live

Klein geluk in Amsterdam: Gisteren ook al andijvie

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Gisteren ook al andijvie

    Mijn toenmalige vriendin en ik konden overal ­ruzie over maken. Over schoenen, schepen, ­zegellak, kolen en koninginnen en waarom de zee kokend heet is en of varkens vleugels hebben.

    Kwam ze thuis en vroeg ze: “Wat eten we?” dan zei ik: “Andijvie.” En zij zei dan: “Andijvie, andijvie, is het je in de bol geslagen? Gisteren hebben we ook al andijvie gegeten.”

    Waarop ik zei dat het maar een grapje was en dat we spaghetti aten, waarna ze pas echt woedend werd en er met tafels werd gesmeten en je het geluid van brekend glas kon horen.

    Deze keer kwamen we van een feest op de Film Academie, waar ik haar woede had opgewekt door een snierende opmerking te ­maken over de befaamde concentratiekampfilmer Joris Ivens.

    Ik had Joris er op een soort troon zien zitten met allemaal meisjes aan zijn voeten die in stille aanbieding naar hem opkeken. Een stuitend tafereel, vond ik. Maar dat was ze, laten we het voorzichtig formuleren, niet met me eens.

    Toen we in het vale morgenlicht van een late zomernacht door de ­Jacob van Lennepstraat naar huis liepen, laaide de ruzie weer op. Ze gaf mij een schop en ik haar een zet, zij mij een klap en ik haar een schop.

    Ze begon te schelden en ik overwoog net tot terugschelden over te gaan, toen ik het gevoel kreeg dat we werden bekeken. De stokoude vrouw die op één hoog achter het raam in een grote fauteuil zat, had een brede glimlach op haar gelaat. Zo’n fijne ruzie had ze in nachten niet gezien.

    Ik denk vaak aan haar zoals zij daar zat. Net Willemien, eenzaam maar wel met zijn drieën.

  2. Honderd kranten in een windhoos

    Storm in de stad. Toen ik de deur uitging, werd me ­gevraagd of ik niet door straten met bomen wilde lopen en of ik niet beter een vergiet op kon zetten. “Ik ben Allende niet,” heb ik geantwoord.

    Eenmaal op straat bleek het inderdaad stevig te waaien. Wat wind mee had, zeilde over de weg, en wind tegen had een kop als een brulboei. Er waren laag overvliegende trampolines, in de binnentuin van de redactrice van mijn uitgever was een enorme boom ontworteld en een van haar collega’s bleek in het huis van Netty Rosenfeld te wonen.

    Wat er helemaal niets mee te maken heeft, maar wel illustreert hoe je iemand totaal kunt vergeten, terwijl Netty Rosenfeld toch een van de aardigste mensen was, die ik gekend heb.

    Haar man had een tijdje een verhouding met de actrice Christel Adelaar, die in Pipo de Clown de rol van zijn vrouw speelde. En toen die een keer bij haar op de stoep stond, riep Netty naar haar man: “Hé Pipo! Mammaloe voor je!” Zo’n vrouw dus.

    Trams reden niet meer in het ­kader van de storm en fietsen was me te link. Ik bleef dus in eigen buurt. Toen ik bij Martyrium een krant kocht, zei mevrouw Martyrium: “Ik heb ze vandaag maar binnen gehouden.”

    In het najaar van 1960 of daaromtrent was er ook een storm. Ik bezorgde toen de krant op de Plesmanlaan en omgeving. Op een pleintje in het hart van de storm had ik mijn fiets met de Parooltassen tegen een lantaarnpaal gezet toen de fiets kantelde en mijn laatste honderd kranten in een windhoos terecht kwamen.

    Bij wijze van werving bezorgde ik z’n honderd kranten bij niet-abonnees. Daar ben ik toen gaan aanbellen om ze terug te vragen. Veel niet-abonnees bleken erg aan hun krant gehecht.

  3. Het moment dat

    Bij Opsmuk, de Indianentooienwinkel van Saar en Peet in de Roelof Hartstraat die komende zomer helaas gaat sluiten, hadden we het, wegens omstandigheden, over begrafenisondernemers.

    “Toen mijn moeder was overleden,” zei Peet, “kwam me er toch een zeikerd binnen, niet te geloven, met zo’n uitgestreken smoel, maar zo ruig als een kokosmat en het eerste wat hij zei was dat de ­rekening voor maandag betaald moest zijn. Want hij had nogal eens last van wanbetalers.”

    Toen we uitgelachen waren, vertelde hij over zijn grootvader van moeders kant, Piet, een boom van een kerel. Peet was op school toen hij over de dood van zijn groot­vader vernam en nam meteen een taxi naar Zaandam.

    “Hij lag opgebaard op de keukentafel, en hij had maat 48 schoen, dus het enige wat je zag, waren de twee voeten die omhoog staken.” De begrafenisondernemer had zonder iets te zeggen vier plankjes neergelegd, iepen, vuren, grenen, eiken.

    “Mijn moeder,” zei ik, “is de nacht van zaterdag op zondag overleden in een heel gereformeerd dorp. Zondagmorgen vroeg hadden we de afspraak met de ­begrafenisman. Hij droeg een zwart pak en een hoed en toen hij binnenkwam, zag ik meteen dat hij een kater had. En niet een beetje, nee, een onvervalste driesterrenkater, een klasse-exemplaar, neem dat van mij aan, want ik heb er verstand van. Ik heb katers gehad, dat wil je niet weten.”

    Maar Peet, die als keurige jongen uit een rood gezin van de blauwe knoop is, wilde het wel weten en dus vertelde ik van de Grote Kerst Kater Die Vijf Dagen Duurde, verschrikkelijk. “Het gekke is,” besloot ik, “op het moment dat de kater wijkt, ben je hem vergeten en denk je, ik zou best een lekker biertje lusten.”

  4. Mijn handdoek in het zand

    In de binnentuin waar wij op uit kijken, was het een drukte van belang. De kool- en pimpelmezen hingen aan de pinda’s, de papegaaien vlogen krijsend van boom naar boom en de grote bonte specht die zich niet zien liet, hamerde er stevig op los.

    Ik zat aan tafel en schreef een brief aan een vriendin die ik heb leren kennen in de zomer van 1959. De vakantieliefde van vorig jaar, voor wie ik naar Canet-Plage gekomen was, was voorbij en ik was in mijn dooie eentje naar het strand gegaan.

    Nadat ik mijn handdoek in het zand had gelegd, zag ik dat er een eindje verderop onder een grote parasol drie meisjes zaten. Eentje in een blauw badpak, eentje met een zwarte strooien hoed op en een met hagelwitte tanden.

    Wat een leuke meisjes, dacht ik, maar zij zaten daar en ik stond hier en hoe ik hier in daar moest veranderen, wist ik niet. Daarom liep ik naar zee en dook in de golven.

    Toen ik weer opgedoken was en naar mijn handdoek liep, was hij verdwenen. Het was het meisje in het blauwe badpak dat met mijn handdoek naar mij zwaaide als met een zakdoek naar een vertrekkend schip.

    In mijn jaarlijkse brief aan haar haalde ik herinneringen op aan haar vader, die Gauloises rookte in maispapier, aan de pingpongtafel in de tuin voor hun huis aan zee, aan Capri, de hond en aan de ­Canigou natuurlijk, die altijd toekeek.

    Toen de brief in zijn enveloppe zat en ik die wilde adresseren, kon ik het adres niet vinden. Maar plotseling schoot me de agenda uit 1959 te binnen die ik altijd bewaard heb, en daar stond het, in mijn jongenshandschrift, Hortensiastraat 15.

  5. In de etalage van Eichholtz

    De Leidsestraat was vroeger een sjieke winkelstraat met deftige herenmodezaken, boekenwinkels, theesalons, een tapijtenhandel, een platenzaak waar je op maandagmorgen moeders in de rij kon zien staan om voor hun zonen een kaartje te kopen voor het nachtconcert van Gerry Mulligan, juweliers, diverse schoenenwinkels, restaurant Bali en twee delicatessenwinkels.

    Als ik op zaterdagmiddag door de Leidsestraat liep, dacht ik altijd dat er van alles ging gebeuren, maar er gebeurde nooit niks.

    Bij de sigarenwinkel vlak voorbij het KLM gebouw kocht ik een pakje sigaretten.

    “Opsteken? ” zei de man van de sigarenwinkel. Als je ja zei, sneed hij met een pennenmesje het pakje open en tikte ­tegen de onderkant tot de sigaret naar buiten kwam, die ik tussen mijn lippen nam om me vervolgens voorover te buigen naar het gasvlammetje dat brandde op de toonbank.

    Als ik met de tram door de Leidsestraat rijd, kijk ik naar het verleden, maar ik zie het niet, behalve het korte ogenblik dat ik in de etalage van Eichholtz het Drostemannetje zie staan.

    “Iedereen wil het kopen,” zegt mevrouw Eichholtz, die Karin heet en hier 36 jaar werkt. “Maar het kost 1000 gulden, en we ver­kopen het niet hoor.” Een hele gerust­stelling.

    Eichholtz verkoopt alles in verpakking, de 69 varianten van Heinz, allerlei soorten tabasco, garlic pepper, pepper, green pepper, habanero, sweet & spicy, maar ook Marmite en knoflookkaas. “Gvina shum,” zegt Karin, in het Hebreeuws, want ze spreekt alle talen, wat haar klanten duidelijk leuk vinden.

    Toen mijn moeder haar blikjes Delmonte nog bij Eichholtz kocht, reden we een keer over een bergpas in Zwitserland, de Gotthard of de Brenner of zoiets. Helemaal boven stond voor een ijswinkel een bord met de woorden ‘Wij spreken alle spraken’.

    Altijd onthouden.

  6. Wat niet mocht, was opscheppen

    Ik zette mijn fiets in de fietsennis van het Stadsarchief en zag dat er aan de andere kant van de ruit zo’n vijftig kinderen zaten die al mijn bewegingen nauwkeurig volgden. Ik lachte en ze lachten terug, ik zwaaide en zij zwaaiden terug.

    Toen ik door de draaideur naar binnenging, bedacht ik dat ik het pasje dat toegang geeft tot de studieruimte vergeten was.

    Ik meldde me dus bij de balie. “Wat is je geboortedatum?” zei de altijd vriendelijke en behulpzame dame die daar zetelt. “Weet je die niet?” zei ik. “Je denkt toch niet dat ik iedereen zijn geboortedatum kan onthouden?” zei ze. “Nee,” zei ik, “maar de mijne toch wel?”

    In de derde klas van de lagere school, de Erasmusschool, had ik mevrouw Besier, ‘de schrik van de school en door mij nog altijd beschouwd als de leukste leraar uit mijn schoolcarrière’, zoals ik eerder schreef.

    Alles was spannend dat jaar en alles mocht, samen met een vriendje schrift na schrift vol tekenen met eitjes die uit een paaseierenfabriek kwamen bijvoorbeeld, of een boek van huis meebrengen en daar tijdens de leesles in lezen.

    Wat niet mocht, was opscheppen. Ik had een vriendje waar ze thuis een poes hadden die op de wc ging. Dat vertelde hij een keer, maar mevrouw Besier was het daar niet mee eens, dat vond ze een vorm van opschepperij. Ik denk daar nog vaak aan.

    Ze was al dik in de tachtig toen ik haar een keer aan de telefoon kreeg. “Ben jij van de week niet­ jarig, Guusje?” zei ze. “Dat u dat nog weet,” zei ik. “Van sommige kinderen onthoud je meer dan van anderen,” zei ze.

    Ik weet wat ze ervan had gevonden, dat ik dit nu opgeschreven heb.

  7. Zo ging dat vroeger

    Zoals ik af en toe doe, zat ik De reis om de wereld in 80 dagen te lezen. Zoals altijd ging Phileas Fogg zijn beroemde weddenschap aan, waarna hij zich ­samen met zijn kersverse bediende Passepartout naar Charing-Cross Station spoedt.

    Zoals altijd geeft Fogg de twintig guineas die hij zojuist aan de whisttafel heeft gewonnen aan een behoeftige waarop hij samen met Passepartout naar de wachtkamer gaat. En daar lezen we: ‘Fogg liet Passepartout twee kaartjes eerste klas naar Parijs nemen.’

    Een acute aanval van heimwee maakte zich van me meester, want ja, zo ging dat vroeger. Iemand zei, “Zullen we naar Parijs?” en op het station kocht je dan een kaartje, liet je je nog even scheren door de stationskapper en een uurtje later zat je comfortabel in de eerste klas op het gerammel van het wagentje van de restauratie te wachten.

    Heimwee. Ik voel wel eens heimwee naar het gasvlammetje op de toonbank van de sigarenwinkel of naar het geluid van een tennisbal geslagen door een houten racket, maar bovenal heb ik heimwee naar de steile wand, naar het geluid van de motoren die je op de kermis al van verre hoorde, naar de mannen op de motoren die eerst een voorzichtig rondje reden en dan, als ze iets harder gingen, hun motor tegen de steile wand op stuurden, steeds sneller en steeds hoger, tot ze vlak onder de rand ­reden en je ze zo zou kunnen aanraken.

    Met losse handen reden ze hun rondjes, achterstevoren op hun motoren gezeten, met gevaar voor eigen leven, onverzekerd bovendien. Want dat werd er aan het slot van de voorstelling altijd bij ­gezegd, waarna het muntjes ­regende in de piste.

  8. Een gebroken ribbetje

    Op ons viermaandelijkse kopje thee, in Wildschut deze keer, dronken we koffie verkeerd en cappuccino, een en ander ­gebracht door een vermakelijk meisje dat ons toen we heel erg te lachen zaten, kwam vertellen dat ze iets in onze thee had gedaan.

    Mijn vriend is van mijn leeftijd, maar dan iets ouder en ons theedrinken eindigt altijd met de ­mededeling dat hij het qua fietsen nu echt iets rustiger aan gaat doen. Aan het begin van het gesprek heeft hij dan verteld dat hij tijdens een tocht om het IJsselmeer ter hoogte van Stavoren met een snelheid van 70 in het uur een stevige smak heeft gemaakt.

    Stavoren lag deze keer in Amsterdam-Noord, in een bos bij het Noordhollands kanaal. “De mensen liepen allemaal naast hun fiets,” zei hij, wegens glad, maar volgens hem was dat nergens voor nodig, met als gevolg een gebroken ribbetje (‘hup met dat kribbetje!’). Mijn vriend is blij dat hij nog dingen doet waardoor je in het ziekenhuis kan belanden, dus eigenlijk was dat ribbetje een tegenvaller.

    “Ik viel laatst ook van mijn fiets,” zei ik. “In het Bosplan.” Tim begon te lachen, en vertelde toen dat hij het nog altijd over ‘de Nieuwe RAI’ had als hij de RAI bedoelde.

    We kregen het over straatnamen. Was ik al eens in de Internetstraat geweest, of op de Disketteweg? Kende ik het Orgeldraaierspad, en hoe was ik met de Snelfietsweg? “En de Krommert,” zei ik, “altijd gedacht dat de Krommert zo heette omdat ie zo krom is, maar er is een meneer Krommert.” “Zoals het Vliegenbos niks met vliegen te maken heeft.” “En het Grote Gartmanplantsoen niet bestaat.”

    Waarop twee uitbundig lachende mannen bij een vermakelijk meisje nog een kopje thee bestelden.

  9. Buurt van kroegen en bordelen

    ‘Wat het huis verliest, brengt het huis terug,” zei mijn moeder graag. Maar soms was ze zo ongeduldig dat ze tot toverspreuken overging om het huis een handje te helpen. “Sint Antonius,” psalmodiërde ze dan, “goede vriend, maak dat ik mijn vingerhoedje vindt.”

    Waar mijn moeder, keurig opgevoed in een rood gezin en nooit een kerk van binnen gezien, Sint Antonius vandaan had, mag onze Lieve Heer weten. Ze heeft het me nooit verteld, maar ik geloof dat ze erin geloofde.

    Ik zou het ook graag doen, maar ik heb zoveel spullen om me heen verzameld, dat zelfs Sint Antonius er geen wijs uit weet. Maar wat het huis verliest, brengt het huis terug, soms zelfs dingen waarvan je niet wist dat je ze had.

    Gisteren was het een boekje van Siegfried van Praag met de titel De Eeuwige Plantage, zijn in 1982 geschreven herinneringen aan de Plantage waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij vertelt daarin, nooit geweten, dat de Plantage aan het einde van de negentiende eeuw een buurt was van kroegen en bordelen. Een achterneef van hem ging daar wel uit wandelen met zijn ‘ome Levie’ die omdat zijn familie naar Engeland was vertrokken ‘Sir Lewis’ werd genoemd.

    Sir Lewis was een man ‘met een bolhoed op zijn doodshoofd en een dikke sigaar met zware kauwfranje’ tussen zijn lippen. ‘Een echte Mager Hein,’ schrijft Van Praag, ‘maar toch…’

    Want tijdens zo’n wandeling vroeg oom zijn neefje vaak even te wachten. ‘Hij ging zo’n bordeeltje binnen en, na zijn sexuele besogne verricht te hebben, kwam hij weer naar buiten en nam vaderlijk de hand van het neefje om gemoedelijk verder te kuieren.’ Goede schrijver, de schrijver van Jeruzalem van het Westen, jammer dat hij zo vergeten is.

  10. Mij hebben ze niet meer

    In de tijd dat we in de Bosboom Toussaintstraat woonden, ging ik op werkdagen om kwart voor negen de deur uit om naar mijn werk te gaan. Nadat ik de eindeloze trap was afgedaald, liep ik de straat in, waarna ik de Alberdingk Thijmstraat kon nemen om dan de Van Lennepkade af te lopen.

    Ik kon ook de De Genestetstraat ­nemen om vervolgens dezelfde kade af te lopen. De derde mogelijkheid was helemaal doorlopen naar het einde van de straat en dan meteen de Nassaukade op.

    Onderweg groette ik kapper Cor, die al vrolijk te knippen stond, zwaaide ik naar de bereden polities die mij koutend tegemoet kwamen en maakte ik vaak een praatje met Martin Bril, die er altijd vroeg bij was. Het was een plezierig wandelingetje naar bus 80.

    Op een gegeven ogenblik begon het me op te vallen dat ik vaak een zwangere vrouw zag, dat ik steeds vaker een zwangere vrouw zag en dat het verdomme wel leek of alle vrouwen zwanger waren. Bleek dat er in de De Genestetstraat een
    geboortecentrum was neergestreken.

    Wanneer ik mijn huidige behuizing verlaat, zie ik mensen met wandelstokken en mensen op krukken, achter rollators en in rolstoelen. Het zal, denk ik, iets te maken hebben met Medisch Centrum Roelof Hart dat, een paar jaar geleden alweer, het postkantoor heeft overgenomen.

    Mij hebben ze niet meer. Zie ik overal trambestuurders met hun conducteurs, dan veronderstel ik een remise, zie ik allemaal koksmutsen een koksschool, maar wat te denken van allemaal aluminium kokertjes als patronen op de stoep en in de goot? Op het kleine stukje Olympiaplein achter het Van Heutszmonument telde ik er maar liefst dertien.

    Inmiddels ben ik er achter. Lachgas. Middelbare school in de buurt.