live

Klein geluk in Amsterdam: De stad is vol dwanggedachten

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Ze had nog de hele dag

    De enkele keer dat ik vroeg de deur uitga, verbaas ik me altijd over de activiteiten die al gaande zijn.

    De fietspaden zijn vol fietsers, de bakkers in hun ­witte werkkleding pauzeren voor de bakkerij met een beker koffie en een broodje, kappers knippen en de bloemenwinkel die tevens een galerie is met aan zijn wanden bloemstillevens en stadsgezichten, heeft de bloemen buiten gezet. Of je in een parallel universum terecht bent gekomen.

    Ik zit in de tram en kijk naar de jonge vrouw aan de andere kant van het gangpad. Ze draagt een uniform met daaronder schoenen die zo glimmend zijn gepoetst als alleen uniformdragers schoenen poetsen kunnen. Ze ziet eruit ­zoals ik me in de vroege morgen vaak voelde, vroeger.

    Dit als gevolg van de voorbije nacht, waarin het ene glas het andere uithaalde en het ene café als vanzelfsprekend naar het volgende had ­geleid. Ik hield van de stilte die voorafging aan het moment dat het ­leven in de stad hervat werd.

    De plotselinge vuilniswagen, een rolluik dat rammelend omhoog ging, de zon die door de wolken brak en de overkapping van het Centraal Station verlichtte.

    De jonge vrouw had een vreselijke kater. Hij stond haar goed en ze had nog de hele dag om ermee te leren leven.

    Toen ik die avond met de laatste tram naar huis reed, zaten er naast mij twee jongetjes die allebei een klein voorwerp in hun hand hielden, een soort rad, dat ze konden laten draaien en dat dan strepen licht liet zien. “Wat is dat voor ding?” zei ik.

    “Een spinner,” zei
    de ene jongen. “Alstublieft,” zei de andere, terwijl hij mij zijn ­ma­sjientje overhandigde, “die is voor u.”

    Even later liep ik spinnend door de nacht.

  2. Wat precies is een pleintje?

    Met enige regelmaat begin ik kleine verzamelingen. Zo spaar ik sinds een jaar of twee platgereden en bij voorkeur roestige kroonkurken van bierflesjes. Ik heb ze van Amstel en Heineken, van Jupiler, Texels, Grolsch, Argus en van merken die ik door de roest niet kan ontcijferen.

    Het aardige van de verzameling is dat hij de blik omlaag dwingt, waar zoals je al snel merkt veel te zien is.

    De schoonheid van putdeksels is vaak bezongen, maar het is toch anders als je ze in hun natuurlijke omgeving bekijkt in plaats van op een foto. Je vindt spijkers en schroeven en af en toe een platgewalste kroonkurk voor de verzameling, heerlijk ogenblik.

    Naast kroonkurken verzamel ik naamloze pleintjes. Wat niet eenvoudig is, want wat precies is een pleintje en wanneer is het naamloos?

    De straat die je van de J.M. Coenenstraat naar de Harmoniehof voert, brengt je bij een piepklein en driehoekig parkje, waar het voor jeugdige geliefden goed toeven is.

    Vanaf het bankje dat zij vrijwel permanent bezet houden, kijk je op een alleraardigst pleintje. Straat, parkje en pleintje heten Harmoniehof wat volgens mij een beetje veel van het goede is, maar of het pleintje in mijn verzameling hoort, ik ben er nog niet uit.

    Mijn derde recent begonnen verzameling betreft foto’s die je aantreft op de plaats die op de foto te zien is. De foto van de haringkar op het Haarlemmerplein die in de haringkar hangt, is een mooi, maar niet helemaal juist voorbeeld.

    De foto van de Gerard Doustraat gezien vanaf de hoek van de Ruysdaelkade 105, waar rock- en bluesgitarenwinkel de Plug zetelt, is niet mooier maar wel een beter voorbeeld. Hij hangt op 8b in de etalage.

  3. Ze snijden door de lucht

    Ze zijn terug, ze zijn terug. Ze scheren weer over de daken en jagen weer hoog door de straten, ze snijden door de lucht en schreeuwen, maar het is niet hun naam.

    Dit is het moment om in een niet al te goed opgeknapte negentiende eeuwse buurt, in Pijp, Kinkerbuurt of Helmerskwartier een beetje slordige straat op te zoeken en daar een goede uitkijkpost te kiezen om vanaf de grond het schouwspel in den hoge in de ­gaten te houden.

    Negenduizend kilometer gevlogen om terug te keren op een nest in de Nicolaas Beetsstraat of het Bellamypleintje, een paar dagen bijkomen en dan weer aan de slag. Want er moeten eieren worden ­gelegd en uitgebroed en jongen grootgebracht.

    In de negentien uur per dag dat er gevlogen wordt, moeten honderdduizenden insecten gevangen worden.

    De gierzwaluwen vliegt in groepen, en binnen de groep in paartjes, die elkaar in duettoon beschreeuwen, een heerlijk geluid, dat net zo bij de stad hoort als het bellen van de tram.

    Gierzwaluwen lijken altijd ver weg. Zelfs als ik op vier hoog op mijn balkonnetje in de Bosboom Toussaintstraat stond, leken de gierzwaluwen ver bij me vandaan. En als er een vlak langs me vloog, deed hij dat zo snel dat ik hem niet beter zag dan vanuit de verte.

    Tijdens een dodenherdenking op de Apollolaan zag ik eens een gierzwaluw uit de lucht vallen. Gierzwaluw op de stoep, vlak voor mijn voeten. Maar toen ik hem wilde pakken, vloog hij op en landde in een boom.

    De Franse dichter René Char schreef een gedicht over de gierzwaluw dat zo begint: ‘Gierzwaluw met te grote vleugels, die zijn vreugde/ zwenkt en krijst rondom het huis, zo is het hart.’

  4. De Kalverstraat op Koninginnedag

    Iedere keer als ik de stad in ga, lijkt het drukker geworden. Meer en grotere groepen worden rondgeleid door gidsen met steeds langere stokken waaraan grote vlaggen wapperen, steeds meer jongelui stuntelen op gehuurde fietsen over de fietspaden, waarop steeds meer mensen maar een potje raak lopen.

    Mijn ogen zitten van voren en van ­achteren, bellen helpt niet en je hebt al je stuurmanskunst nodig om zonder schade aan fiets of toerist door de menigte heen te manoeuvreren.

    Het is iedere dag ‘zo druk als de Kalverstraat op Koninginnedag’, zoals de uitdrukking eens luidde.

    Als de uitdrukking werd gebruikt, volgde altijd het verhaal over het zogenaamde ‘burgemeesteren’, een geheimzinnig ritueel, waarbij een grote groep meiden een jongeman insloot die een paar tellen ­later poedelnaakt op straat stond: koninginnedag, dat je hossen mag!

    Ik had een vriendin die geen ­‘koninginnedag’ kon zeggen. ­“Jelka, zeg eens koning.” ­“Koning,” zei Jelka. “Jelka, zeg eens ‘koningin’. “Koninging,” zei Jelka en zo werd koninginnedag tot koningingedag.

    Jelka was knap, brutaal en zat op hockey. Niet bij de Steekneuzen, “ben je mal”, maar gewoon bij AMVJ, in het Bosplan.

    Jelka had altijd een groepje aanbidders om zich heen en tegen mij zei ze vaak dat ik nodig eens iets aan mijn ­‘vocabulère’ moest doen.

    Toen we van school waren, heb ik haar nog twee keer gezien. De eerste keer was ze op weg naar ­Jeruzalem waar ze iets ging doceren. De tweede keer was in café het Hooischip aan de Amstel.

    Ze ­herkende me aan mijn stem. Ik herkende haar omdat ze mij ­herkende. “Jelka,” zei ik, “zeg eens ‘koningin’.” “Koninging,” zei ­Jelka.

  5. Urenlang monopoliën

    Tijdens de meivakantie hebben we in wisselende samenstellingen steeds een stuk of drie, vier kinderen over de vloer gehad, jongens en meisjes, zo tussen de zes en de twaalf.

    Om de een of ­andere reden dacht ik dat kinderen vandaag de dag de hele dag op hun telefoon zaten te kijken en nauwelijks een woord met elkaar wisselden, maar niets bleek minder waar. Ze zaten gewoon urenlang te monopoliën of te hartenjagen en over de spelletjes te hakkentakken, heel herkenbaar allemaal.

    Af en toe kwam een moeder er een halen of brengen en dan hoorde je nog eens wat, want, dat moet gezegd, over hun privéleven ­waren de kinderen niet erg mededeelzaam.

    De moeder van Manuel (11) vertelde over hun verhuizing van de Jordaan naar Nieuwendam en over de eerste keer dat ze haar zoon na de verhuizing van school kwam halen, zijn oude school in de Jordaan. Maar al wie er uit school kwam, geen Manuel, en bellen kon ze hem niet, want hij had geen telefoon.

    Dodelijk ongerust was ze tenslotte naar huis gereden. Waar Manuel al op haar zat te wachten. Hij kent zijn stad, Manuel, zelfs de stukken waar hij nooit geweest is.

    De moeder van Nathan (6) vertelde dat haar zoon plannen had om een brug over de Atlantische Oceaan te bouwen, van Zeeland naar New York. Geen geringe ­ambitie voor een zesjarige. Hij had al becijferd hoelang het rijden was en hoeveel hotels er komen moesten onderweg.

    Intussen was er een einde gekomen aan een potje ­Monopoly en Rana zei: “Kent iemand nog een goede mop.”

    “Wat heb je,” zei Silke, ”als de je de r uit rookworst haalt?”

  6. Jammer voor de onderzeeër

    Om mijn geliefde te verrassen had ik op de Haarlemmerdijk een piepkleine gouache ­gekocht van Jaap Hillenius, de schilder die in 1999, op de Willemsparkweg meen ik me te herinneren, tragisch aan zijn eind kwam toen hij werd overreden door een tram.

    De gouache toont blije vlekken die half doorzichtig over elkaar heen schuiven en zo de lente zichtbaar maken.

    Terwijl mijn aankoopje werd ­ingepakt, raakte ik aan de praat met een schilderes die mooie kippenschilderijtjes maakt.

    Er was ook een boek van, zei ze, en dat boek liet ze me zien. Toen ik het doorbladerde, werd mijn aandacht ­getrokken door een schilderij van een onderzeeër.

    “Hij lijkt op de ­onderzeeër die in Noord ligt afgemeerd bij het KNSM-terrein,” zei ik. “Het is hem ook,” zei de schilderes. “Hij is gekocht door Maarten van Rossem.” “Goed nieuws,” zei ik, “want het gaat niet goed met die onderzeeër.”

    Ik vertelde haar dat een ­inmiddels overleden columnist een tijdje terug een stuk had ­geschreven, waarin hij rijke mensen opriep geld te doneren ­zodat de onderzeeër opgeknapt kon worden.

    Als miljonair had hij toen het goede voorbeeld kunnen geven door een eerste ton beschikbaar te stellen, maar ja, hoe word je miljonair? Door zuinig te zijn.

    En zuinig was hij, de columnist, zo zuinig dat Heineken hem een keer had opgevoerd in een advertentie, waarin gesteld werd dat hun bier nu zo lekker was, dat zelfs de ­columnist in kwestie wel een rondje geven zou, maar…

    Op dat moment viel de schilderes me in de reden en zei dat Maarten van Rossem niet de onderzeeër, maar haar schilderijtje had gekocht.

    Jammer voor de onderzeeër, leuk voor het schilderij.

  7. Drieënzeventig soorten sneeuw

    Mijn Donald Duck-lach is anders dan mijn Dirk-Jan-gniffel en om Heinz lach ik ­anders dan om Hein de Kort.

    Zelf ben ik me van die verschillen niet bewust, maar mijn geliefde onderscheidt ze zoals eskimo’s hun drieënzeventig soorten sneeuw uit elkaar houden en bedoeïnen verschil maken tussen kamelen die door een zandstorm lopen en kamelen in de regen.

    “Wat lees je?” zei ze laatst toen ik tijdens mijn lectuur in een daverende lach schoot. “Bulletje en Bonestaak,” zei ik. Om de een of andere reden bleek ze die lach nog niet te hebben.

    Enige tijd geleden stond de postbode op de stoep met een doos die negentien deeltjes Bulletje en Bonestaak bleek te bevatten. ­Opgestuurd door iemand die zijn zolder aan het opruimen was en mij eens over Bulletje en Bonestaak gehoord had.

    Ik ben altijd gek op Bulletje en Bonestaak geweest. Ik houd van de droge precisie van de tekst van A.M. de Jong en van de wonderbaarlijke tekeningen van George van Raemdonck.

    Wat mij ook bevalt, is dat avonturen nog niet afgelopen zijn als ze afgebroken worden en ieder nieuw avontuur dus op een volstrekt willekeurige plaats lijkt te beginnen.

    Het mooiste avontuur vond ik in boekje negen, waarin Bulletje en Bonestaak op een onbewoond ­eiland zijn beland en kennis hebben aan de menseneter Dinsdag, die niet alleen op verbazingwekkende wijze lijkt op Oude Hein maar net als Oude Hein verbazingwekkende verhalen kan vertellen.

    Ik herinnerde me het avontuur vrijwel plaatje voor plaatje. Ik wist zelfs nog wat ‘zullie vis’ in menseneters taal was: ‘vallimmekassie’.

    Wat ik me afvraag: zag ik als kind dat Oude Hein een witte Dinsdag was en Dinsdag een zwarte Oude Hein?

  8. Maarten Moll werd kampioen

    Als je naar een tennistoernooi gaat, weet je wie je gaat tegenkomen, maar toch blijft het vreemd als je op de Valentijnkade, waar je nooit eerder bent geweest, ineens allemaal bekenden ziet.

    Hé, daar komt Maarten Moll aan gefietst, en daar zal je Henk Spaan hebben, terwijl Janneke van der Horst ­binnen blijkt te zitten. Is het een Parool-toernooi misschien? Nee, het is een toernooi van Propria Cures, u weet wel, het studentenblad sinds 1891.

    In de tijd dat ik redacteur van Propria Cures was, werd er niet aan tennistoernooien gedaan. Als de redactievergadering in het fietsenhok van Drukkerij Van Campen erop zat, liepen wij rechtstreeks naar het koffiehuis naast het stadhuis en gingen aan het bier, om een uurtje later in de speelhal op de hoek van de Oudezijds en de Damstraat te belanden.

    Onze favoriet daar was de Gator, een flipperkast waarop heroïsche duels zijn uitgevochten. Mensje van Keulen stond haar mannetje, Tim Krabbé was denk ik de beste, Koen Koch de stilist en Peter Hagtingius zou later nog wereldkampioen worden.

    ‘Hologig zwerft hij door de stad/ de geest gespitst op kwartjes/ Hij wou dat hij een tientje had/ de flipperjunkie is op pad,’ schreven Henk Spaan en ik in die dagen. En nu tennissen we dus en Maarten Moll werd kampioen.

    Op de terugweg belandden mijn geliefde en ik in Café Koosje waar we ons ouderwets bezondigden aan bier en wijn en bitterballen. Een tijdje later, op de tramhalte, stapten we tegelijk in met een dame die een peddel bij zich had.

    Tennisracket? Peddel? Ik liep eens met mijn racket onder mijn arm over de Oudezijds Achter, toen een donkere schone die voor haar kamertje te swingen stond mij wenkte. “Kom, schatje,” zei ze, “dan doen wij iets leuks met jouw peddel.”

  9. Tobi Rix en zijn toeterix

    Theo die als kind Kleine Theo heette om hem te onderscheiden van zijn vader, Grote Theo, die door neefjes en nichtjes ome ­Dorus werd genoemd, kent Oost zoals ik West ken, op zijn duimpje. Hij weet precies waar een telefooncel heeft gestaan, of een transformatorhuisje of een stadsklok.

    Op het Krugerplein stond een transformatorhuisje dat zich als pannenkoekenhuisje had vermomd. Ook was er een fontein. We waren op weg naar de straat waar zijn ome Bennie had gewoond, de oom met wie zijn vader een steenhouwerij had gedreven.

    Nadat we de Ringvaart waren overgestoken, belandden we in een stil straatje waar een man driftig zijn stoep stond te vegen. Voor zijn huisdeur stonden naast elkaar twee fietspompen, achter het raam zat een prachtige poes. De twee fietspompen waren nodig om er een functionerende fietspomp van te maken en de poes had een hartkwaal.

    “Maar,” zei de man, “die heeft ie al zolang hij leeft, en ze is zes.”

    “Hier heeft Tobi Rix nog gewoond,” zei Theo toen we door de Willem Beukelsstraat liepen. Zo kwam het dat even later in de Willem Beukelsstraat twee Amsterdamse mannen van zekere leeftijd ‘Malle vent ja, kom maar bij Rosa’ stonden te zingen.

    “Jan Kal,” zei ik, “je weet wel, de dichter van duizend sonnetten, heeft nog een tijd verkering gehad met de dochter van Tobi Rix, die ook de dochter was van Tita Tovenaar, maar dat terzijde.”

    Tobi Rix en zijn toeterix traden in die dagen veel op in Duitsland en Jan Kal heeft toen, op de wijs van ‘Ich bin von Kopf biss Fuss’ (auf Liebe eingestellt) van Marlene Dietrich deze tekst voor hem geschreven: ‘Das hier sind meine Huppen/das ist ja meine Welt/Ich bin von Kopf bis Fuss/auf Huppen eingestelt’.

  10. De achterkant van Marilyn Monroe

    Ook ons huis kent vele kamers. Zes om precies te zijn, de riante hal meegerekend.

    In deze hal hangt tussen tekeningen van Simon Vinkenoog en Remco ­Campert, schilderijtjes van Pam Emmerik en Han Bennink en een polaroid van Gerard Reve die zijn hoed opzet of juist afneemt, dat kun je op de foto niet zien, een zwart-witfoto waarop een volslanke vrouw in een witte jurk hand in hand met een man in een grijs pak van ons wegloopt.

    Bezoekers vraag ik altijd of ze de vrouw herkennen en dat doen ze. De achterkant van Marilyn Monroe blijkt net zo herkenbaar als Marilyn Monroe van voren. Nu hebben velen van ons de achterkant van Marilyn Monroe wel eens gezien. In Niagara bijvoorbeeld wordt die achterkant uitgebreid in beeld gebracht, in volle werking.

    Maar wie kan zeggen dat hij ­Samuel Beckett wel eens van achteren heeft gezien? Ik niet. Maar op foto’s waarop hij ons zijn rug laat zien, weet je het meteen, dat is Samuel Beckett. Zoals je in de man met de tas en de regenjas die je vroeger wel door de stad zag scharrelen altijd Simon Carmiggelt herkende.

    Een tijdje terug fietste ik door de Vijzelstraat in de richting van de Munt toen ik aan de overkant een goede vriend langs het Stadsarchief zag lopen. Hij ging dezelfde kant op als ik. Ik zag hem dus op de rug, maar dat hij het was, leed geen twijfel. Ik stak over en riep iets joligs als ‘Hé ouwe rukker!’ waarop hij zich omdraaide en in een nogal gepikeerde vreemdeling veranderde.

    In Genootschap De Kikker van Edgar Wallace las ik vannacht over inspecteur Elk die ‘een wonderbaarlijk geheugen voor ruggen’ had.

  11. Altijd iets te beleven

    "Sommige stegen zijn zo smal dat het lijkt of ze de stad in tweeën splijten,” schrijft Willem Zoetendaal in het nawoord bij het boekje Spleten in de stad, waarin door Breitner gemaakte foto’s en tekeningen van stegen staan afgebeeld.

    Zoetendaal heeft het over openingen, poorten, sleuven, spleten, kieren, een veelzeggende opsomming die bedoeld lijkt om Breitners liefde voor stegen te verklaren. Maar misschien ook niet.

    Breitner hield van stegen, zoveel is duidelijk, zoals ik ook van stegen houd. De smalle reep licht hoog boven je, de V van lucht aan de twee uiteinden van de steeg, de permanente schaduw, de altijd aanwezige geur van pis, het heeft iets, waardoor het misschien wel de stegen zijn die een stad tot een stad maken. In stegen valt altijd iets te beleven.

    Je wordt er beroofd en hoeren oefenen er hun handwerk uit, er worden drugs gedeald, er wordt gepist, gespoten, gevreeën en ­gevochten en als je mazzel hebt, is er ergens halverwege een verscholen deur die toegang geeft tot een houten trap die naar de verdieping leidt waar een oude Indische dame in bontjas op haar troon eenmaal in de maand audiëntie verleent aan de Indische jongens uit de buurt.

    Ze had magere handen en droeg ringen met grote stenen aan al haar dunne vingers. Ze had grote ronde ogen en rook naar de specerijenwinkel.

    Als de rituele begroeting met mijn vriend ten einde was, reikte ze mij haar smalle hand die ik voorzichtig drukte, waarna wij haar achterlieten op haar troon en de steeg uitliepen naar de Geldersekade om daar aan te leggen bij een klopcafé. Altijd op een vrijdag, het hele weekend nog voor ons.

  12. Jeneverkelkje op de tap

    Ik zat bij ’t Monumentje tegenover café Nol, altijd lol, en naast café De Blaffende Vis, waar het ook goed toeven is. Ik zat buiten, want hoewel de dag voorbij was, was het lekker weer.

    Toen ik naar binnen ging om iets te bestellen, stond er een oude man aan de bar die bezig was hem stevig te raken. Een moeder en dochter sloegen het met belangstelling gade.

    “Hoe oud bent u?” vroeg de dochter met een accent dat een nog niet uitgesproken zachte g verraadde.

    “Vijfentachtig,” zei de man.

    De dames vielen bijkans in katzwijm van verbazing. “Wat ziet u er jong uit!” riepen ze.
    Brutaal geworden bogen ze zich vervolgens over zijn jeneverkelkje op de tap.

    “Wat drinkt u?” vroeg de moeder.

    “Oude jenever,” zei de man.

    “Heet dat dan een pikketanissie?” vroeg de dochter.

    Nadat de man dat had bevestigd, zei ze dat ze dat niet hadden in het Zuiden.

    Ik had inmiddels mijn biertje gekregen en ging weer buiten zitten, waar de oude man die Willem bleek te heten zich niet veel later bij me voegde. “Die vrouwen denken geloof ik dat de hemel van Leidse kaas is,” zei hij tegen mij.

    Ik schoot in de lach.

    “Ik ben dronken,” vervolgde hij, “ik ben zo verschrikkelijk dronken. Maar nu ga ik naar huis.”

    “Waar moet je naar toe?” vroeg ik.

    “Naar Geuzenveld,” zei hij. “Daar woon ik al mijn hele leven. Daar ben ik nog voor het eerst beroofd. Door de jongste zoon van de Tokkies. Van al mijn voetbalplaatjes.”

    “Hoe kom je daar?” vroeg ik.

    “Met de bus,” zei hij.

    “Waar gaat ie?” vroeg ik.

    “Dat weet ik zo niet,” zei Willem, “maar het komt wel goed.”

  13. De Sjah van Barbarber

    Mijn vriend de schaker, die geen schaakvriend is en met wie ik nog in de derde klas van de lagere school heb gezeten, de huidige groep 5 als ik me niet vergis, waar hij zich overigens niets van kan herinneren maar ik wel, vertelde me dat hij eens met een schaakofficial vanuit het Centrum naar West was gereisd, met de Kikker dus of met de Blauwe Tram, voor een schaakevenement dat plaatsgreep in het gebouw van de Wereldbibliotheek bijvoorbeeld of op het stadhuis van Sloterdijk, waar mijn ouders in de meidagen van 1940 ­getrouwd zijn, maar dit geheel terzijde.

    Daar aangekomen had de official lacherig verteld dat hij vanuit de tram een winkel had waargenomen, die zich het Opklapbeddenpaleis noemde. Algemenen hilariteit onder het schaakvolk. Maar inderdaad, het valt niet te ontkennen, in de nabije omgeving van de Admiraal De Ruijterweg had je de Stoffenprinses, de Gaskoning en de Stofzuigerkoning (ze zitten er nog), een Beddenpaleis en de ­Tapijtkeizer.

    En in de Elegaststraat woonde bovendien de Sjah van Barbarber. Barbarber was een langwerpig tijdschrift, dat vanaf 1958 werd geredigeerd door K. Schippers, J.¿Bernlef en G. Brands en Brands was de Sjah van Barbarber.

    Brands heeft op een velletje ­boterhampapier eens een tekening van Okkie Pepernoot overgetrokken, en dan schreef hij ook nog Het laatste kwatrijn: ‘Des morgens sta ik op/ des avond weer naar bed/ de wekker heb ik dan/ op zeven uur gezet.’ Okkie Pepernoot plus versje bleken genoeg voor de onsterflijkheid.

    Een sjah, een koning, een keizer, een prins, een prinses en een paleis, wat is dat toch met de Admiraal De Ruijterweg? Naast mij klonk het antwoord: “Koning, keizer, admiraal…”

  14. Een aangenaam karweitje

    In de Halvemaansteeg was ik wegens trek een dönerzaakje binnengelopen. Aan het ­tafeltje bij het raam zat een grote witte man een enorme kapsalon weg te werken. Niet helemaal politiek correct leek me, maar het smaakte hem er niet minder om.

    Nadat ik mijn keus had gemaakt, wendde ik mijn blik naar de kast met gekoelde dranken. Alleen maar limonade, stelde ik vast. Nou ja, halal, niks aan te doen. “Maar ik heb ook blikjes bier,” zei de baas vanuit zijn keukentje.

    Ik blij. “Ik zag het aan je ogen,” zei de baas terwijl hij het blikje vanonder de toonbank tevoorschijn haalde. “Aan mijn neus zal je bedoelen,” zei ik, waarop we alle drie moesten lachen, de baas, de kapsalon-eter en ik.

    Van de Halvemaansteeg liep ik over de Kloveniersburgwal naar de Nieuwmarkt, waar op de kermis het vijftiende en laatste door Geert van Tijn georganiseerde KroegKorenConcours plaatsvond.

    Ik zat in de jury, samen met John Jansen van Galen en ­Thomas van Luyn. Dat jureren is een aangenaam karweitje.

    Je luistert naar vrolijk gezang en je kijkt af en toe naar Geert die onder zijn hoge hoed gelukkig zit te wezen, vlak voor je neus zie de leuke ­dames van het Zeedijkkoor welhaast ongemerkt van dame in hoer veranderen en intussen houdt Van Luyn alles bij om er een spitse prijs­uitreikingsconference over te houden.

    Nadat we voor Geert met zijn ­allen Aan de Amsterdamse grachten hadden gezongen, kregen de juryleden de traditionele fles ­korenwijn. “Koren-wijn,” zei Geert nadrukkelijk, zodat zelfs ik het ­begreep.

    Door de buurt liep ik naar de tram naar huis. De meisjes in hun neonverlichte kamertjes ­hadden hun vingers in hun poes of ­keken op hun telefoon.

  15. De revolutie duurde maar enkele maten

    1 mei rokkentillerij. En hopsa heisasa, want koude voeten, wintertenen, al dat kil en koud verdriet, heb je in de meimaand niet.

    1 mei was ook de Dag van de Arbeid. Dat hield in dat de kinderen in de klas die lid waren van de AJC vrij kregen om in optocht door de straten te lopen, waarbij ze op trommels sloegen en rode vlaggen mee droegen.

    Hoewel ie van de toffelemonen was, vond ik hun optocht van die met broodjes en sinaasappels ­opgetuigde stokken toch leuker.
    ­­
    1 mei vond ik een beetje eng en de AJC al helemaal. Net als mijn moeder, die als kind bij de padvinderij wou, wat natuurlijk niet mocht, stel je voor, een kind uit een keurig SDAP gezin bij de padvinderij!

    Uiteindelijk heeft ze even bij de Rode Valken of zoiets gezeten. Heel even maar, want toen ze zestien was, ontmoette ze mijn vader en met hem ging ze lekker kanoën.

    Het gekke is dat ik tegenwoordig gek ben op de AJC en uit dien hoofde een trouw lezer ben van Het gele blaadje, een blad van en voor oud AJC-ers van Nederland.

    In het zojuist verschenen 1 mei-nummer staat een verhaal van ­René de Cocq die er samen met een vriend in slaagt een 78 toerenplaat van Little Richards Tutti Frutti bij volksdansles binnen te smokkelen. Toen de volksdanslerares even weg was, legden ze de plaat op de Trio-Track en: ‘Wambambelubambelambamboom!’

    Maar de revolutie duurde maar enkele maten. Als door een wesp gestoken vloog Jos de gymzaal in, wit van drift, sissend: “D’r af met die rommel! Zijn jullie nou helemaal gek geworden.”

    Later bleek dit het begin van het einde te zijn geweest.

  16. Vier keer geluk voor een tientje

    De winkel die beloofd had om tien uur open te zijn en waar ik om ik om tien uur voor de deur stond, bleek nog gesloten. Waarop ik tot een kleine wandeling besloot die mij na enkele stappen al voor de etalage van een postzegelwinkel bracht.

    In deze etalage vallen behalve postzegels vaak kleine zilveren voorwerpen te bewonderen als snuifdozen, ­sigarettenkokers, roomkannetjes. Deze keer stond er een niet onaardig peper en zoutstel.

    Wat er ook stond, was een bakje vol priegelige muntjes. ‘Halve centen’, stond er op het kaartje. ‘2.50 per stuk, vier voor 10 euro.’ En tussen haakjes stond er bij: ‘(brengen geluk)’.

    Vier keer geluk voor een tientje, een aanbod dat je niet kunt weigeren. Groot geluk doorstroomde mij toen ik even later met mijn vier halve centen weer buiten stond, want daar, op het fietspad fietste een leuke jonge vrouw voorbij die in een hand een grote tak bloeiende perenbloesem meevoerde.

    Fluitend liep ik naar het dichtstbijzijnde boekenkastje, waar het Schrijversprentenboek Jacobus van Looy al op mij te wachten lag. Thuis bekeek ik de plaatjes en ik las deze uit 1921 daterende tekst van Van Looy: ‘Eens kwam ik hem tegen, jonkheerlijk als hij was, in de Utrechtsestraat en hij liep wat met mij op of ik met hem. En plotseling, met die stem eens dichters die de woorden zo lief heeft, zei hij: “Een nieuwe lente en een nieuw geluid, hoe vind je dat?”

    'Wij wandelden en gingen om met Mei, het toen nog onbekend gedicht van zijn vriend en studiegenoot, Herman Gorter en als gevolg ervan kwam Gorter in mijn werkplaats het mij voorlezen, drie avonden lang.’

    Wat ik al lezend ervoer, ervoer ik als plaatsvervangend geluk.

  17. Sonny Rollins is hij niet

    In de Spiegelstraat gaat het snel bergafwaarts. Was het tot voor kort een straat vol mooie antiekwinkels en ­galerieën, nu worden er hamburgers verkocht en namaakkunst in ­namaak gouden lijsten. ‘This is not a gallery,’ staat er op The Public House of Art, een duidelijk gevalletje van ‘eigen mannen zeggen het’.

    In de etalage van de buurman staat een enorme afdruk van de ­foto waarop Sophia Loren tijdens een etentje schuins in het decolleté van Jayne Mansfield zit te ­loeren. Ik word altijd vrolijk als ik de foto zie en ik ben niet de enige.

    De ene toerist na de andere houdt de pas in om zich breed grijnzend voor de foto te laten fotograferen, waarna ze hun weg vervolgen.

    Ik voeg me in de stroom, en loop mee in de richting van het Rijksmuseum. In de passage onder het museum klinkt een strijkkwartet.

    Een man blaast op een saxofoon, maar Sonny Rollins is hij niet. Aan de andere kant wachten de letters die tezamen Iamsterdam vormen en om de een of andere reden zijn uitgegroeid tot een van de grote attracties van de stad.

    Terwijl ik het plein oversteek, denk ik aan de keer dat het ­gerucht door de stad ging dat de duizenden narcissen op het plein geplukt mochten worden. Wat toen ook gebeurde. In drie tellen was het hele grasveld kaal.

    In de Van Baerlestraat ga ik naar binnen bij boekhandel Premsela, sinds een maand failliet. “En?” zeg ik tegen Sander die bij de kassa zit. “We gaan door,” zegt hij. “Ik was vanmorgen bij de curator om te ­tekenen. Ik ga nog in zaken op mijn oude dag.” Zelden zal mijn blijdschap zo groot zijn geweest.

  18. De stenige geur van gravel

    Ik houd van de geur van ­gravelbanen in de morgen. De tennisbanen van mijn jeugd lagen aan de Zuidelijke Wandelweg. Vanuit de Bos en Lommer was dat een heel eind fietsen.

    Eerst de eindeloze Hoofdweg af, waar de zon altijd leek te schijnen, dan om het Surinameplein heen en de Overtoomse Sluis over. Aan de andere kant van het ­water stond een kerk, die later plaats moest maken voor Autopon, dat in Volkswagens deed. Een eindje verder op de Amstelveenseweg was een manege waar het op woensdagmiddag druk was met paarden en kinderen.

    Als mijn moeder me bracht, en dat deed ze in het begin, vroeg ze altijd of ik niet op paardrijden zou willen. Dat wilde ik niet. “Maar waarom niet? Lijken die kinderen je niet leuk?” Nee, die kinderen leken me niet leuk.

    Tenniskinderen waren al erg genoeg. Ze vroegen je wel waar je woonde, maar als jij zei dat de Esmoreitstraat in west was, hadden ze meteen geen belangstelling meer.

    Toen ik alleen naar de tennisbaan mocht, ging ik, als ik niet naar school hoefde, vaak vroeg in de ochtend. Het was dan stil op de Wandelweg. De voetbalvelden ­lagen er verlaten bij, maar op de tennisparken werd altijd ­gespeeld.

    Op het pad dat door het struikgewas naar ons clubhuis liep, hoorde ik het zachte geplof van de ballen en kikkergekwaak daar doorheen. Als het ’s nachts had geregend of als er ’s morgens dauw had gelegen, rook je de stenige geur van het gravel, een geur zo rood als de banen, waarop vaak honderden kleine kikkertjes liepen.

    Op weg naar hun boerensloot.

  19. Iedere beweging van de flamingo's

    Ik liep langs de Artis en al ­lopend keek ik naar de mensen die door de Artis liepen. Ze hadden hun ronde ­gemaakt, van de apen, naar de leeuwen, langs de olifanten en ­giraffen, naar de zeeleeuwen en de pinguïns, en nu waren ze, hoewel ze nog lekker door de Artis liepen, op weg naar de uitgang.

    Bij de flamingo’s hield ik mijn pas in en keek. Naast me zat een man op zijn fiets. Hij keek ook. Met gretigheid dronk hij iedere beweging van de flamingo’s in. ­Tegen zijn kijken kon het mijne niet op.

    Ik liep door. Naar de ­Plantage waar je naar de lepelaars kunt ­kijken. De meeste lepelaars stonden op hun eiland op een kluitje bij elkaar. Een stuk of drie zaten te broeden op een door mensenhanden gemaakt nest in een knotwilg. Drie anderen liepen te snavelen in het ondiepe water dat hun eiland omringt.

    Behalve lepelaars liepen er kemphanen, patrijzen, een ­kievit, een paar kluten, twee ooievaars. Aan mijn kant van het hek was een fontein die op gezette tijden water spoot. Ik heb een tijd staan kijken en liep toen zonder om te kijken weg.

    Als je de Artis binnenkomt, ­herinnerde ik me, bekijk je ieder dier en alleen al de aanblik van olifanten in de verte vervult je van ­opwinding. Als je niet de ronde maakt, maar dezelfde weg terugneemt, keur je dezelfde olifanten geen blik waardig.

    Door de Roeterstraat liep ik naar de Sarphatistraat en daar, vlak voor de hoek met de Weesperstraat zag ik vijf struikelstenen ­oplichten in de zon.

    Ik boog me diep en las hun namen, Abraham Morpurgo, zijn vrouw Rachel en hun kinderen, Jacob, Vogelina en Carla.

    Vermoord maar niet vergeten.

  20. Als kleine parapluutjes

    In de herfst van anderhalf jaar geleden liep ik langs de Amstel en de Hermitage. Na een korte aarzeling, ik durf het haast niet te zeggen, maar ik heb het niet zo op de Hermitage met al dat tsarengedoe en hun ­eieren van Fabergé, ging ik de poort door en betrad de binnenplaats. Waar het stil was en twee grote kastanjes stonden. Op het gras lagen ze bij tientallen en ik vulde mijn zakken.

    Een al wat oudere dame zag het glimlachend aan en raapte er ook een op. “In een bloempot stoppen,” zei ik, “en volgend jaar hebt u een kastanjeboompje.” ‘De ­dame glom als de kastanje in haar hand,’ noteerde ik.

    Wat ik me afvraag, is of ze mijn advies heeft opgevolgd. De meeste mensen houden niet zo van ­advies. Ik ken iemand die ik ruim vijfenveertig jaar geleden mijn ­lievelingsboek heb gegeven. Dat ze nog steeds niet heeft gelezen.

    Zoals ik zelf jarenlang het advies van Karel van het Reve om Sanders of the river van Edgar Wallace te lezen in de wind heb geslagen. Volkomen ten onrechte, want toen ik het eindelijk las, bleek het een meesterwerk, schandelijk, maar een meesterwerk.

    Als de dame mijn kastanjeadvies heeft opgevolgd, kijkt ze nu, net als ik, naar het wonder van een ontluikende kastanjeboom.

    Had ze vorig jaar in haar virtuele bloempot nog een slap rood stengeltje, waar een kleine groene kroon op groeide, nu is er een stam en het glimmende bruin van de vette volle knop is opengebarsten om een bleke sigaar te onthullen die zich langzaam ontrolt tot generfde bladeren die teergroen hangen en dan als kleine ­parapluutjes worden opgestoken. Geen groen zo groen als jong kastanjegroen.