Amsterdam Bewaar

Mariëlle Hoep: Ik dacht: ik kan helpen, ik kan reanimeren

Mariëlle Hoep Foto Jean-Pierre Jans
Mariëlle Hoep Foto Jean-Pierre Jans © UNKNOWN

DE VERKIEZING VAN DE AMSTERDAMMER VAN HET JAAR

Mariëlle Hoep (1988) zag in het Vondelpark een meisje roepen in een telefoon met een zwaar gewonde jongen naast haar. Ze greep in.


Derdejaarsstudente pedagogiek aan Hogeschool InHolland uit Heemstede is ze. Moeder doet aan natuurbeheer bij de provincie Noord-Holland, vader is ict'er. Een eerdere studie logopedie staakte Mariëlle Hoep na twee jaar. Wat ze daar wel aan te danken heeft: het bijvak bedrijfshulpverlening. Medische zaken interesseren haar, ze volgt ook wel eens een college met vriendinnen die medicijnen studeren. De bewuste nacht fietste ze rond half twee, na een borrel met studiegenoten op het Leidseplein, via het Vondelpark naar huis.

''Tegen m'n moeder heb ik verteld dat ik met een groepje vrienden fietste. Maar dat was niet waar. Ik fietste alleen, wel vlak achter een paar fietsers.'' En toen zag ze die jongen liggen en dat meisje dat met paniek in haar stem in haar mobiel schreeuwde.

Hoep stopte. ''Ik dacht: ik kan helpen, ik kan reanimeren.'' De jongen bloedde hevig. Iemand had hem, vermoedelijk zonder aanleiding, zeven messteken toegebracht in bovenbeen, zij, borst, buik en rug. Het eerste wat ze deed, was helpen bij dat gesprek met 112. ''Zeg dat het vlakbij de Emmastraat is.''

Mariëlle nam het heft in handen. ''Er kwamen meer mensen. Iemand zei: 'We moeten dat been afbinden.' Het bloed gutste eruit. Maar waarmee? Ik vroeg: Wie heeft er een riem? Natuurlijk was er een riem.'' Er was nog wel wat twijfel over waar af te binden. Hoep wist hoe belangrijk het is dat een slachtoffer niet helemaal wegzakt. ''Blijft tegen hem praten,'' zei ze tegen de vriendin van het slachtoffer. Haar jas legde ze onder zijn hoofd. En ze vroeg zich af: wanneer moet ik gaan reanimeren? Hij was half bij bewustzijn.

''Ik zag die wond op zijn borst en dacht: moet ik daar op gaan drukken? Kan dat?'' Ze bleef rustig en binnen zes heel lange minuten kwam eerst de politie en toen de ambulance. Een politieman reanimeerde, en dat was maar beter, vindt ze. Hij had meer kennis. Het ging snel. De jongen werd naar het OLVG gebracht waar zijn leven werd gered. Het gaat nu goed met hem.

Omstanders vertrokken en daar stond Hoep. Onder het bloed. Haar tas moest ze laten liggen, vanwege onderzoek op het 'plaats delict'. Ze fietste naar haar vriend en dacht: als iemand me zo ziet, wat moet die denken? En haar vriend was verbijsterd over zijn rood druipende Mariëlle, die daar middenin de nacht op de stoep stond.

Dat ze nu genomineerd wordt als groot Amsterdammer vindt ze enigszins onzin. Natuurlijk help je. Die mensen voor haar moeten het toch ook hebben gezien? Met enige moeite kan ze er wel begrip voor opbrengen: ''Als je weet dat je in paniek raakt, is het beter om anderen te laten helpen.''

Hoep raakt niet snel in paniek en dat is maar goed ook, want zoals haar oom al zei: ''Het lijkt wel alsof je het aantrekt.'' 4 mei op de Dam, de vermeende bom, ze was erbij, met een groep jonge kinderen. Een paar raakten gewond, ze zag militairen met haar kinderen sjouwen. ''Met een collega moest ik het in de hand houden, opletten waar ze allemaal waren, met de ouders contact opnemen.''

Eerder zag ze een laveloze man in de trein en zorgde ze ervoor dat hij werd opgevangen. Waar Hoep is is onheil? Nee, er is nogal eens onheil en Hoep heeft er oog voor. Ze wil na haar studie in de jeugdzorg. De jeugd heeft iets om naar uit te kijken. (PAUL ARNOLDUSSEN)

Foto Jean-Pierre Jans www.jeanpierrejans.nl

Terug naar de verkiezing

Portret van Mariëlle Hoep door AT5