live

Klein geluk in Amsterdam: een hekje in het Spanderswoud

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Omdat ik het koud had en ook wegens dorst een beetje, was ik neergestreken in het café dat net als Papeneiland op de hoek van Prinsen- en Brouwersgracht ligt, maar dan aan de andere kant van het water.

    De naam van het café was me ontgaan, maar ik wist dat ik hem wist en toen het meisje kwam om af te rekenen, stelde ik haar drie vragen: “Hoeveel krijg je van me?” (twee vijftig), “Hoe laat is het?” (precies drie uur), “Is dit café ’t Smakzeil?” (klopt).

    Eenmaal op straat had ik het meteen weer koud, maar de bruggen die me richting Langestraat voerden, maakten veel goed. In de Langestraat denk ik aan mijn ­ouders. Als veertienjarige werkte mijn vader hier bij een smederij, als zestienjarige werkte mijn moeder bij drukkerij De Weduwe G. van Soest (‘Degelijk Werk Gaat Voor Succes’).

    Als mijn moeder tijdens haar pauze voor de drukkerij haar ­boterham zat op te eten en mijn vader op zijn bakfiets voorbijkwam, zeiden de andere meisjes van de drukkerij: “Kijk, je smidje.” Dat was in 1928.

    Bij drukkerij Van Soest ben ik als kind wel geweest, maar waar het precies was, weet ik niet meer, ­zoals ik ook niet weet waar de smederij zat waar mijn vader werkte.

    We weten maar weinig, blijkt telkens weer. Heeft hij haar aangesproken of zij hem? Wat ­deden ze op hun eerste afspraak? Een jaar later zaten ze samen op een hekje in het Spanderswoud, heel jong en heel gelukkig, een heel leven voor zich, een leven dat behoudens de slotakkoorden lang niet slecht is uitgepakt.

    Dit alles overdenkend loop ik neuriënd de Langestraat uit, want: ‘Leentje leerde Lotje lopen/ Langs de lange Lindelaan/ En toen Lotje goed kon lopen/ Is ze weer naar huis gegaan.’

  2. Als jongen, ik denk dat ik tien was, heb ik eens ­iemand van een balkon zien vallen. Het gebeurde in de zomer, tijdens de zomervakantie meen ik me te herinneren. De straten lagen verlaten in ieder geval, het was warm en ik liep me te vervelen.

    Midden in de straat op een balkon op een tweede verdieping was een stel kinderen aan het spelen. Er werd ­geduwd en getrokken, ze gooiden elkaar met water, en op een stoeltje tegen het hek van het balkon stond een jongetje bellen te blazen. De zeepbellen met hun kleine regenbogen dreven door de straat. Ik volgde ze met mijn blik tot ze uiteenspatten en keek dan weer naar het jongetje dat met een stenen pijpje de bellen blies.

    Tot hij van zusje zo’n zet kreeg dat hij voorover over het balkonhek viel en aan zijn eindeloze tuimeling begon. Hij viel en viel en viel totdat hij tegen de stoep smakte en van alles brak. Ik had het gezien. Het was mijn verhaal. Dat ik vaak verteld heb. En nog steeds vertel.

    Vijfenzestig jaar later heb ik mij, voor het eerst, ondergedompeld in Les Misérables van Victor Hugo, een beest van een boek dat alle kanten tegelijk op gaat en tegelijkertijd nauwgezet de plot volgt rond Jean Valjean en Javert, Marius en Cosette. Het derde deel, waarin Gavroche opduikt, is een verhandeling over de straatjongens van Parijs die uiteraard heel anders zijn dan straatjongens uit andere steden, maar er toch veel van weg hebben.

    Zo zegt Hugo een straatjongen te hebben gekend die zeer gerespecteerd en gewaardeerd werd omdat hij een keer iemand van een van de torens van Notre Dame heeft zien vallen. Een balkon in de­ ­Esmoreitstraat is geen Notre ­Dame, maar toch.

  3. Zoals markten bedoeld zijn

    Toen in de 3 het Marnixplein werd aangekondigd, stond ik op en posteerde me bij uitgang.

    “Ga nog maar even zitten,” zei de man die achter mij had gezeten. “Dat wordt april.”

    Inderdaad bleek het nog wel even te duren voor we bij de Willemsstraat waren aangeland. Het eerste wat ik daar zag, was een galerie waar Minnie Mouse-schilderijen tentoongesteld werden. Minnie Mouse als Marie Antoinette, Minnie Mouse als Madame Pompadour en vul verder zelf maar in.

    Het was zaterdagmiddag en ­waterkoud. Op een afgedankte ijskast lag post van de Postcode Loterij die 58 miljoen in de aanbieding had, een eind verderop in de straat bracht een draaiorgel 'Let it snow' ten gehore.

    Ik liep de Tweede Goudsbloemdwarsstraat in en maakte halt en front voor een sigarenwinkel waar een grote, enigszins vergeelde poster Oei, oei, oei (‘dat was me weer een loei’) van Johan Cruijff aankondigde. Op de begeleidende foto droeg Cruijff een koptelefoon en hij lachte. Op een door hem gesigneerde foto werd gevoetbald, naast de foto lag een paar eeuwenoude kicksen. Zou Johan er op gevoetbald hebben?

    De zaterdagse Lindengrachtmarkt bleek nog altijd een markt zoals markten bedoeld zijn. Geen stroopwafels en houten tulpen ­bedoel ik, maar fruit en vis en vlees, bloemen en grappige pantoffels natuurlijk.

    Een koor liet ten bate van Artsen zonder Grenzen stemmige liederen horen en het beeld van Theo Thijssen, zag ik, maakte deel uit van een groentekraam. De lessenaar waarop de bronzen Thijssen plaatsgenomen heeft, was geheel overdekt met boerenkool waar net de eerste vorst overheen geweest was.

    Precies op deze plaats, herinnerde ik me, had ik eens een kraam gezien waar ze voor een rijksdaalder schilderijen van Kees Manders verkochten. Minnie Mouse was er niks bij.

  4. Voor altijd verdwenen

    Mijn vriend Peter van der Winde, die het op de Eerste Vijf aan de Keizersgracht net als ik niet erg naar zijn zin had, had een klein rood fietsje waar hij verbazingwekkend hard op fietsen kon. Ik had geen fiets van mezelf. Toen ik te groot was geworden voor mijn jongensfiets, mocht ik de fiets van mijn moeder, een sportfiets met drie versnellingen en trommelrennen. Maar geen slot.

    Als je op zaterdagmiddag naar de stad ging, zoals Peter en ik dat vaak deden, gaf dat problemen. Want de stalling kostte een kwartje en dat kwartje kon je beter gebruiken dan voor de fietsenstalling.

    Maar wat als je moeders fiets aan het einde van de middag gestolen bleek? We besloten het risico te nemen en zetten onze fietsen tegen de Nieuwe Kerk, die van mijn moeder achter het rode fietsje van Peter, dat wel op slot kon.

    Het was druk op de Dam. Er werden duiven gevoerd en voor de ­gesloten poppenkast zaten kinderen op Jan Klaassen te wachten. De fotograaf fotografeerde een meisje, een meisje met blond haar en een glimlach en toen ik haar zag, was ik verliefd.

    Peter wilde naar de platenafdeling van de Bijenkorf, maar nee, nee, ik was verliefd, ik moest erachter komen hoe het meisje heette, haar adres vragen aan de fotograaf. Toen ik de fotograaf aan- sprak, zei hij dat hij daaraan niet beginnen kon. Geld zou geholpen hebben, denk ik, maar ik had geen geld en toen de fotograaf klaar met mij was, was het meisje verdwenen.

    We liepen door de Kalverstraat en over het Spui, langs het Rokin naar het Damrak en over de Nieuwendijk weer terug, maar ze was weg, voor altijd verdwenen. Maar mijn fiets stond er nog gelukkig.

  5. Kopjes en schoteltjes

    Als ik een nieuwe winkel zie, heb ik heimwee naar de oude, hoewel ik vaak meteen al niet meer weet wat er vroeger zat. Een winkel waar ze bosjes potloden verkochten, nog van voor de oorlog? Of deden ze in gitaren, banjo’s, ukelele’s?

    Ging het om kandelaars en kroonluchters misschien en hoe heette de serviesgoedwinkel op de hoek van de Kalverstraat en ’t Spui ook alweer? Waar eens, bij de bloemenkraam, de man met ballonnen stond.

    Drie verdiepingen met kopjes en ­schoteltjes, borden en bordjes, vleesschalen, botervlootjes en juskommen van een breekbare schoonheid, waar mijn moeder dol op was en ik nerveus van werd. Focke & Meltzer, ineens weet ik het weer.

    Focke & Meltzer heeft plaatsgemaakt voor Waterstones, wat een mooie boekenwinkel is. Want soms loopt het goed af en niet al het nieuwe is per se verwerpelijk.

    Zo ben ik heel benieuwd naar de Tuin van Bret bij station Sloterdijk en werd ik aangenaam verrast door de spierwitte beelden van mannen en vrouwen die op de aanlegsteiger van de Hermitage op een bankje in alle stilte op hun telefoon zitten te kijken.

    En dan de nieuwe aanlegsteigers voor CS, wat ­komen die daar doen? Vanaf de Nieuwezijds Kolk liep ik er naar toe. Langs de Wildeman en Van Beeren, door de steeg waar lang geleden Bolle Jan in café de Kuil zijn vieze verzen ten gehore bracht, naar het Damrak.

    Bij de zebra voor het Victoria dat ze om de een of andere reden weer eens aan het verbouwen zijn, stonden borden die ‘onderwater werken’ meldden en ’10 tijdelijke steigers’ alsmede ’53 nieuwe bomen’. Zou het plantsoentje terugkeren? Als dat zo is, wil ik ook Prins Hendrik terug.

  6. Met 120 km per uur door de Tarzanbocht

    Op een gegeven ogenblik bleek dat Hansje van Staveren die in de ­Esmoreitstraat een verdieping lager naast ons woonde, piano spelen kon. Geen toonladders of hakkelende Für Elize zoals onderwezen op pianoles, maar vrolijke wijsjes van de radio.

    Als hij Tea for Two of How Much Is That Doggie In The Window begon te spelen, zei mijn moeder “Hansje zit te spelen” en zette ze gauw de balkondeur open.

    Ik sprak de kleine pianist, inmiddels een man van in de zeventig, op de Esmoreitstraatreünie van afgelopen november. Hij vertelde me dat hij op zondag wel eens met mijn vader en moeder in de auto mee mocht naar Zandvoort, waar ze dan rondjes draaiden op het circuit.

    Met honderdtwintig door de Tarzanbocht, met een Volkswagen, hij vond het wel wat.

    Bij de familie Dikker, een eindje verderop in de straat hadden ze ook een auto, hoorde ik op dezelfde bijeenkomst. Indertijd is mij dat ontgaan. Hoe het kan, is me een raadsel, want auto’s waren een bezienswaardigheid.

    In ons deel van de straat stonden er vier, de ‘Gun ze roggebrood van de Hunze’-Bedford van oom Dirk, de Volkswagen onder permanente parkeerhoes van Gerrit ‘Hoessie’ de Zoete aan de overkant, de Hoge Hoed van de man van de stomerij en onze eigen Volksfiets.

    Bij Dikker hadden ze een groene DKW, nummerbord PP-35-88. Op de voorportieren stond ‘Preciosa, de bril die U staat’. Nadat de r was weggekrast, stond er dus ‘Preciosa, de bil die U staat’.

    Op zondag gingen de drie kinderen Dikker met hun vader naar Zandvoort. Naar het strand, dacht hun moeder die lekker thuis een boek zat te ­lezen. In werkelijkheid raceten ze op het circuit – ‘harder pap, harder pap’ – met 120 kilometer per uur door de Tarzanbocht.

  7. Een doorzichtige ballon

    Onze traditionele nieuwjaarswandeling begon dit jaar in de Linnaeusstraat. Nadat we op de halte Oostpoort de 19 hadden verlaten, begon mijn geliefde liefdevol te klagen dat ze dit maar een matig stukje Linnaeusstraat vond.

    In Leeuwarden, waar ze vandaan komt, hadden ze net zo’n straat en in Amersfoort, waar ze gewoond heeft ook, en dan deed het haar tot overmaat van ramp ook nog denken aan een straat in Den Helder.

    Tijdens haar ode aan de provincie huppelde er een ballon voor ons uit, een doorzichtige ballon met daarin kleurige papiersnippers die vrolijk met de ballon meedraaiden, van de stoep naar de weg naar de stoep en weer terug.

    Het leek wel of hij ons de weg wou wijzen, want hij draaide zo de Transvaalkade op, waar we, omdat we de Ringdijkkant verkozen, toch afscheid van hem moesten ­nemen.

    Het was stralend weer en stil op de dijk. Ter hoogte van de Vergulden Eenhoorn werden we tegemoet gefietst door twee piepkleine fietsjes die werden bereden door twee piepkleine meisjes van wie de ene nog kleiner was dan de andere.

    “Plus negenentachtig maakt honderd,” zei de grootste tegen de kleinste toen ze ons voorbij fietsten. Op hetzelfde moment zag ze beneden aan de dijk een vriendje lopen. “Gijs!” riep ze en ze zwaaide, maar Gijs keek niet op of om.

    Bij de kamelen gingen we onder het viaduct door en aan de Amstel zochten we een tafeltje in café Weesper. Waar we nog nooit geweest waren en dat niet alleen prachtig bleek met al dat water aan de ene kant en voorbijrijdende treinen aan de andere, maar waar door Wisse ook nog eens de lekkerste viskroketjes ter wereld werden geserveerd. Zelden was het nieuwe jaar zo mooi begonnen.

  8. De namen van Sientje en Anne

    ‘Lang niet gezien,” zei de portier van het ­Niod toen ik me bij hem meldde om mijn pasje te scannen. “Ik had het even helemaal gehad,” zei ik. De portier was een en al begrip, want inderdaad, het was niets als narigheid.

    Ik liep langs de kleine Mauthausenexpositie in de gang, legde mijn spullen in een locker en zei tegen de dame aan de balie waarvoor ik kwam, het register voor de stad Amsterdam van de verplichte aanmelding van personen van Joodse bloede uit februari 1941, het begin van het tragische einde.

    De eerste keer dat ik hier kwam, ruim tien jaar geleden, had ik een deportatielijst aangevraagd, dé deportatielijst dacht ik toen nog. De lijst kwam in een blauw omslag waar ik minutenlang naar heb zitten kijken zonder dat ik het durfde openslaan.

    Toen ik het eindelijk opensloeg, zag ik een stapeltje doorslagpapier, dertig velletjes, stuk voor stuk gevuld met namen gevolgd door een geboortedatum. Meer niet, maar het was genoeg om me dagenlang van streek te maken.

    De dame achter de balie zei dat het register niet beschikbaar was, omdat het gedigitaliseerd werd. Tien jaar geleden had ik het register aangevraagd om de aanmelding van Abraham Abram, Mietje Gans en hun kinderen Mozes, Aron, Izak en Sientje Abram te ­bekijken.

    Nadat ik een kopie had gemaakt, bladerde ik door naar de F, de F van Frank, hoewel ik er vrijwel zeker van was dat de aanmelding van Anne Frank door souvenirjagers gestolen zou zijn. De bewuste pagina bleek op zijn plaats.

    Tien jaar later had ik de pest in dat ik niet bij het register kon, maar tegelijkertijd was ik opgelucht dat in ieder geval de namen van Sientje en Anne en al die ­anderen veilig waren.

  9. Twee maal een kwart omabrood

    Bij boekhandel Premsela voor de deur stonden twee mannen met elkaar te praten. “Er vlogen twee straaljagers over,” zei de man die aan het woord was, “en ze vlogen zo onder de geluidsbarrière door.”

    Ik was inmiddels de winkel binnen gegaan dus hoe dat afliep, kan ik helaas niet vertellen.

    Nadat Sander me het piepkleine boekje met foto’s van Willy Ronis had overhandigd dat ter gelegenheid van de grote Ronistentoonstelling in Parijs was verschenen, kregen we het over de kunstveilingen van de NRC.

    Ik vertelde dat ik wegens heibel een keer overwogen had een aantal foto’s van een beroemde Nederlandse fotograaf naar de veiling te brengen, maar dat dat zo ingewikkeld was, dat ik er meteen weer vanaf had gezien. “Als je geld nodig hebt, kan je het altijd nog doen,” zei Sander.

    “Maar ik heb helemaal geen geld nodig,” zei ik.

    “In dat geval,” zei hij, “moet je meer dure boeken bij mij kopen. Dan krijg je vanzelf geld tekort en kun je die foto’s alsnog laten veilen.”

    Bij Small Talk op de hoek met de Willemsparkweg, zag ik, hadden ze de klok die boven de deur hing weggehaald. Hij liep wel, maar als een dwaas en zoals bekend, kun je dan nog beter een klok hebben die stilstaat, of helemaal geen klok.

    Ik had gelukkig tijd zat en vervoegde me bij het Vlaamsch Brood­huys voor twee maal een kwart omabrood ongesneden in een papieren zak. “Wat leuk dat u dat zo noemt,” zei het broodmeisje.

    De Franse schrijver Alphonse ­Allais vertelde eens dat hij iemand die ‘bonjour’ tegen hem had gezegd, geantwoord had met ‘bonjour toi-même’, zodat ik nu “Wat leuk dat je dat leuk vindt,” tegen het meisje van het brood kon zeggen.

  10. Maar wij zijn er nog

    Met mijn vrienden van het Spinoza Lyceum zat ik in de Albert Cuyp in een restaurant tegenover de Frans Halsstraat, waarvan we, omdat we aan het raam zaten, net het sluitstuk konden zien. We zaten bij Orontes, waar het zoals gewoonlijk goed toeven was.

    Als we met zijn drieën uit eten gaan, wat zo’n drie keer per jaar gebeurt, gooit mijn vriend van te voren vaak een tienpuntenvraag in de groep.

    Die kan over Laurel & Hardy gaan (‘In welke film eet Stan het kunstfruit van de fruitschaal op?’) of over cafémuziek uit de jaren zestig (‘Wat was de grootste hit van Sam the Sham?’), maar deze keer vroeg de tienpuntenvraag naar een tekst van Eartha Kitt die Mia op de muur van haar kamer had staan.

    Toen we allemaal nog jong waren, woonde Mia in de Vechtstraat, maar toen ik laatst door de Vechtstraat fietste, bleek ik niet meer te weten waar.

    Op 112, mailde mijn vriend, ‘ik dacht tweehoog, maar je blik dient zich natuurlijk te verheffen naar het raam van haar zolderkamer, waar…’ En toen kwam die vraag over Eartha Kitt.

    Tijdens het dessert bracht ik de vraag ter sprake, waarna Dorine, de dame van het gezelschap, grote ogen opzette, want die tekst van Eartha Kitt stond niet op de kamer­muur van Mia, maar op de hare: ‘A lady loves beaucoup d’amour.’

    De tekst werd er niet minder door en ook niet minder waar.

    Een paar jaar nadat we van school af waren, zijn we alle drie getrouwd. Later zijn we alle drie gescheiden en inmiddels zijn onze drie voormalige echtgenotes alle drie overleden.

    Maar wij zijn er nog en we zaten bij Orontes aan de koffie, die we ons goed lieten smaken.