live

Klein geluk in Amsterdam: De gelukkige bewoner van 39

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. De gelukkige bewoner van 39

    Op de foto zit Karel Appel aan een tafeltje dat met drie borden gedekt is. Geen messen en vorken. Wat op zijn bord ligt kan ik niet ontcijferen. Zijn het taartjes? Broodjes misschien?

    Er staat een stevige potkachel in de kamer en boven de schouw is een magistrale wandschildering met kinderen en vogels, onmiskenbaar van de hand van Karel Appel zelf. Langs het raam staat een bed. In de vensterbank boven het bed zit een meisje met vlechten wijdbeens in de vensterbank, een voet op bed, een voet in de vensterbank.

    Op de achtergrond zie je een rij pakhuizen. Het zijn de pakhuizen Januari, Februari en Maart. De foto is gemaakt in het huis Achtergracht 39.

    Toen ik er voor stond om de boel eens goed te bekijken, kwam toevallig de bewoner aangelopen. “Weet u wie hier gewoond hebben?” zei ik. Dat wist hij. Ed van der Elsken had hier gewoond. “Klopt,” zei ik, en daarna Eddy Posthuma de Boer en zijn Henriëtte en toen zij vertrokken in 1963 kwam Johan van der Keuken hier te wonen.

    “Drie beroemde fotografen op rij, het is haast niet te geloven. En dan was er ook nog een wandschildering van Karel ­Appel.”

    “Die is er niet meer,” zei de bewoner, die Ralph Pilleri bleek te heten, “maar op internet heb je zo een foto gevonden.”

    “Kan je de Amstel zien?” vroeg ik.
    “Nee” zei hij, “alleen de pakhuizen.”

    “Nee, vanuit uw huis bedoel ik,” zei ik. Dat kon je. Toen ik afscheid nam, trok ik aan de trekbel. Die rinkelde. Op de grachten trek ik aan iedere trekbel die ik zie, maar ze zitten altijd vast. Maar ­deze niet en die van de buren deed het ook nog, waarschuwde hij, de gelukkige bewoner van 39.

  2. Een geeloranje schijf aan de hemel

    Afgelopen dinsdag had ik ineens het gevoel in een zonsverduistering te ­lopen. Het licht was anders, de schaduwen vielen anders, zelfs geluiden leken anders te zijn.

    Toen ik naar de hemel keek, zag ik een zon die ik nooit eerder zag. De zon is een vuurbal die licht uitstraalt. Wie in dat vuur kijkt, wordt meteen gestraft. Maar nu stond er een geeloranje schijf aan de hemel die nog het meeste leek op een volle maan. En die zich als de maan straffeloos bekijken liet.

    Het vreemde was dat de hemel achter de zon donker was. Normaal gesproken zie je de zon ­alleen aan een blauwe hemel. Vreemde zon of was het toch de maan?

    Omdat Marthe onlangs een zusje had gekregen, ging ik even bij haar op bezoek. Ze plakte wat uitgeknipte bladeren, pardon, veren op een A4’tje en deed alsof ze mij niet zag.

    Ze is bijna 4 en was vandaag voor het eerst naar school. “Heb je de zon nog gezien?” vroeg ik, “die had zich als de maan verkleed.” Marthe gaf geen antwoord, maar haar moeder vertelde dat de kinderen in de klas hadden mogen kiezen of het de zon was of de maan die ze aan de hemel zagen staan.

    Alle kinderen hadden het goed, het was de zon, alleen een heel erg domme moeder had het fout gehad.

    Terwijl ze het terras van Café Schiller installeerde, vertelde ­mevrouw Schiller me dat het kwam van het Saharazand en van de bosbranden in Portugal. Had ze op de radio gehoord.

    Toen ik naar huis fietste zag ik aan het einde van de Lutmastraat de maanzon nog een keer hangen, groot en rond en rood als de voorbode van een Egyptische duisternis.

  3. Alles rood als ossenbloed

    Na een meanderende wandeling door de voormalige Jodenhoek stak ik aan het einde van de Nieuwe Uilenburgerstraat de brug over de Houtkopersburgwal over en belandde zo voor het Rembrandthuis waar het zuiltje staat met het gedicht van Jacob ­Israël de Haan:

    ‘Die te Amsterdam vaak zei: “Jeruzalem”/ En naar ­Jeruzalem gedreven kwam,/ Hij zegt met een mijmerende stem:/ “Amsterdam. Amsterdam.” Een tamelijk onnozel gedicht eigenlijk, maar tegelijkertijd zo aangrijpend, dat je het als je het een keer gehoord of gelezen hebt nooit zult vergeten.

    Terwijl ik de trap naar het Waterlooplein afdaalde, vroeg ik me af of ik nog meer van zulke versjes wist, maar dat schoot niet erg op. Op het plein stond ik wat in een bak te rommelen toen ik werd aangesproken door een man die vroeg of ik was wie ik was.

    Nadat ik dat bevestigd had, vertelde hij me dat het huis met de bloedvlekken aan de Amstel, waarvan ik twee jaar geleden berichtte dat ik het niet vinden kon, wel degelijk bestond. “Je weet niet wat je ziet,” zei een andere man. “Al dat bloed en dat na driehonderd jaar.”

    “Ik ga meteen kijken,” zei ik, waarop ik mijn fiets pakte die ik hier een paar uur eerder had neergezet. Een paar minuten later stond ik voor Amstel 216, waar ik mijn ogen uitkeek, geheimzinnige tekens, namen, een zinkende driemaster, alles rood als ossenbloed.

    Op weg naar huis besloot ik nog even in de Oudemanhuispoort te kijken voor je weet maar nooit. De man van zo-even stond er zijn boekenstal open te maken. “Ik ben blij dat het me van het hart is,” zei hij. “Want het heeft me al die tijd zwaar op de maag gelegen.”

  4. De hele dag flauwiteiten

    Ontbeten met een ­haring, geluncht met een kroket en een biertje toe. Zo’n dag leek het te worden, maar toen ik buiten kwam, lag er een omgewaaide lantaarnpaal voor de deur die een ­hele andere kant op wees.

    Nooit geweten dat lantaarnpalen konden omwaaien. Fietsen, dat wist ik, maar hoe fietsen tegenwoordig vallen, is niet meer van deze tijd. Toen ik klein was, deed je dat met dominostenen en later hoorde ik dat het daarom het domino-effect genoemd werd.

    Er valt een fiets, op het Roelof Hartplein laten we zeggen, en drie tellen later liggen er tot aan de Ferdinand Bolstraat fietsen op de straat. Niemand die ze opraapt, maar toch staan ze volgende dag weer in het gelid en overeind.

    Inmiddels liep ik in afwachting van wat voor dag het dan wel worden zou door de Van Baerlestraat, toen een jongen in zijn remmen kneep en van zijn fiets stapte om een telefoon op te rapen. Zijn telefoon natuurlijk, maar ik zei: “Telefoon gevonden?”

    Daarmee was het pleit beslecht, het werd zo’n dag van even hinderlijke als bemoeizuchtige geestigheden waar niemand om gevraagd heeft, zo’n dag die ik me vooral herinner van de katers van weleer. Wie meer wil weten kan het opzoeken in Brief uit Amsterdam van Gerard Reve.

    Het is onwaarschijnlijk hoe je de hele dag flauwiteiten aan elkaar kunt rijgen zonder op je nummer te worden gezet.

    Het beste deden het de meisjes in de leeftijd van 9 tot 11 die bij Par Hazard op de Ceintuurbaan met kattenoren op eensgezind op hun eten zaten te wachten. “Zijn jullie een club?” vroeg ik. “Jazeker,” antwoordde een moeder, “de Dierendagclub.”

    “Wat hebben jullie ­besteld?” vroeg ik, “kattenbrokjes?” “Bijna goed,” zei een tienjarige, “maar we krijgen vissticks.”

  5. Poëzie is overal

    Van het Zonneplein naar het KNSM-pontje loopt een muizentrap, links, rechts, een eindje rechtdoor en dan weer links, rechts, door de verbazingwekkende Nieuwe Zonnestraat, langs de Kometensingel waar in de voortuinen de appels aan kleine appelbomen hangen, en zo hup een industrieterrein op. Vanaf een bankje kan je de schepen in de haven bekijken, bescheiden motorbootjes, heuse jachten, een ijsbreker.

    Als we het pontje in het zicht krijgen, passeren we een café waar een bord hangt met de tekst ‘Kom hier zitten aan de waterkant/ met een lekkere cocktail in je hand’, poëzie zo blijkt maar weer is overal.

    “Lag hier niet een onderzeeër?” zegt mijn geliefde. De roestbak ligt vlak voor haar neus, maar om de een of andere reden ziet ze hem niet. “Misschien is hij onder?” zeg ik. Terwijl zij het water afspeurt, laat ik mijn aandacht treken door een reusachtige muurschildering van een zwartharig meisje dat me vaag bekend voorkomt. Ineens weet ik: Anne Frank, dit moet ­Anne Frank verbeelden.

    Van alle lelijke muurschilderingen in de stad, denk ik, is dit wel de lelijkste. Hoewel, de afbeelding van Marilyn Monroe met opwaaiende ­zomerjurk in het portiek van Devils & Angels, naast café Le Patron in de Vijzelstraat mag er ook zijn. Iedere keer als ik er langs fiets schrik ik even. Toch ben ik er aan gehecht, net als aan de prachtige Amy Winehouse op de hoek met de Fokke Simonszstraat iets verder op.

    En als je doorloopt, doorfietst, doortramt kom je vanzelf bij de Reguliersbreestraat. Op de hoek aan de Amstelkant vind je daar het door graffiti aangetaste maar onverwoestbare portret van Dizzy Gillespie die hier al jaren sterren aan de hemel blaast.

  6. Namen die doen dromen

    Heel lang waren IJ en wij van elkaar gescheiden, maar wie het busstation achter het Centraal betreedt, weet: die tijd is voorbij. Wat een uitzicht van deze hoogte, zo weids heb ik het IJ niet eerder gezien.

    We gingen op expeditie naar Tuindorp Oostzaan, naar het Zonneplein, en om daar te komen ­namen we bus 35, uitstappen op de halte Maanstraat was ons verteld.

    Maanstraat, Zonneplein, Zonnestraat, het zijn namen die doen dromen en deze keer viel de werkelijkheid niet tegen.

    Van de Maanstraat liepen we de Orionstraat in, in 2010 nog uitgeroepen tot de mooiste straat van Noord, waar we genoten van de sierlijke voortuintjes en de versieringen aan de gevels. Aan het huis op de hoek met Polluxstraat hing een opengewerkte gitaar met daarin een pandabeertje en paar miniboeddha’s.

    Toen we een foto maakten, kwam de bewoonster naar buiten. “Mooi hè?” zei ze. Dat beaamden we en ik vroeg of ze wist hoe hoog het water was gekomen. In 1960. Tijdens de Grote Overstroming. Maar dat wist ze niet. Ze had nog wel een foto waarop je de kogel­gaten in de muren kon zien van vlak na het bombardement in juli 1940.

    Even later liepen we door de poort van de Zonneweg het Zonneplein op. Het mooiste plein van heel Amsterdam, zag ik in een oogopslag. Ruim met mooie ­bomen en gaanderijen die het plein tot het place des Vosges van de Amsterdamse School maken.

    Toen we op het terras van Lokaal Spaanders van de lekkerste tosti ooit genoten, zei de uitbaatster dat we niet met de bus terug hoefde, want de pont was vlakbij, vijf minuten lopen, nou ja tien misschien, maar in geen geval meer dan een kwartier.

  7. Wat zou er op de pont gebeuren

    Jarenlang begroette ik mijn kleindochter bij iedere ontmoeting met de woorden: “En, hoe is het met de tafel van 8?” Nu ze op de middelbare school zit, kan dat niet meer, maar gelukkig is ze uitverkoren door een school in Noord zodat ik kan zeggen: “En, hoe was het op de pont?” De reactie is ongeveer hetzelfde.

    “Wat zou er op de pont gebeuren?” voegde ze er de laatste keer aan toe. “Dat zal ik je vertellen,” zei ik.

    In het verhaal dat ik recent van een voormalige Noordbewoner te horen kreeg, staat er als de pont achter het IJ is afgemeerd al een stevige menigte klaar om aan boord te gaan.

    Midden voor de pont, wat het verlaten van de pont niet eenvoudiger maakt.

    De schipper die het vanachter zijn panorama venster ziet gebeuren, pakt zijn microfoon en zegt: “Mensen, als u nu allemaal een stapje opzij gaat dan kan iedereen er door en bent u sneller aan boord.” Geen ­reactie, iedereen blijft staan waar ie stond.

    Waarop de schipper ­opnieuw de microfoon pakt. “Mensen,” zegt hij, “als u…ach krijg ook allemaal de kolere.”

    In de auto van de Groot Moefti van Noord vertel ik het verhaal nog een keer. Als we uitgegrinnikt zijn, wijst de Moefti en zegt: “Jaap van Heerden?” En inderdaad, Jaap van Heerden, de schrijver, de filosoof in zijn regenjas, staat bij de zebra op de hoek van de Olympiaweg en de Stadionweg heel erg Jaap van Heerden te wezen.

    Sommige mensen worden als ze ouder worden onherkenbaar. Anderen dragen hun jongere ik nog in zich mee. Mensen als Jaap van Heerden gaan steeds meer op zichzelf lijken, alsof ze nu pas worden wie ze altijd al waren.

  8. Kalvijn met een K

    In de tram zit ik schuin tegenover een onopvallende jongeman. Witte oordopjes in, telefoon in de hand, niets aan te zien, en groot is dan ook mijn verbazing als zich plotseling twee opgewonden meisjes bij hem melden. Allebei een jaar of veertien, allebei een beugel. Ze duwen en trekken elkaar voort zoals meisjes doen als ze iets ondernemen wat ze eigenlijk niet durven.

    Of ze met de jongeman op de foto mogen, willen ze weten. “Ja hoor,” zegt hij vriendelijk. Na de selfie-ceremonie gaan de meisjes giechelend af.

    “Wie ben je,” zeg ik tegen de jongen. Normaal zou ik dat nooit durven vragen, maar in functie ben ik onverschrokken. Hij zegt dat hij Kelvin heet, maar zich Kalvijn noemt, “Kalvijn met een K,” waarop ik hem vraag waar de meisjes hem van kennen. “Ik maak filmpjes,” zegt hij, “op internet. Kent u dat, internet?” Daar heb ik inderdaad weleens van gehoord. “Op YouTube?” zeg ik. Op YouTube.

    “U zult het wel hele flauwe filmpjes vinden, maar er zijn ook mensen die het leuk vinden.”

    ’s Avonds kijk ik een filmpje waarin de 21-jarige Kalvijn (600.000 abonnees) de generatiekloof bespreekt met Bibi van negen. Van de generatiegebonden begrippen waarmee ze elkaar bestoken ken ik alleen de Scoubidou. Die was uit 1959, en hoe ie bij Kalvijn en Bibi is beland, is me een raadsel. Maar leuk is het wel.

    Dezelfde dag nog werd ik ook herkend in de tram. Door de kapper van een vriend uit Amstelveen. Hij had de dag tevoren een tweeling in de zaak gehad. Een met een enorme bos haar en de andere kaal. Als kalentroost zei hij toen: “God schiep de volmaakte mens, de anderen gaf hij haar.”

  9. Een man op een fiets met een petje op

    Als ik met mijn dochter en kleindochter door hun buurtje loop, voel ik me na een tijdje net de ­Koningin van Lombardije. Iedereen kent iedereen hier, lijkt het wel. Wat dat betreft was het vroeger wel anders. Op straat zei je ­elkaar niet gedag, niet in West in ieder geval, en praatjes maken met elkaar was er al helemaal niet bij.

    Maar als ik nu op het terras van Radijs zit, op de hoek van de Jan Eef en de gracht van Admiralen, is het een komen en gaan van bekenden, gezwaai van fietsers en getoeter van auto’s.

    Als we hebben afgerekend en ik mijn fiets van het slot haal, steken dochter en kleindochter vast over richting Albert Heijn. Ze zijn nog op de brug als ik ze in druk gesprek zie raken met een man op een fiets met een petje op. Als ik dichterbij kom, zie ik dat hij van top tot teen getatoeëerd is.

    “Ken je hem nog?” zegt mijn dochter. “Micky!” Micky is een van de kinderen uit Studio Paradiso van Max Natkiel, waarin foto’s van punkers uit de jaren tachtig zijn verzameld. Elf jaar was hij toen Natkiel hem fotografeerde, achterdochtig, in volle botsing met de wereld. Toen wij hem kenden, zal hij een jaar of zestien zijn geweest.

    Op de verjaardag van mijn dochter gaf hij haar een cadeau dat ze altijd bewaard heeft. Hij gaf het in het geheim – “Want,” zei hij erbij, “ik denk niet dat je ouders dit leuk vinden.”

    Nu stond hij op het punt om af te reizen naar Thailand. Voorgoed. Bij het afscheid stootten we onze vuisten tegen elkaar. “Tot over een jaar of twintig,” zei hij. We lachten.

  10. De veter van mijn rechterschoen

    Krant gelezen, koffie ­gedronken, geschoren, douche genomen, aangekleed, boterham ­gegeten, tijd om de deur uit te gaan. Maar eerst mijn schoenen aan. ‘Om eens te proberen,’ schreef iemand eens, ik meen dat het Tom Steen was, ‘eerst je schoenen en dan je sokken aan.’ Mooi regel, net als: ‘Andere man? Nee, schone sokken aan.’

    Mijn sokken had ik al aan en ik boog me voorover om mijn veters te strikken toen mijn geliefde voor me opdook, zich op een knie liet zakken en de veter van mijn ­rechterschoen voor me strikte, een ­verbijsterende ervaring. Hoe lang, dacht ik, is het geleden dat ­iemand mijn veter strikte?

    Die ­iemand zal mijn moeder zijn geweest. Zij strikte mijn veters zolang ik dat zelf nog niet kon, tot mijn vijfde, tot mijn zesde? Altijd in de keuken, ik op een blank gelakte keukenstoel, zij met een knie op het zeil. In Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust welt het verleden op uit een in lindebloesemthee gedoopte madeleine.

    Ik wil mijn veter niet met deze madeleine vergelijken, maar ineens herinner ik me wel dat het zeil zwart-wit geblokt was en dat er stoom uit de fluitketel kwam die niet floot omdat mijn moeder een hekel had aan dat gefluit en daarom van iedere nieuwe ketel die zijn droog gekookte voorganger opvolgde de stoomfluit weggegooide.

    In de loop van de dag vertelde ik verschillende mensen over de ­veter. Marion vertelde me daarop dat haar vriend als jongen onder de tafel gezeten eens de veters van zijn vader en zijn ooms schoenen aan elkaar geknoopt had. Wat ze niet gemerkt hadden, zodat ze na het opstaan struikelend over ­elkaar heen vielen. Lieve vader, leuke ooms.