Plus Geschiedenis

Koningin Juliana danst De Zevensprong

Het ging niet goed met de jeugd, was de boodschap van een item in het Polygoon Journaal over baldadige kinderen in 1947. Daar moest iets aan gedaan worden. Koningin Juliana deed graag mee.

Koningin Juliana werpt een bal naar de jongleur, tijdens de eerste voorstelling van kindercircus Elleboog op 18 augustus 1949. Beeld Nationaal Archief/Collectie Spaa

De Amsterdamse schoolkinderen zetten hun beste beentje voor. Op 19 augustus 1949 stonden er duizenden in de mot­regen bij de Oude RAI in de Ferdinand Bolstraat in afwachting van koningin Juliana, die daar de tentoonstelling Jeugd van Nederland kwam openen. Nadat de majesteit was uitgestapt speelde het jeugdorkest van de Volksmuziekschool ‘op waarlijk voortreffelijke wijze’ Oudhollandse boerendansen, aldus het Algemeen Handelsblad. Juliana ging naar binnen en opende de tentoonstelling.

Jeugd van Nederland bestond uit presentaties van maatschappelijke, godsdienstige en sportieve organisaties die zich met jongeren bezighielden. Minister van Onderwijs Theo Rutten (KVP) had een rede gehouden voor de radio, waarin hij erop wees dat de jeugdzorg er na de oorlog maar slecht voor stond: “De wereld is vol dreiging en onzekerheid, het leven is moeilijker, en er is een tekort aan huizen, scholen, leerkrachten, ziekenhuizen, geld en goederen. Het geboortecijfer is gestegen; 40 procent van ons volk wordt gevormd door de jeugd van nog geen negentien jaar oud. Die jeugd zal moeten opgroeien gezond naar lichaam en geest.”

Gehavende gezinnen

Allerlei vaste waarden stonden op losse schroeven. Het gezin in de eerste plaats: jaarlijks zouden 88.000 kinderen de dupe zijn van echtscheidingen. Gezinnen waren gehavend door de oorlog en ouders soms getraumatiseerd, en de woningnood was hoog, dus hingen verwaarloosde kinderen doelloos rond op straat. Het Polygoonjournaal maakte daar in 1947 gewag van.

Amsterdamse jongens en meisjes werden op het hoofdbureau van politie toegesproken door een vervaarlijke agent, omdat ze door het leven op straat en het gebrek aan huiselijkheid baldadig gedrag vertoonden. Vervolgens liet het journaal de erbarmelijke omstandigheden zien waarin ze opgroeiden: grauwe smalle straten in troosteloze volksbuurten, zonder groen en voorzieningen. “In huizen waarin elke kleur en elke vreugde ontbreken en waar jeugd opgroeit volledig zonder leiding, is het dan verwonderlijk dat deze jeugd zijn vertier op straat zoekt?”

De initiatiefnemers van de tentoonstelling zagen die zorgelijke ontwikkelingen vooral in termen van een gebrek aan ‘volkskracht’, het vermogen van burgers zichzelf bij de lurven te pakken. Dat gebrek werd in religieuze kringen breed gevoeld. Koningin Juliana was beschermvrouw van het evenement en prins Bernhard voorzitter van het erecomité, waarin ook kardinaal Jan de Jong en predikant Koeno Grave-meijer, secretaris van de Hervormde Synode, zitting hadden. Alleen de orthodoxe christenen waren niet vertegenwoordigd, omdat de tentoonstelling ook op zondag open zou zijn.

“De geestelijke afbraak van de oorlog moet tot iedere prijs in opbouw veranderen,” zei de koningin in haar openingstoespraak. “Alles staat of valt immers met de geestkracht van onze jeugd.” De tentoonstelling markeerde het gevoel dat ‘de jeugd van tegenwoordig’ als een aparte bevolkingsgroep moest worden gezien, tussen kindertijd en volwassenheid, tussen servet en tafellaken.

Harmonica

De grote hal van de RAI stond vol met stands en bood toch een vriendelijke indruk, met veel gazons en bloemgroepen, ontworpen door architect Paul Bromberg, die drie maanden voor

de opening was overleden. Er waren vijf afdelingen: gezin, onderwijs, kinderhygiëne, kinder­bescherming en vorming buiten school­verband. De tentoonstelling richtte zich behalve op onderwijzers, jeugdleiders, artsen, rechters en sociale werkers vooral op ouders. De pers was enthousiast over de vormgeving en de sfeer: ‘Men wandelt door een nieuwe wereld, waarin elk gevoel van verloren-zijn in een onafzienbare ruimte wordt gebannen en waarin men zich in een weldadige intimiteit voelt opgenomen.’

Juliana bleef er al met al meer dan twee uur. Net 40 en moeder van vier jonge dochters, toonde ze zich vooral geïnteresseerd in de kinderen zelf. Er waren sportdemonstraties, muziek­optredens van jeugdkoren en jeugdorkesten, het Scapino Ballet trad op en in een tent stond het jeugdcircus van mevrouw Last (zie kader).

De kinderen die op ‘vrolijke tonen van een harmonica’ De Zevensprong dansten, kregen gezelschap van koningin Juliana. Haar voorbeeld werd terstond gevolgd door enkele deftig zwartgeklede heren en dames in namiddagtoiletten.

De zusjes Annie en Joke Wiedeman dansten ook mee. Als kind woonden zij van 1947 tot 1952 in het Prinses Marijkehuis van Hulp voor On­behuisden aan de Stadhouderskade. Annie ­herinnerde zich veel later: “Koningin Juliana danste zo met ons mee, de hele Zevensprong en ze ging tot op de grond hoor. Ik heb het altijd tegen mijn kinderen gezegd: ik heb met haar gedanst.”

Circus Elleboog

Kort voor de expositie Jeugd van Nederland had Ida Last-ter Haar (1893-1982) haar kindercircus opgericht, een clubhuis voor straatkinderen uit de Amsterdamse Pijp. Het heette hier nog Vrije Dressuur, maar zou al snel Circus Elleboog gaan heten – een grappige verwijzing naar het ‘grote’ Circus Knie. 

In een circustent naast de Oude RAI nam de koningin plaats op een versierde stoel aan de rand van de piste, luisterde naar het welkomstwoordje van de 12-jarige ‘directeur-pikeur’ en was zo sportief een bal terug te gooien toen de jonge jongleur erom vroeg. Circus Elleboog is in 2018 gestopt, twee jaar na het verliezen van de gemeentesubsidie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden