live

Klein geluk in Amsterdam: Zoveel huizen als ik ken in Zuid

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Zoveel huizen als ik ken in Zuid

    Waar ik ook ben in de stad, altijd vraag ik me af of ik hier wel eens bij iemand in huis ben geweest. Opmerkelijk vaak is dat niet het geval. In Zuid zijn hele buurten waar ik straat voor straat binnen ben geweest, bij vrienden, vriendinnen, of op feestjes.

    Als wij op zaterdagavond nergens een feest hadden, fietsten we zo’n buurt in en keken of we een huis zagen met veel fietsen voor de deur. Eenmaal binnen stelden we ons mompelend voor als ‘Coca-Cola’ en als er om nadere informatie werd gevraagd, zeiden we hakkelend dat we een kennis waren van ‘Seven-Up.’

    In de herrie was er geen mens die je verstond en een fles meegebrachte drank deed wonderen.

    Zoveel huizen als ik ken in Zuid, zo weinig ken ik er in Oost en ook in het Centrum heb ik niet veel van binnen gezien. Ik overdacht een en ander toen ik op weg was naar een teruggevonden vriend die in de Gasthuismolensteeg bleek te wonen.

    Het verlengde van de steeg, de Hartenstraat, had me wel eens ontvangen. Voor enkele opmerkelijke dagen en nachten op een kamer boven een snackbar en met uitzicht op een restaurant, waar ik jaren later eens een tongetje ging eten met Jan Cremer.

    Toen ik mijn mes in de tong zette, bleek hij niet geheel ontdooid. Een kwartier later werd een nieuwe tong gebracht die toen ik aan zijn achterkant begon al eerder aangesneden bleek. Misschien niet mijn slechtste horecaervaring, maar het komt in de buurt.

    Mijn teruggevonden vriend was in de tussentijd gedichten gaan schrijven, zevenregelige verzen, waarin hij de zee zichtbaar maakt. Inmiddels waren het er meer dan duizend. Ik kwam ogen en oren ­tekort en kon ze nauwelijks geloven.

  2. De Kikker en de Blauwe Tram

    De wereld van ons jongens werd begrensd door Bos en Lommer, Hoofdweg, Jan van ­Galenstraat en Admiraal de Ruijterweg. Van deze grenzen was de ­Admiraal de Ruijterweg de ­belangrijkste.

    Want de Admiraal de Ruijterweg was levensgevaarlijk, zoals mijn moeder nooit ­naliet te benadrukken. Als je die overstak, was je eigenlijk al dood. Dat kwam door de trams die er reden, de Kikker en de Blauwe Tram naar Zandvoort. De Kikker was gevaarlijk, maar een tram. De Blauwe Tram was een trein en dus nog veel gevaarlijker.

    We mochten de Admiraal de Ruijterweg niet oversteken, maar nergens stond geschreven dat je er niet naar kijken mocht, en dat ­deden we dus. Vanaf onze kant ­keken we naar de verboden overkant, waar niets te zien was, maar die ons toch trok, omdat hij verboden was. Met enige regelmaat denderde de Blauwe Tram voorbij.

    Zo’n trein kon je makkelijk laten ontsporen, wist een van ons, en dus namen we de volgende keer uit onze spaarpot koperen centen mee. Daas van opwinding legden we een cent op de rails en wachtten af, in een portiek, want als de tram ontspoorde kon je maar ­beter niet te dicht in de buurt zijn.

    De Blauwe Tram reed over onze centen heen alsof ze er niet waren. De week daarop probeerden we het met stuivers, maar ook een stuiver was niet genoeg voor een ontsporing, zodat we uitweken naar de bouwterreinen achter de Hoofdweg. Gewapend met twee planken staken we het eindeloze drijfzand over. We renden over de steigers van de nieuwbouw en aan het einde van de middag reden we met het lorrietreintje terug naar het Bos en Lommerplein.

    “Toch niet over de Admiraal de Ruijterweg heen geweest, hè?” “Nee mam.” “Goed zo jongen.”

  3. De lekkerste patat van de stad

    Vlaams Friteshuis Vleminckx op de hoek van de Voetboogsteeg en de Heiligeweg maakt volgens velen de lekkerste patat van de stad. In die mening kan ik me vinden en vandaar dat ik als ik trek heb in een patatje vaak aansluit bij de rij die vrijwel zo permanent is als die bij het Anne Frank huis.

    Een niet gering pluspunt van Vleminckx is café Havelaar aan de overkant, waar je je patatje mag opeten met een biertje erbij. Toen wij ons onlangs bij de Vleminckx/ Havelaar Combinatie vervoegden, stond er voor de deur een orgel te dreunen. “Ga jij maar vast naar binnen,” zei mijn geliefde die mijn verhouding tot draaiorgels kent.

    In het café stond de barkeeper glazen te spoelen. “Doe maar een biertje,” zei ik. ”Gewoon bier,” voegde ik eraan toe. “Een gewoon biertje,” zei de kastelein, “dat hoor je niet vaak meer.” “En in een gewoon glas,” zei ik. “Want de glazen worden steeds groter.” “Dat kunnen wij niet helpen, dat doen de brouwerijen,” zei de kastelein.

    Terwijl hij mijn biertje tapte, zei hij dat ik hem bekend voorkwam. “Kan ik je bij DWDD hebben gezien?” “Man,” zei ik, “dat is vijf jaar geleden, dat je dat nog weet.” “Het is mijn vak,” zei hij.

    Waarop ik hem vertelde over een kennis in de kaasbusiness en met verstand van wegen die op de markt een ons paté wilde kopen. Het stuk dat de koopman vervolgens met zijn mes aanwees, was volgens mijn kaaskennis ruim twee ons, en dat zei hij ook.

    Waarna de koopman hem zo’n blik schonk van ‘waar bemoei je je mee’ en een half pond paté afsneed. “Altijd leuk,” zei ik, “als je iets weet waarvan je weet dat de ander het niet weet.”

  4. Meester Pennewip is nog in leven

    Hetzelfde verveelt nooit: vrijdag schol met ­kroten, het geluid van een dynamo tegen een fietsband, de geur van een vers ­afgestreken lucifer, uitzicht op de Singelgracht vanaf de Kinkerbrug, de tweede dag draadjesvlees, het begin van Woutertje Pieterse. En dan vooral het gedeelte waarin meester Pennewip de versjes van zijn hoogbegaafde leerlingen ­nakijkt en zelfs corrigeert.

    ‘Ik heet Trijntje Fop/ en heb een muts op mijn kop’, een meesterwerkje toch, verandert Pennewip zonder blikken of blozen in ‘Ik heet Trijntje Fop/ en heb een muts op’, ook niet slecht. Ook het vers van Slachterskeesje raakt me, hoe vaak ik het ook lees, altijd diep in de ziel: ‘Mijn vader heeft menige os de doodsteek gegeven,/ maar meester Pennewip is nog in leven./ Soms waren zij mager, en somtijds vet./ En hij heeft zijn pruik opzij gezet.’

    Ik herlees de versjes nooit op volgorde en eindig altijd met Lysje Webelaars onvolprezen ‘De kat viel van de trappe,/ mijn vader verkoopt aardappe-/ len en uien.’

    In de tram kwamen er niet veel later een vrouw en haar dochtertje tegenover me zitten. Het meisje, ik denk dat ze een jaar of zeven was, droeg een blauwe jurk met sterretjes en had een bosje houten tulpjes bij zich, heel feestelijk. “Waar moet ik eruit voor het Spui?” vroeg de vrouw. Ik zei dat ik haar zou waarschuwen en vroeg of ze naar een promotie ging. Maar nee, ze ging naar haar zuster.

    “Ik ben altijd nieuwsgierig naar waar mensen heengaan,” biechtte ik op. Dat vond ze niet erg, want dat was ze zelf ook zei ze, hoewel ze niet vroeg waar ik heen ging. “De volgende halte,” zei ik, “is het Spui,” waarop het meisje zei: “Het Spui/ we gaan er ui.”
    Wat ze toen ook deden.

  5. Een jaar of tien en op het oorlogspad

    Op de hoek van de Pieter van der Does en de Admiralengracht, waar vroeger het zwembad was en nu een moskee is, kwam een groep meisjes aanlopen. De meisjes waren een jaar of tien en op het oorlogspad.

    De leider keek de gracht af en nadat ze had vastgesteld dat alles veilig was, geen vijand te zien, gaf ze het sein dat het groepje de Pieter van der Does kon verlaten en langs de gracht zijn weg kon vervolgen richting Erasmuspark, waar ongetwijfeld nieuwe avonturen wachtten.

    Het is zestig jaar geleden dat wij jongens hier op oorlogspad waren. Er is veel veranderd in de buurt, de gracht is rechtgetrokken, het park is van een wildernis in een park veranderd, de landjes zijn gefatsoeneerd, maar je kan nog steeds zien dat dit een fijne buurt was om op te groeien en dat het dat waarschijnlijk nog steeds is.

    Er zijn geen auto’s, dat is goed, er is overal water, dat is nog beter en er zijn hekken om overheen te klimmen, struiken om je in en achter te verstoppen en geheimzinnige tuinen die er om smeken in kaart gebracht te worden.

    Tussen het park en de sportvelden aan de Joos Banckersweg werd op een dag het rietland opgespoten. Niet veel later ontdekte Hans van Bronkhorst dat er kogels, echte kogels, in het zand te vinden waren. Als je zo’n kogel in je hand hield, glinsterde hij in de zon, je kon hem in een bankschroef klemmen en er dan met een hamer op slaan en als je hem maar hard genoeg tegen een muur gooide, kon hij zomaar met een knal ontploffen.

    Wij jongens vonden dat behoorlijk eng, maar Hans van Bronkhorst niet.

  6. Jij lekker eten maken, ja!

    Mijn oom Piet had geen auto en daarom gingen tante Gré en hij op zondag wel eens met ons mee voor een gezellig ritje over de oude Utrechtse weg of de nieuwe weg naar Den Haag. Tijdens zo’n rit viel van alles te beleven. Lekke band, radiator droog gekookt, benzine op, maar als we Amsterdam weer in zicht kregen, zei oom Piet: “Zullen we bij de Chinees gaan eten? Ik trakteer.”

    Mijn oom Piet was timmerman in de rosse buurt en heeft daar heel wat Chinezen verbouwd, waar hij dan een etentje te goed hield. Als we zo’n restaurant betraden, maakte zich grote opwinding van me meester, want groter feest dan eten bij de Chinees was er niet, maar tegelijkertijd voelde ik al de schaamte die zich zo dadelijk aan mij zou mededelen.

    Want ik wist wat er komen ging. Mijn oom Piet zou zich tot de ­Chinees richten die ons naar een ­tafeltje bracht en iets zeggen als: “Jij, Chinees, jij lekker eten maken, ja! Wij lekker eten op, ja?!” Ik kon wel onder tafel kruipen.

    Het gekke was, dat de Chinees het heel gewoon leek te vinden. Vijf en zestig jaar later kan ik mijn schaamte nog navoelen. En toen las ik uit zo’n kastje Tai-Pan van James Clavell, een vuistdikke roman over de begindagen van Hong Kong. In dit boek zeggen de Engelsen en Chinezen dingen tegen elkaar als: “Cow chillo out! Plenty quick-quick, savvy?” of “Plenty easy. Why for you say no can. Can?”

    De Engelsen spraken geen Chinees, de Chinezen spraken geen Engels. Om met elkaar te kunnen praten, spraken ze Pidgin. Mijn oom Piet was er niet op uit de Chinees te kleineren. Hij sprak een taal.

  7. Fraai gezelschap

    Bakkerij Le Fournil de ­Sébastian op het Olympiaplein is niet ‘open’, maar ‘ouvert’ en binnen blijk je een ‘tradition’ te kunnen kopen, net als bij de bakker in ­Parijs. Als ik wil betalen, moet ik mijn vijf euro biljet in een gleuf steken, waarna het wisselgeld rinkelend in een bakje valt. Dat is ook al net Parijs, waar je op deze manier je metrokaartjes koopt.

    Als ik met mijn stokbrood buiten sta, denk ik aan Lonneke, die hier op zaterdagmiddagen van lang ­geleden in een bloemenwinkel werkte. Lonneke woonde aan de andere kant van de Bos en Lommer, in het buurtje rond de Wiltzanghlaan, waar de avontuurlijker leeftijdgenoten woonden.

    Aan ­onze kant van de Bos en Lommer waren we allemaal keurig en ­deden we alles zoals het hoort. We gingen naar de middelbare school en naar de kapper en droegen trouw de kleren die onze moeders voor ons klaarlegden.

    Maar Lonneke en Ietske en Ria, die aan de andere kant woonden, hadden daar maling aan. Die gingen naar de mulo of de huishoudschool en lieten hun haar millimeteren of verfden het rood. Aan sport hadden ze een broertje dood en ze lazen geen boeken, maar schilderden hun ogen op en maakten schilderijen.

    Lonneke drukte regelmatig bij ons op de bel en als ik dan naar beneden was gekomen, bleef ze voor de deur rustig een uurtje met me staan kletsen. “Wat was dat?” zei mijn vader nadat hij ons een keer zo in gesprek had aangetroffen. “Dat was Lonneke,” zei ik. “Fraai gezelschap,” zei hij.

    Toen ze bij de bloemenwinkel weg was, ging Lonneke trouwen en in Osdorp wonen. En in tegenstelling tot wat je zou verwachten, smaakte de ‘tradition’ van Le Fournil naar Parijs.

  8. Bedevaart naar het verkeerde huis

    Iemand vertelde me dat op het adres Schilderskade 66 een gedenktekentje was aangebracht met de tekst ‘66 Van Egters’. De laatste keer dat ik er was, was het er nog niet. Vrijwel ieder jaar fiets of wandel ik wel een keer naar het huis en denk dan aan de jonge Gerard Kornelis van het Reve die op zijn kamertje De Avonden zit te schrijven.

    ‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de twee en twintigste December 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van ­deze geschiedenis, Frits van ­Egters, ontwaakte,’ schreef Gerard en uit deze zin komt dan het hele wonderbaarlijke boek tevoorschijn, dat wij van de club ieder jaar in tien sessies, te beginnen op 22 december herlezen.

    Tijd om weer een keer op bedevaart te gaan, maar eerst langs de Gerard Revebrug om te kijken of ie nu Gerard Revebrug heet. Dat bleek het geval, maar blij werd ik er niet van, want in plaats van mooie letters op de brugleuning hadden ze er zo’n blauw straatnamenbordje aan gehangen. Het moest weer eens op een koopje, net als met de loopplank in Nieuw-West die ze naar Karel van het Reve hebben vernoemd.

    Bij Schilderskade 66, dat zich ­zoals iedereen weet op de hoek met Saffierstraat bevindt, stapte ik af en ging op zoek naar het ­gedenkteken. Ik keek omhoog, ik keek omlaag, ik ging de hoek om, de Saffierstraat in, maar nul komma niets, geen gedenkteken te bekennen. Hoe dit verklaren?

    En plotseling was daar de twijfel. Was het mogelijk, zou het kunnen, had ik al die jaren een bedevaart naar het verkeerde huis gemaakt?

    Dat gedenkteken, dat blijkt er ook al veertien jaar te zitten.

  9. Fijn veel opticiens

    We zouden naar de film, maar nadat mijn geliefde de ­deprimerende samenvattingen had voorgelezen, besloten we lijn 1 te nemen. In de 1 wordt de stad steeds groter.

    Bij de halte Johan Huizingalaan al kon ik er niet over uit dat ik hier helemaal gewoond had. Wat een ongehoord eind fietsen moet dat zijn geweest, en bij deze halte ben je nog niet eens halverwege geloof ik.

    We wilden naar het eindpunt, dat zich naar mijn beste weten aan de Sloterplas bevond, maar zich uiteindelijk op Matterhorn bleek te bevinden, bij de Alpen.

    Toen we uitgestapt waren, was er ter plekke helemaal niets, zodat we de eerste 1 terugnamen, om nu uit te stappen bij Meer en Vaart.

    De Sloterplas lag er prachtig bij. De fontein spoot zijn waterstraal zo hoog als ie kon en de plas was als een donkere spiegel. We staken over en liepen het winkelcentrum binnen. Prima winkelcentrum, ­alles bij de hand, van Etos tot Hema en fijn veel opticiens, precies zoals het hoort.

    Maar bij het Osdorperplein raakte de fut eruit. “Is dit wel de weg naar de roem?” hoorde ik naast mij verzuchten, waarop we op ­onze schreden terugkeerden en plotseling voor de etalage stonden van Chocolaterie Stam.

    Er werd ‘heerlijk zachte roomboterborstplaat’ aangeprezen en in de etalage lagen enorme marsepeinen bloedworsten, roze biggetjes en pikzwarte mannetjes met malle mutsen op.

    Mijn aandacht werd getrokken door een snoepjesboeket. Prachtig, maar hoe heetten die snoepjes ook alweer? “Ik ga het even vragen,” zei ik.

    Nadat ik mijn vraag gesteld had, opende de vriendelijke verkoopster haar mond, maar geluid kwam er niet uit. Ze was haar stem kwijt, Daar stonden we dan, in Osdorp, bij Stam, en bijna Sinterklaas.

  10. Mooie schemering, fijne stad

    Het schemert in de Spiegelstraat. Het blauwe uur is net begonnen en de achterlichtjes van de fietsen vlammen in het halfduister. Bij iedere brug kijk ik de gracht af, over het rimpelende water, langs de bomen en de gevels. Mooie schemering, fijne stad.

    Ter hoogte van Heuvel besluit ik er een te nemen. Lang geleden dat ik hier voor het laatst was. Peter Vos leefde nog, want met hem heb ik toen zitten praten.

    De jeugdige kastelein schenkt een borrel in. De andere klanten zitten aan het bier. Vanaf mijn barkruk zie ik aan de ene kant de feestverlichting in de Spiegelstraat en aan de andere de lichtjes in de bomen langs de Spiegelgracht. Alle Amerikanen die hier zitten, gaan vergezeld van een Aziatische vriendin, Thais, Philippijns, Indonesisch. Wonderlijk, denk ik, maar zin me er verder in te verdiepen, heb ik niet.

    Het jonkie smaakt weer goed vandaag, zo goed zelfs dat ik overweeg een opvolgertje te nemen. Gelukkig heb ik al betaald, dit om opstappen gemakkelijker te ­maken.

    Op de brug over de Singelgracht kijk ik naar het woord HEINEKEN dat in de verte in neon boven het water zweeft, terwijl uit een andere verte Vivaldi’s Lente naar me toe komt drijven. De vier muzikanten zitten in de passage onder het Rijks, en het aardige is dat er een accordeon bij is. Het licht in de passage komt van de flitsende mobieltjes.

    Weer buiten kijk ik over de vlakte van het Museumplein, waar ze ­alweer druk bezig zijn het nep-­ophaalbruggetje over de ijsbaan op te bouwen. Het is doodstil en door de stilte loop ik langs een kaarsrechte streep van witte tegels over het kaarsrechte pad dat het plein in tweeën deelt.