coba dat ze een keer was ontsnapt aan een transport. Pas toen drong bij haar het besef door dat bij de nazi’s de cijfers altijd moesten kloppen, en dat haar lege plek destijds dus is ingevuld met een andere gevangene. Ze vond het vreselijk dat door haar vlucht iemand anders op transport was gezet, en misschien wel vermoord.”

Hanka (1961, ze wil niet met haar achternaam in de krant) is de dochter van Gusta en een kleinkind van Coba Veltman. Er werd binnen de ­familie altijd over de oorlog gepraat, zegt zij, maar niet speciaal over Coba’s bijdrage aan de Februaristaking. “Het ging vaak over verzetsmensen. Over wie goed deed en wie niet. Altijd maar weer. Ik kreeg op een gegeven moment het gevoel dat er snel maar weer een oorlog moest komen, zodat ik óók kon bewijzen dat ik aan de goede kant zou staan.”

Hanka.
 Beeld Marc Driessen
Hanka.Beeld Marc Driessen

Een soort donkere sprookjes

Hanka werd als kind ‘klein Cobaatje’ genoemd, omdat ze uiterlijk veel op haar oma leek. Dat was niet per se iets om trots op te zijn. “Ze was dominant, noemde iedereen te pas en te onpas ‘een schijthuis’ en liet zich altijd horen als er iets ­gebeurde dat haar niet zinde. Pas later werd ze anders bekeken, toen de oorlog op afstand kwam en er ruimte ontstond voor haar verhaal. Toen werd duidelijk wat ze had gedaan en groeide begrip voor haar gedrag.”

Coba Veltman ging met haar kleinkinderen vaak naar de bioscoop en naar het park. Elke februarimaand bezocht de familie de herdenking van de Februaristaking bij De Dokwerker. Hanka: “Coba was 24 februari jarig. Het enige wat ze wilde, waren rode tulpen. Om die de volgende dag bij de herdenking neer te leggen. Dat doen we nog steeds. Nu zie ik de betekenis ervan. Als kind was de herdenking meer een familie­reünie.”

Als Hanka aan haar oma denkt, komen ook de verhalen bovendrijven die ze haar vertelde ­‘omdat ze die blijkbaar toch ook kwijt moest’. ­Afschrikwekkende verhalen zijn dat, over wat ze in Ravensbrück had gezien en meegemaakt. “Ik was een jaar of acht, denk ik. Veel te jong in elk geval. Voor mij waren het een soort donkere sprookjes. Al is de impact groot geweest. Ik kan nog altijd geen boek over Ravensbrück normaal openslaan. (…) Ze had die verhalen toen natuurlijk nooit mogen vertellen. Wat kon ik ermee als klein meisje? Aan de andere kant: ze moest er ­ergens mee naartoe.”

Willem Kraan (toen 33 jaar oud) schreef op 19 november 1942, op de dag voordat hij met 32 ­anderen werd gefusilleerd op het vliegveld Soesterberg, een afscheidsbrief aan zijn vrouw Bets en dochter Catrientje. De brief, verzonden vanuit de Kriegswehrmachtgefängnis in Utrecht, kwam na zijn dood aan. ‘Trieni zal nu nog niet begrijpen waarvoor of ik val maar jij vertelt het haar natuurlijk wanneer zij iets ouder is, en dat doe je vast hoor Bets, want anders zou zij zich nog schamen voor haar Pappie, en dat hoeft niet hoor, want een verrader ben ik niet, ik val voor mijn ideaal en ik hoop dat dit niet voor niets is.’

Ellen Hettinga, kleindochter van Willem Kraan, schonk de brief in 2018 aan het Stadsarchief. De briefjes die vanuit de gevangenis op het Kleine-Gartmanplantsoen in de zomen en naden van Willems vuile was naar buiten werden gesmokkeld, zijn vergaan. Wel zijn er nog enkele officiële gevangenisbrieven bewaard gebleven. Sanne Hettinga: “Bets bewaarde de spullen die met haar man te maken hadden in een map op zolder. Daar zat ook de Yad Vashem-onderscheiding bij, die Bets in ontvangst had mogen nemen. Die map kwam alleen naar beneden als je er echt om vroeg. De brieven van mijn opa zijn in mooi, ouderwets Nederlands opgesteld – zeker als kind kon ik dat niet zo goed lezen. Mijn oma wilde ze niet voorlezen. Dat kon ze niet opbrengen.”

Frank Kraan. Beeld Marc Driessen
Frank Kraan.Beeld Marc Driessen

Vanaf het moment dat Willem Kraan was opgepakt, werd het leven voor zijn vrouw en kind zwaar en ingewikkeld. Ellen Hettinga: “Bets is met haar dochtertje bij vrienden gaan inwonen, in een alkoof. Catrientje kreeg de opdracht direct uit school naar huis te gaan. Vanuit het idee dat de verrader nooit slaapt. Dat idee heeft de familie nooit kunnen loslaten en werd doorgegeven aan de volgende generatie. Ook mijn broer en ik zijn opgevoed met het idee dat de muren oren hebben. ‘Wat binnen ­gebeurt, blijft binnen.’ Dat kregen wij vaak te horen.”

Willem Kraan was een van de aanstichters van wat nu als een historisch moment in de Nederlandse geschiedenis wordt beschouwd. Toch rijst de vraag: tegen welke prijs is dat gebeurd? De kinderen van Willem Kraan verloren hun vader, zijn kleinkinderen hadden nooit een opa, en de staking haalde feitelijk niets uit: er werden in Amsterdam in verhouding meer Joden weggevoerd dan in andere Europese steden.

Ellen Hettinga: “Zo’n gebeurtenis werkt lang door. Dat gaat, zeg maar, in het dna zitten. Oma Bets moest overleven. Ze had allerlei baantjes. Mijn moeder stond er daardoor alleen voor. Sterker: zij nam de zorgende rol al vroeg van haar moeder over. Ik ben op mijn beurt juist weer heel beschermd opgevoed. Dat was eenreactie van mijn moeder op haar eigen opvoeding. En ik heb dat zelf weer anders proberen te doen. Voor mijn kinderen heb ik, op mijn beurt, gestreefd naar meer ruimte, meer vrijheid.”

Sanne is nooit in de Willem Kraanstraat geweest, de straat in Amsterdam-Nieuw-West die is vernoemd naar haar overgrootvader. “Dat is er gewoon nooit van gekomen. Wat best vreemd is, omdat ik met mijn oma geregeld naar de markt op Plein ’40-’45 ging. De Willem Kraanstraat is daar om de hoek.”

Scheuren in de familie

Ellen was als 7-jarige in de Willem Kraanstraat. Zij zou als klein kind, met haar broer, De Antifascist onthullen, de buste die in 1966 in de Willem Kraanstraat werd neergezet. “Uiteindelijk deed mijn moeder de onthulling, omdat ze ons daarvoor nog te klein vond. Er zijn wat foto’s van dat moment. Maar dat beeld zegt me niet veel, en de straat ook niet.”

De Antifascist is geen afbeelding van Willem Kraan. Ellen Hettinga: “Binnen de familie dachten we: een beeld. Nou, mooi. Net als De Dokwerker. Ook mooi. Maar we hoeven er niet per se naartoe. Wij zijn geen types die met de borst vooruit lopen. Wij voelen ons bij herdenkingen prettiger ergens achterin. Dan zie je meer dan op de voorste rij.”

Sanne herinnert zich een herdenking tijdens de laatste levensfase van haar grootmoeder, de dochter van Willem Kraan. Ze was toen al wat dement en liep bij de kranslegging als eerste achter de burgemeester aan. Dat had ze nog nooit gedaan. “Ik weet nog dat aanwezigen vreemd opkeken. Toen heb ik wel gezegd: ‘Laat haar maar gaan. Ze is de dochter van een echte verzetsman. Dat moet nu maar even.’ Dat was ongemakkelijk en tegelijk ontroerend.”

Ook Frank Kraan (1962), zoon van een broer van Willem Kraan, staat liever niet vooraan bij herdenkingen. “Mijn vader weigerde daar naartoe te gaan. Dat had alles te maken met de pijn die er nog zat. Mijn vader heeft in 1941 Willem verloren, en later ook nog zijn broer Gerrit in ­Indonesië. Dat kwam op dit soort dagen naar boven. Dat gaf veel spanning, ook in de familie.”

Pas toen zijn vader in 1983 overleed, voelde Frank Kraan zich vrij genoeg om naar de ­herdenking van de Februaristaking gaan. “Mijn vader zei altijd: ‘Word geen lid van een politieke partij. Blijf uit de buurt van discussies. Spreek je niet te veel uit.’ Met die dogma’s, erfenissen van de oorlog, werd ik het leven ingestuurd.”

Willem Kraan wordt nu, met zijn kameraad Piet Nak, erkend als de man die aan de basis van de Februaristaking stond. Die heldendaad heeft echter een echo waarin frustratie en onuitgesproken verdriet nadrukkelijk aanwezig zijn. Frank Kraan: “Er ontstonden in de families grote scheuren. Het heeft lang geduurd voordat die zijn overbrugd. Er was in die tijd ook van alles aan de hand: de wederopbouw, de wens om de oorlog snel te vergeten, de communistenjacht, het IJzeren Gordijn. Er waren op een gegeven moment drie herdenkingen van de Februaristaking. Iedereen had zijn eigen versie. Die scherpte is er nu van af. De stakers staakten niet voor zichzelf. Ze staakten voor hun Joodse stads­genoten. Ik weet dat er uiteindelijk vreselijk veel Joden vanuit Amsterdam zijn gedeporteerd. Toch koester ik de symbolische waarde van de staking. Het is een glimp van hoop geweest.”

Joop IJisberg. Beeld Het Parool
Joop IJisberg.Beeld Het Parool

Joop IJisberg was tramconducteur op lijn 7 in Amsterdam. Hij zorgde ervoor dat de trams op 25 februari 1941 niet uitreden vanuit de remise Havenstraat. Rijdende trams dwong hij later in de ochtend alsnog te stoppen.

Door het uitvallen van de trams begrepen Amsterdammers dat er iets gaande was. Daardoor werd het nieuws verspreid en kon de staking in korte tijd uitgroeien tot een breed gedragen ­protest. IJisberg werd een half jaar na de staking opgepakt door de Duitse Sicherheitsdienst. In 1942 werd hij ter dood veroordeeld en dood­geschoten.

Tinie IJisberg. Beeld Marc Driessen
Tinie IJisberg.Beeld Marc Driessen

Zijn dochter Tinie (1939) was destijds twee jaar oud. Ze lag in haar bed toen Duitse soldaten het huis bestormden en haar vader meenamen. “Daar heb ik geen herinnering aan, al heb ik ­onbewust waarschijnlijk meer meegekregen dan goed voor me was. Ik heb in mijn leven best veel angsten gehad. Pas in de jaren tachtig, veertig jaar na de oorlog, begreep ik dat mijn angsten met die oorlog verbonden waren.”

Toos IJisberg (1935), dochter van Joop en zus van Tinie, was bijna zes jaar oud op de dag dat haar vader verdween. “Toen hij werd opgepakt, schenen er lichten op de voor- en achterkant van ons huis. We hadden een halletje. Daar stond ik naast mijn moeder en zag ik al die laarzen voorbijkomen. Ik voelde vooral de angst van mijn moeder. Zij was, bleek achteraf, ook bang dat ze materiaal zouden vinden bij mijn broer in de kamer. Daar lag iets. Illegaal papierwerk.”

Verschrikkelijk huilen

Marjan de Boo (1961), kleindochter van Joop ­IJisberg, was er getuige van dat haar moeder ­Tinie ruim veertig jaar na de oorlog een grote ­terugslag kreeg. Tinie was in die tijd als secretaris bij de organisatie van de Februaristaking betrokken en ging mee naar een interviewsessie voor AT5 met journalist Peter van Ingen. Tinie IJisberg: “Ik kende al die verhalen van begin tot eind. Op een bepaald moment vroeg Peter van Ingen: ‘Hoe was hoe dat bij jou thuis, Tinie?’ Dat was de eerste keer dat ik die vraag kreeg. Toen moest ik verschrikkelijk huilen. Zo kwam ik bij een psychiater terecht. Ik dacht: ik ga er vier keer naartoe. Dat is uiteindelijk tien jaar geworden. Om eruit te komen.”

Marjan de Boo. Beeld Marc Driessen
Marjan de Boo.Beeld Marc Driessen

Joop IJisberg schreef in zijn afscheidsbrief dat ‘kinderen gelukkig snel vergeten’. “Dat is niet zo,” stelt zijn dochter Toos. “Bij de kinderen, bij alle vier, heeft zijn dood een ontzettende stempel op het leven gedrukt. Het verdriet, en vooral hoe dat moest worden weggestopt. Na de oorlog begonnen we van voren af aan. We spraken nergens over, en probeerden de eindjes aan elkaar te knopen.”

Niet zeuren en doorleven

Toos raakte net als haar zus Tinie midden in de jaren tachtig verstrikt in psychische problemen. “Ik liep mezelf voorbij. Veel werk, allerlei maatschappelijke verplichtingen ook. Ik kreeg nachtmerries en ben ingeklapt. Ik begreep mezelf niet meer. Waarom had ik die drive altijd met van alles bezig te zijn en was ik toch ongelukkig? Uiteindelijk zocht ik steun bij een psychiater. Dat heeft zo’n vijf, zes jaar geduurd. Toen werd de druk op mijn schouders, de druk om mezelf per se nuttig te maken, minder.”

Thuis werd na de oorlog alles weggestopt, zegt Tinie. Er werd gediscussieerd over ‘de sterren en de maan en de zon en alles wat ertussen zit, maar nooit over de zorgen van de familie zelf’. “We gingen ieder jaar naar de herdenking. Dan aten we met z’n allen erwtensoep, maar er viel geen woord over de rol van mijn vader bij de ­staking. Hij had gedaan wat hij deed. Hij vond toen dat hij dat moest doen. Zo was het. Punt.”

Het was de tijd van niet zeuren en doorleven. Haar moeder wilde haar kinderen er ook niet mee opzadelen. “Ik kijk daar nu anders naar. Ik nam de zorgende rol van mijn moeder over. De financiën. Op mijn negende zat ik bij het maatschappelijk werk van Stichting ’40-’45. Om steun te regelen, een zak met aardappelen of zoiets. Er werden ook schulden gemaakt. Dat loste ik op. In die zin ben ik nooit kind geweest.”

Marjan de Boo, dochter van Tinie en sinds 2016 secretaris van het Comité Herdenking Februaristaking 1941, heeft gezien wat een effect de daad van haar opa heeft gehad op de familie. “Het gaat meestal over ‘de Februaristaking’, ‘het verzet’ of ‘de communistische partij’. Lekker algemeen, dat praat makkelijker. Maar achter die instituten gaan mensen schuil, individuen met alle mooie en ingewikkelde kanten die erbij horen. Mijn opa was zo’n mens. Ik heb zijn keuze altijd krachtig gevonden. Net zoals ik het van ­Tinie een krachtige keuze vind dat ze het verdriet en de pijn is aangegaan. ‘Let op: denk zelf na,’ zegt ze altijd. ‘Probeer zo autonoom mogelijk te zijn. Denk zelf na over essentiële dingen, en neem pas dan een standpunt in.’ Mijn opa heeft die levenshouding met zijn leven moeten bekopen. Dat zit ook in mij. Daar kan ik emotioneel van raken. Maar ik kan er ook kracht uithalen.”

Eigen moed

Gusta Olivier-Vonk, de schoondochter van Coba Veltman, vindt dat de staking ‘in het licht van de Tweede Wereldoorlog uiteindelijk een van de vele verhalen’ is. Aan de andere kant: “Een staking tegen de Jodenvervolging, onder die omstandigheden – dat blijft ongekend. Daarom moeten we dit en al die andere verhalen blijven vertellen. We zijn bevrijd van de Duitsers, maar daarna is het altijd doorgegaan: Indonesië, Vietnam, de oorlogen in Afrika, Joegoslavië. Het is nooit helemaal opgehouden.”

Willem Kraan, Joop Ijisberg en Coba Veltman hebben vanuit hun overtuiging gehandeld. Ze konden niet aanzien hoe de nazi’s met de eerste grote razzia alle grenzen van het menselijke overschreden. Marjan de Boo: “Alleen konden ze niet weten wat het gevolg was. Voor een dag ­staken werden Willem en Joop vermoord. Dat is extreem wreed. Het was natuurlijk duidelijk dat de nazi’s heel slecht waren, maar geen mens dacht begin 1941 dat een staking zou leiden tot fusillades. Dat inzicht kwam later.”

Het is een troost, stelt De Boo, dat veel mensen jaarlijks door de Februaristaking geïnspireerd raken, ook tachtig jaar na dato. “De Februaristaking zet steeds weer tot denken aan. Over solidariteit, over jouw eigen rol en eigen moed. Zou jij in opstand durven komen om onrecht dat anderen wordt aangedaan?”

Tinie IJisberg, dochter van Joop: “Ik heb nooit gedacht: had hij het maar niet gedaan. Dat kan ik me ook niet permitteren. Hij ging in het verzet vanuit een ideaal en niet om doodgeschoten te worden. Zoiets kon hij zich niet indenken. Zelfs in zijn laatste briefjes aan mijn moeder leek hij dat niet te beseffen.”

Toos IJisberg. Beeld Marc Driessen
Toos IJisberg.Beeld Marc Driessen

Toos IJisberg, dochter van Joop: “De staking is een groot verhaal geworden. Een verhaal dat onrecht ter discussie stelt. Oorlog is verwoesting. Daarop kan niet genoeg worden gehamerd.”

Sanne Hettinga, achterkleindochter van Willem Kraan: “We zijn er allemaal voor verantwoordelijk dat wij van ná de oorlog blijven. Dat betekent inderdaad: blijven nadenken, en jezelf niets laten aanpraten. Discussie is prima, en felle discussies zijn dat ook. Maar de belangrijkste spelregel is en blijft dat iedereen gelijk is.”

Podcast

Tijdens de tachtigste herdenking van de Februaristaking is het Verzetsmuseum gesloten in verband met de coronamaatregelen. Om museumliefhebbers tegemoet te komen, opent het museum de nieuwe tentoonstelling Wees moedig!, over de staking, met een virtuele versie. De expositie is vanaf 24 februari online te bezoeken op de website (verzetsmuseum.org). Op Parool.nl (zie hieronder) en Verzetsmuseum.org is ook een gelijknamige, zesdelige podcast te beluisteren waarin nabestaanden van hoofdrolspelers van de Februaristaking in gesprek gaan met Ronald Ockhuysen. De gesprekken vonden plaats in november en december 2020, Ockhuysen was tot 1 januari dit jaar hoofdredacteur van Het Parool. Hij werkt nu bij Chios Media.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden