Plus Ten slotte

Max van Weezel (1951-2019) kon niet stoppen met journalistiek

Een lange Burberryregenjas, een tas vol met paperassen en een sigaar in zijn mond: Max van Weezel was het archetype journalist. Het soort journalist dat hij gedurende zijn lange loopbaan steeds zeldzamer had zien worden: monomaan, altijd aan het werk, overal bij aanwezig.

Max van Weezel in 2015 Beeld anp

Elk partijcongres zat Van Weezel in de zaal, elk nachtelijk Kamerdebat op de tribune en elk crisisoverleg voor de deur. De kroeg verliet hij steevast als allerlaatste, in de hoop toch nog iemand tegen het lijf te lopen die hem de gouden tip gaf.

Voor Vrij Nederland werkte Van Weezel meer dan veertig jaar, waarvan hij het grootste deel op het Binnenhof doorbracht. In zijn beginjaren werd hij onder de hoede genomen van Joop van Tijn, later zou hij duo's vormen met onder anderen Leonard Ornstein, Margalith Kleijwegt en Thijs Broer.

Ook presenteerde hij radioprogramma's als Argos en Met het oog op morgen en was hij voorzitter van perscentrum Nieuwspoort en bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten. Van Weezel omschreef zichzelf als een workaholic, iemand die, tot op zijn sterfbed, niet kon stoppen met het volgen van het nieuws en het berichten over politiek. Een onmatig bestaan.

Introspectie
"Is het geen verloren leven geweest?" vroeg Van Weezel zich in 2014 af, in een interview in de Volkskrant. De laatste jaren van zijn leven liet hij de introspectie steeds meer toe. Waar waren al die duizenden artikelen in Vrij Nederland goed voor geweest, wat had hem al die tijd gedreven, waarom had hij zijn leven volledig aan de journalistiek gewijd?

De antwoorden op die vragen zijn niet los te zien van Van Weezels Joodse afkomst. In 1951, zes jaar na de oorlog, werd Max Hans van Weezel (hij werd vernoemd naar twee omgebrachte ooms) in Amsterdam geboren. Het trauma van de oorlog tekende het gezin, het grootste deel van de familie van zijn vader en moeder had de Holocaust niet overleefd.

Tweedegeneratieslachtoffer
Van Weezel was een typisch tweedegeneratieslachtoffer, die worstelde met de vraag of hij wel recht van bestaan had. "Het is überhaupt een wonder dat je geboren bent. Dat heeft nogal veel invloed op je psyche. Je bent altijd dat jongetje gebleven dat er niet mocht zijn van Adolf Hitler," zei hij eind vorig jaar tijdens Het Marathoninterview op Radio 1.

Het zorgde voor een permanent gevoel van argwaan en een 'existentiële onzekerheid', zoals hij het zelf omschreef. 'Als het erop aankomt, kun je op niemand rekenen,' leerde zijn vader hem. "Je moet altijd je best doen, anders dumpen ze je. Zeker als je Joods bent," zei Van Weezel vorig jaar in Trouw.

De paradox in zijn leven: Van Weezel werkte zo hard vanwege de oorlog, maar het Haagse 'nomadenbestaan' dat hij leidde was ook een manier om maar niet na te hoeven denken over die oorlog. "Als je niet depressief wilt raken of maatschappelijk wilt mislukken, moet je niet met de oorlog bezig zijn. Ik denk dat ik, om er niet aan onderdoor te gaan, de identiteit heb gekozen van de geslaagde Haagse verslaggever voor Vrij Nederland."

Scoop
In die opzet slaagde Van Weezel: hij gold als een van de meest gezaghebbende politieke journalisten. Zijn analyses en reconstructies, altijd gelardeerd met sappige details vanuit de wandelgangen, werden op het Binnenhof en daarbuiten uitgespeld. Vrij Nederland was met name eind ­jaren zeventig en tachtig het blad dat in progressieve kringen op elke koffietafel lag, en de linksgeoriënteerde Van Weezel - tussen 1972 en 1976 was hij lid van de CPN - had de ene na de andere scoop, zijn netwerk was enorm.

Hij zou jarenlang een ­wekelijkse column schrijven en kreeg twee keer de Anne Vondelingprijs, in 1983 met Joop van Tijn en in 1994 met Leonard Ornstein. Op 26 maart ontving hij, in het bijzijn van zijn vrouw Anet Bleich en dochter Natascha van Weezel, uit handen van burgemeester Femke Halsema de Frans Banninck Cocqpenning vanwege zijn 'grote staat van dienst voor de parlementaire journalistiek'.

Ziekte
Van Weezel was toen al ernstig vermagerd en verzwakt door zijn ziekte. Vorig jaar werd bij hem een ongeneeslijke vorm van alvleesklierkanker geconstateerd. Het naderende einde trof hem hard. In Trouw zei hij, begin februari: "Ik ben bang. Bang voor het niets. Ik vind het een heel eng idee dat alles ophoudt. Dat het voorbij is." En in NRC Handelsblad: "Pas nu ik de dood in de ogen kijk denk ik: waar heb ik mij druk over ­gemaakt?"

Tal van politici ontving hij aan zijn ziekbed. Dat had hem goed gedaan, vertelde hij meermaals. Want ondanks de twijfel die op het einde van zijn carrière zijn intrede had gedaan hield Van Weezel van de Haagse binnenwereld. Een leuke omgeving om je leven te slijten, noemde hij het in de Volkskrant. "Lang leve de recepties met glazen rode wijn en bitterballen, vervolgens zit je om drie uur in de nachttrein naar huis.... Het is een soort verlengd studentenbestaan."

Het ergste is om vergeten te worden, zei Van Weezel in het Nederlands Dagblad, een maand nadat hij te horen had gekregen dat hij niet meer beter zou worden. Als hij op terrasjes zzp'ers op hun laptop zag werken, werd hij jaloers. Jullie zijn hier over een jaar nog steeds, en ik niet meer, dacht hij dan. "Het blijft maar tollen in mijn hoofd: moet ik echt al sterven? Ik zou nog zo veel kunnen doen."

Lees ook de column van zijn dochter Natascha van Weezel: Mijn vader zal nooit meer een feestje meemaken

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.