PlusGeschiedenis

Louis Blankenberg: weldoener die in armoede stierf

Verpauperde woningen in de Wijde Gang, een inmiddels verdwenen zijstraat van de Willemsstraat in de Jordaan, rond 1910.

Amsterdam was in de negentiende eeuw een stad in verval. Het genootschap Liefdadigheid naar Vermogen uit 1871 probeerde daar wat aan te doen. De toen achttienjarige Louis Blankenberg was de grote inspirator van het genootschap.

Onderweg naar het kantoor van levensverzekeringsmaatschappij La Populaire in de Parijse binnenstad begaf zijn hart het. Drie dagen later, op vrijdag 9 december 1927 werd Louis Blankenberg (Amsterdam, 1852) gecremeerd op begraafplaats Père Lachaise. De Nederlandse ambassadeur, John Loudon, was ‘verhinderd’, maar er waren bloemen en kransen uit Amsterdam. Van familie en vrienden, van De Vrije Gemeente, van de Nederlandsche Vereeniging voor Armenzorg en Weldadigheid en van het genootschap Liefdadigheid naar Vermogen (LNV), dat Blankenberg in 1871 op 18-jarige leeftijd had opgericht.

Lappendeken van instellingen

In hun boek Liefdadigheid naar Vermogen duiken Maarten van der Linde en Ties Limperg in leven en werk van de grote inspirator achter het Amsterdamse genootschap. De jonge Blankenberg zag in Amsterdam de verpaupering en de armoede, maar was ook getuige van particuliere aanleg van de eerste waterleiding en het Vondelpark. En hij raakte onder de indruk van arts, ondernemer en bankier Samuel Sarphati (1863-1866), de man achter het Paleis voor Volksvlijt, de eerste stedelijke vuilnisophaaldienst en een broodfabriek.

De Amsterdamse armenzorg was toen nog een lappendeken, beheerst door religieuze instellingen. Katholieken, hervormden, joden, gereformeerden, remonstranten, doopsgezinden, lutheranen en Waals-hervormden hadden allen hun eigen armenzorginstellingen. Van weeshuizen tot hofjes voor ouden van dagen.

Ongedateerde foto van Louis Blankenberg, een van de oprichters van de vereniging Liefdadigheid naar Vermogen.

De religieuze regentencolleges wilden niets weten van bemoeienis van buitenaf, maar moesten na 1860 door geldzorgen taken afstaan aan de gemeentelijke armenzorg. Volgens Blankenberg was de hulpverlening van de overheid slechts toereikend om mensen niet te laten sterven. Met LNV wilde hij de oorzaken van armoede aanpakken, door verheffing en het bevorderen van de eigen verantwoordelijkheid. De hulpverlening was persoonlijk, vrijwillige huisbezoekers hielpen maximaal vijf arme gezinnen, ook om bedrog te voorkomen.

In 1872 begon Blankenberg als jongste bediende bij het Onderling Levensverzekering-Genootschap. Hij schopte het daar tot adjunct-directeur en in 1883 werd hij directeur van de Algemeene Maatschappij voor Levensverzekering en Lijfrente. De Algemeene was tussen 1890 en 1920 de grootste en modernste verzekeringsmaatschappij in zijn soort in Nederland. Sociaalliberale jongeren als Blankenberg zagen in verzekeren een vorm van verantwoordelijk leven.

Verwarde kunstenaar

Blankenberg verbleef van oktober 1881 tot november 1882 voor de Algemeene in Nederlands-Indië. Eenmaal terug in Amsterdam, werd hij huisbezoeker voor LNV. Twee jaar later keerde hij terug in het bestuur, eerst als secretaris later als voorzitter. Daarnaast was hij gemeenteraadslid en bestuurslid van het Burgerlijk Armbestuur, de rechtsopvolger van de oude regentencolleges van gestichten en gasthuizen. En medeopsteller van het in 1895 verschenen invloedrijke nutsrapport Het Vraagstuk der Armverzorging.

Het liefdadigheidswerk bleek niet zonder gevaar. Op woensdag 7 oktober 1911 belde een zenuwzieke kunstenaar aan bij Blankenbergs huis in de Vondelstraat. Gewapend met een pistool eiste de man geld uit het depot dat zijn moeder bij LNV had gedeponeerd voor zijn geestelijke verzorging. Maar dat bedrag was al uitgekeerd, en LNV had uit eigen reserves zelfs zijn sanatoriumkosten betaald.

De kunstenaar werd afgescheept door het dienstmeisje en vervolgens aangehouden en veroordeeld. Blankenberg zocht zijn belager op in de gevangenis: ‘Hij had mij een brief geschreven om vergiffenis en die wilde ik hem eens persoonlijk gaan brengen. Triest bezoek!’

Geen salaris

Op zijn zeventigste verjaardag verhuisde Blankenberg naar Parijs. Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog was De Algemeene in financiële moeilijkheden geraakt. Als directeur van de Algemeene werd Blankenberg daarvoor medeschuldig gehouden. En dan was er nog een in 1915 afgesloten persoonlijke lening van 80.000 gulden. Chris van Eeghen, voorzitter van de Kamer van Koophandel en voorzitter van LNV, blikte in 1963 op de affaire terug: “Vele gedupeerden konden niet nalaten de verzekeraar en de filantroop, zij het ten onrechte, in hun beschouwingen te vermengen. Na de afwikkeling der zaken van de Algemeene was het dus uitgesloten voor Blankenberg hier te lande een werkkring te vinden.”

Tot zijn plotselinge dood in december 1927 werkte Blankenberg bij La Populaire, een Parijse levensverzekeringsmaatschappij waarvan de Algemeene grootaandeelhouder was. Hij ontving geen salaris, slechts een bescheiden maandelijkse onkostenvergoeding. Het berooide verblijf in Parijs voelde als een verbanning, het ontbrak hem zelfs aan geld voor een krantenabonnement.

In november 1927 was hij voor even weer terug in zijn geliefde Amsterdam. Voor het bijwonen van het tweedaagse gouden lustrumfeest van de Vrije Gemeente, waarvan hij de laatste nog levende oprichter was. Noodgedwongen met het vliegtuig, hij wilde zijn vrouw ‘die nog al aan de sukkel’ was niet lang alleen laten.

Maarten van der Linde en Ties Limperg, Liefdadigheid naar Vermogen, door en voor Amsterdamse burgers 1871-1941. Uitgeverij Verloren, € 35,00.

De Vrije Gemeente

Louis Blankenberg behoorde in 1877 tot de groep van zestig leden van de Amsterdamse Hervormde Gemeente die een eigen nieuwe, zelfstandige kerkvereniging oprichtte: de Vrije Gemeente. Nieuwe leden werd niet de maat genomen, belangstelling en liefde voor godsdienstig ethisch leven volstond. Aanvankelijk werden de bijeenkomsten gehouden in zalencomplex Maison Stroucken aan de Leidsekade, het huidige Theater Bellevue. Maar al snel werd voor de bouw van een eigen onderkomen een braakliggend terrein aangekocht langs de Singelgracht. Op 2 mei 1880 werd het verenigingsgebouw opgeleverd, sinds 1968 het onderkomen van muziektempel Paradiso.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden