PlusEssay

‘Mijn kinderen kunnen nu zeggen: kijk, dat was onze familie, zij zijn hier weggehaald en vermoord’

 In de jaren na de oprichting in 1936 werd Bakkerij Vuysje ORT aan de Weesperstraat 14 een groot succes. Hoe meer Joodse vluchtelingen uit Duitsland naar Amsterdam kwamen, hoe groter de vraag naar Duits zuurdesembrood. Beeld Stadsarchief Amsterdam
In de jaren na de oprichting in 1936 werd Bakkerij Vuysje ORT aan de Weesperstraat 14 een groot succes. Hoe meer Joodse vluchtelingen uit Duitsland naar Amsterdam kwamen, hoe groter de vraag naar Duits zuurdesembrood.Beeld Stadsarchief Amsterdam

Op de plek van het Namenmonument in de Weesperstraat opende in 1936 de bakkerij van Isaac Vuijsje, de overgrootvader van schrijver Robert Vuijsje. ‘Uiteindelijk zal ik het, denk ik, prettig vinden dat dit monument bestaat.’

Mijn favoriete anekdote over Bakkerij Vuysje ORT, in de oude Weesperstraat, gaat over de jonge stagiair Jaap Meijer, die later de vader werd van Ischa. Jaap Meijer had geschiedenis gestudeerd en wilde emigreren naar het land dat toen Palestina heette. In die tijd was zionist nog geen scheldwoord, het betekende gewoon dat je als jood naar Israël wilde verhuizen.

In Palestina bestond behoefte aan immigranten die een vak hadden geleerd. Zo kwam Jaap Meijer terecht in de winkel die voluit Luxebakkerij Vuysje heette – gespeld met een y in plaats van een ij, voor een internationale en deftige uitstraling. ORT was natuurlijk de afkorting voor: onder rabbinaal toezicht. Vanaf 1936 was de bakkerij van mijn overgrootouders gevestigd op Weesperstraat 14, aan de westzijde van de straat, in het eerste blok vanaf het Jonas Daniël Meijerplein: precies op de plek waar nu het Nationaal Holocaust Namenmonument komt te staan.

De Weesperstraat lag aan de rand van wat toen de Jodenhoek heette. Tegenwoordig bestaat Nederlandse straattaal uit een mengeling van Surinaamse, Marokkaanse of Papiamentse woorden. Voor de oorlog betekende straattaal: het gebruik van Jiddische woorden. Gabber, penoze, bajes, gozer, mazzel: allemaal Jiddisch. Rond de Weesperstraat was de sfeer volks. Grote armoede en joodse Amsterdammers die zich in leven hielden met wat we vandaag hosselen zouden noemen.

In dat klimaat kwam Jaap Meijer te werken tussen de bakkersknechten Bram en Nathan, broers van mijn opa. Veel schuine moppen en weinig interesse in Jaap Meijers lange betogen over de noodzaak van een joodse staat. Ze vonden hem een kapsoneslijer die ‘het studentje’ werd genoemd of ‘meneer de doctorandus’. Hij werd erop uit gestuurd om een maanzaadschudder te halen of tegenrijzend gist of een ander niet-bestaand ingrediënt. Geintje.

Jaren later hoorde ik, als bevoorrechte jood uit Amsterdam-Zuid, deze verhalen en dacht: yes, zie je wel, ik ben tóch straat. Mijn familie bestaat uit bijdehante straatschoffies die met een vet Amsterdams accent even lekker ‘het professortje’ lopen te dollen. De Beethovenstraat of Buitenveldert of Amstelveen als centrum van het Amsterdamse joodse leven: dat voelt toch minder stoer en authentiek dan het toenmalige getto rond de Weesperstraat.

Smal straatje met winkels

Voordat na de oorlog alles werd afgebroken en geasfalteerd en volgeplempt met lelijke nieuwbouw was de Weesperstraat, in het Jiddisch ook wel Wazepergas genoemd, een smal straatje met aan beide kanten winkels. Denk de Leidsestraat of de Utrechtsestraat. Mijn overgrootvader Isaac had als jongeman in Duitsland geleerd Duits brood te bakken. In de jaren na de oprichting in 1936 werd de bakkerij een groot succes. Hoe meer joodse vluchtelingen van Duitsland naar Amsterdam kwamen, (dat waren er ruim tienduizend), hoe groter de vraag werd naar Duits zuurdesembrood. De vraag werd zo groot dat ze in 1940 een filiaal openden in de Rivierenbuurt. In de jaren erna verdwenen al die joden, Nederlands en Duits, weer uit Amsterdam en de winkel kende een triest einde. In 1943 werden mijn overgrootouders, Isaac en Schoontje, opgepakt bij een razzia en vermoord in Sobibor.

In de familie ging het verhaal dat Jaap en Nathan Vuijsje, broers van mijn opa, zich na de oorlog bij de gemeente Amsterdam meldden. Ze wilden de bakkerij graag terug. Daar kregen ze te horen dat de zaak op naam van Isaac Vuijsje stond. Zolang hij ‘niet kwam opdagen’, kon vanuit de gemeente niets worden gedaan. In 2013 verscheen in het tijdschrift Ons Amsterdam een verhaal over wat er was gebeurd met de bakkerij. Een mevrouw genaamd Annie Zwart vertelde dat ze 6 jaar oud was toen haar ouders in 1944 hun groentewinkel verhuisden van Oostburg naar Weesperstraat 14, omdat daar ‘door omstandigheden’ ruimte was. ‘De oorlog was afgelopen, maar de winkels waren nog leeg,’ vertelde ze. ‘Vroeger zat daar bakkerij Vuysje. Het huis was helemaal leeggehaald, er stond niets meer in.’ Waarom Annie Zwart in de veronderstelling zou verkeren dat de oorlog in 1944 was afgelopen, wordt niet duidelijk.

Voor Bram, de oudste broer van mijn opa, was de bakkerij zijn redding, indirect. Ook hij werd in 1943 opgepakt bij een razzia. In de Weesperstraat ontstond grote paniek. Tientallen joden renden gillend de zaak in, waar Bram zich op dat moment bevond. De Duitsers kwamen binnen en namen iedereen mee. Buiten stonden de karren waarmee het brood werd rondgebracht en uit de winkel pakte Bram nog snel een broodmand en een wit jasje. Na een doorwaakte nacht in de Hollandsche Schouwburg moesten ze de volgende ochtend allemaal tram 9 in, naar het Centraal Station en daarna Westerbork. Bram nam zijn broodmand onder de arm en liep zonder op te kijken in zijn bezorgersoutfit om de tram heen, de Plantage Middenlaan op, naar de Roetersstraat. Vervolgens overleefde hij de oorlog, onderduikend in de Noordoostpolder.

En nu wordt in de Weesperstraat, exact waar de bakkerij stond, het grote monument geopend. Er bestaat een oude joodse mop over Sam en Moos die stranden op een onbewoond eiland en allebei hun eigen synagoge bouwen. Jaren later worden ze gevonden en Sam zegt over het bouwwerk van Moos: ‘Die synagoge? Daar ga ik niet heen.’ De boodschap: je hoeft maar een paar joden ergens neer te zetten en ze hebben meteen een meningsverschil. Zo ging het ook met dit monument. Het werd te groot gevonden, megalomaan en weinig subtiel. Al die 102.000 vermoorde Nederlanders, ieder met hun eigen individuele verhalen, werden ineens gedwongen deel uit te maken van een gigantische, onpersoonlijke groep slachtoffers in een soort massagraf. Andere joden maakten zich weer boos om buurtbewoners die de bouw van het monument probeerden tegen te houden. Wat wij in Berlijn, Boedapest of Washington D.C. groots en indrukwekkend vinden: in ons eigen land kijken we met andere, strengere ogen.

Wat vind ik van dit monument? Mijn eerste gedachte was dezelfde als bij latere excuses van functionarissen die niets met de oorlog te maken hebben gehad: wat moet ik ermee? Voor mijn familie is het mooi om te weten dat het monument op dezelfde grond staat als onze voormalige bakkerij. En ik zal vast even gaan kijken om de steentjes met de namen van mijn omgebrachte familieleden te vinden. Maar brengt dit ze terug? Geeft het verlichting aan het leed en onrecht? Nee.

Een snippertje aandacht

De opening wordt zondag verricht door Willem Alexander, de man die zich de koning van Nederland waant. Hij doet ook maar wat hem wordt opgedragen. De werkelijke vraag is: waarom wordt bij de opening van dit monument zoveel waarde gehecht aan de aanwezigheid van een man wiens familie in 1940 direct zichzelf in veiligheid bracht in Londen en Canada, om vijf jaar later terug te keren en vrolijk verder te gaan met koningshuisje spelen, alsof er niets was gebeurd? Waarom moeten wij als Nederlandse joden zo blij zijn met een snippertje aandacht van een instituut dat tussen 1940 en 1945 duidelijk heeft gemaakt hoeveel waarde zij hechten aan ons lot?

Ik ben geboren in 1970, mijn kinderen in 2006 en 2009. Tijdens mijn jeugd werd ik omringd door mensen die de oorlog hadden overleefd. Hun verhalen, uit de eerste hand verteld, zorgden ervoor dat de oorlog ook in mijn leven zo’n bepalende rol speelde. De tijd is meedogenloos: deze generatie was overleden voor ze een serieus gesprek konden voeren met mijn kinderen. Daarom vermoed ik dat mijn generatie de laatste is voor wie de oorlog zo allesoverheersend aanwezig was. Als ik eerlijk ben: het is een opluchting dat mijn kinderen deze ballast niet hoeven mee te dragen. Uiteindelijk zal ik het, denk ik, prettig vinden dat dit monument bestaat. Voor mijn kinderen, hun kinderen en alles wat daarna komt. Als ze dat zouden willen, kunnen ze naar de Weesperstraat gaan: kijk, dat was onze familie, zij zijn hier weggehaald en vermoord.

Op de bakfiets Isaac, overgrootvader van Robert Vuijsje. Het jongetje is Jaap, oftewel Jacob, de broer van zijn opa Beeld Privéarchief Robert Vuijsje
Op de bakfiets Isaac, overgrootvader van Robert Vuijsje. Het jongetje is Jaap, oftewel Jacob, de broer van zijn opaBeeld Privéarchief Robert Vuijsje
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden