live

Klein geluk in Amsterdam: Meedogenloos versnipperd

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Meedogenloos versnipperd

    Een goede vriendin had een Rotterdamse tante op wie zij zeer gesteld was. Wij ook. We hebben haar maar een keer ontmoet, maar zij stal voor altijd ons hart door het bos waar wij toen vlakbij woonden te betitelen als ‘een slordig bos’. Zo’n tante dus.

    Onze goede vriendin vertelde dat ze de brieven van haar favoriete tante nog eens had gelezen, en ze daarna had weggegooid. Nauwelijks bekomen van de schrik sprak ik een oude vriend die ging verhuizen.

    Hij had flink opgeruimd vertelde hij. Vooral zijn brievenverzameling had het moeten ontgelden. “Voor het Letterkundig Museum,” zei hij, “zijn ze niet geschikt, dus weg ermee.” Alle brieven van een wederzijdse vriendin waren zo voorgoed verdwenen. En waarom?

    Ik heb ook een stapeltje brieven van die vriendin. Het zijn flinterdunne, op blauw luchtpostpapier geschreven brieven die tezamen minder plaats innemen dan een half ons rookvlees dun gesneden. “Guus had ze graag willen hebben,” zei Dorine die erbij was en die maar wat blij is dat haar familie aan het begin van de vorige eeuw alles bewaard heeft.

    Mensen lijden aan een ziekelijke neiging tot opruimen. Alles moet weg. Boeken moeten naar de container, foto’s gedigitaliseerd, hele nalatenschappen worden mee­dogenloos versnipperd. Iemand zei laatst tegen me: “Ik wil niet zeggen dat je je al moet melden als de dode nog boven de grond is, maar hoe eerder je erbij bent hoe beter.”

    In lijn 24 sprak ik rabbijn Soetendorp. We kregen het over documenten en kwamen zo op brieven. Hij had een keer een brief van David Ben Goerion gekregen die hem, een jonge rabbijn toen, opgedragen had iets antisemitisch uit het Spinozahuis te verwijderen. “Ik kan die brief nergens vinden,” zei hij. “Geeft niks,” zei ik. “Zolang hij maar niet kwijt is.”

  2. Eerste en tweede prijzen

    'Denkend aan de dood kan ik niet slapen/ Niet slapend denk ik aan de dood.’ Dat is van Bloem.

    Ik denk vaak aan de jeugdleidster van de tennisclub waar ik als tienjarige kwam spelen. Haar naam deed mij altijd huiveren. Ze heette mevrouw De Dood.

    Onze tennisclub op de Zuidelijke Wandelweg was ooit een club met veel Joden en nog veel meer NSB’ers. Over de oorlog van mevrouw De Dood werd fluisterend gesproken.

    “Wat was er met je?” zei ze nadat ik in 1954 de beslissende wedstrijd om het clubkampioenschap verloren had van Kees Timman, terwijl ik toch zeker wist dat ik winnen zou.

    Ik heb Kees na afloop nog voorgesteld de wedstrijd over te spelen, maar daar wou ie om de een of andere reden niet aan.

    Ik probeer me mevrouw De Dood vaak voor de geest te halen, maar het lukt niet. Had ze geen grijze ogen? Woonde ze niet op de Overtoom?

    De reden dat ik vaak aan haar denk, is, denk ik, in haar naam gelegen, De Dood is overal. Overal in de stad zit ie je op de hielen, op pleinen en straten, vanuit de huizen houdt hij je in de gaten, hij wacht je op achter elke deur.

    Onze gang stond vol met de laatste spullen uit het huis van onze buurvrouw, die op Hemelvaartsdag was overleden. Het waren de spullen die niemand wilde hebben, een tafeltje, een kleed, twee prenten, een lamp, een doos met oude boeken en, tot mijn verbazing, een paar bekers, op tennistoernooien gewonnen eerste en tweede prijzen.

    Als ik in tenniskleren met mijn racket onder mijn arm onze buurvrouw tegenkwam, zei ze: “Zo, ga je tennissen?”

    Dat ze zelf goed getennist had, heeft ze me nooit verteld.

  3. Het is altijd wat

    De haringman van het Vishuisje op de brug over de Herengracht in de Utrechtsestraat was aan het multitasken. Hij praatte met een vriend, gaf instructies aan het personeel, wrikte aan de deksel van een haringemmer en vroeg ons wat we hebben wilden.

    Terwijl hij aan het schoonmaken sloeg, spotten we een pot braadharing. Braadharing? “Is dat panharing?” wilden we weten. “Braadharing, panharing, gebakken bokkem, allemaal hetzelfde,” zei de haringman. “De een zegt haring, de andere maatje, in Leiden zeggen we bokkem, het maakt niet uit, als het maar lekker is.”

    “Wij waren laatst in Leiden,” zei ik, “en daar hebben we op het stationsplein een haring gegeten. Die was zo lekker dat we er op de terug­weg nog een hebben genomen.” “Pfff,” zei de haringman, “dat loopt goed af. Die kar is van mijn oom, dus stel je voor dat jullie het niks vonden.”

    “Nee, heerlijk juist,” zeiden wij. “Komen jullie uit Leiden?” zei de haringman. “Nee, maar we komen er wel eens.” “Jullie zijn dus Amsterdammers?” Dat bevestigden we. “Ook gezellig,” zei hij.

    Onze haringen waren schoon en we namen plaats op het mini­terras om uit te kijken over de Utrechtsestraat met zijn aanstekelijke tramverkeer en ondertussen van onze haring te genieten.

    De haringman van het Vishuisje was inmiddels aan zijn volgende klant begonnen. “Die man,” zei hij en ik hoorde hem wijzen, “was laatst in Leiden en daar heeft hij een haring gegeten bij mijn oom. Hij vond hem heerlijk.”

    “Zo ging het verhaal niet helemaal,” zei ik. “Maar wel ongeveer,” riposteerde hij. “Bij mijn oom in de kar,” vervolgde hij, “staat een bordje met: ‘Altijd wat’. Vroeger snapte ik dat niet, maar nu ik wat ouder ben, denk ik: hij heeft gelijk. Het is altijd wat.”

  4. Een langzaam stijgend wonder

    Hoe ik er gekomen was, wist ik niet precies, maar ineens stond ik aan het Amsterdam-Rijnkanaal. De huizen aan de Zeeburgerdijk lagen aan de Flevoparkweg en waar de Zeeburgerdijk was, was onduidelijk, maar ik was waar ik wezen wou, op de Westelijke Merwedekanaaldijk.

    Het is links en rechts water op de Kanaaldijk. Het kanaal aan de ene kant, het Nieuwe Diep aan de andere. Geen auto’s, geen bebouwing, alleen maar hoge hemelen.

    Het was dat er al een doorzichtige nevel over het blauw lag, anders had je je in de zomer gewaand. De enorme brug in de verte moest de Zeeburgerbrug zijn en de ranke brug daarachter die van Nescio.

    Ken uw stad. De aanloop naar de Nesciobrug is een langzaam stijgend wonder, de brug zelf een feest en afdalen gaat als vanzelf. Eenmaal beneden reed ik het niemandsland binnen.

    Onder aan de dijk stonden zomerhuisjes waar de Oost-Indische kers bloeide en glimmende appels aan de bomen hingen. Maar weinig horeca, zeurde het stemmetje van binnen.

    Langs het steeds smaller en bonkiger pad lagen op gezette afstanden ondiepe waterbassins en op het kanaal werd Marco tegemoet gevaren door Pandora.

    Na een tijdje wist ik niet meer waar ik was. Waar ik ook keek, ik herkende niets, maar toen ik vreesde dat ik op een industrie­terrein was beland, bleken het de Oranjesluizen.

    Waar de mannen zoals altijd naar het schutten stonden te kijken.

    Een kwartier later zat ik op het terras van het Sluysje met een aanpalend echtpaar over eenden te praten. “Was het geen nonnetje,” zei zij. “Nee,” zei ik, “die zijn onmiskenbaar.” “Krakeenden, denk ik,” zei hij.

    Uit het café kwam een man met in elke hand een glas bier.

    “Twee maal klein geluk,” zei hij in het voorbijgaan.

  5. Anders kom je nergens

    Geen doel maar wel op de kaart gekeken. Beter kan het niet, al helemaal omdat het vandaag, terwijl het gisteren toch de mooiste herfstdag sinds mensenheugenis was, een nog mooiere herfstdag is dan gisteren. Ik wilde naar het Amsterdam-Rijnkanaal. De kunst is om je onderweg niet te veel te laten afleiden, want ­anders kom je nergens.

    In de Tweede Jan Steenstraat bijvoorbeeld zag ik een etalageruit met het woord Armando erop. Moest ik daarvoor afstappen? ‘Van 1983 tm 2001,’ las ik toen ik afgestapt was, ‘woonde Armando hier in de Tweede Jan Steenstraat (en Berlijn).’

    Erika Veld fotografeerde twee jaar zijn atelier. Een van haar foto’s hing in de etalage, waarin zich verder een paar stenen bevonden, twee paar rubberen handschoenen met verfspatten en een hartvormige steen met een gat waar een penseel doorheen gestoken was.

    Een dag eerder zag ik bij Athenaeum het etalagehoekje waarin de schrijver Dirk Ayelt Kooiman werd herdacht met twee foto’s en twee oude nummers van de Revisor. Jan Meng stond ook op de foto’s zag ik.

    Hoe lang geleden was het geleden dat ik hem voor het laatst gesproken had, Dirk meen ik, Jan kom ik nog wel eens tegen. Zolang in elk geval dat ik me niet meer herinnerde hoelang, laat staan dat ik nog weet waarover we het hadden.

    Goede schrijver, Dirk, net als Siegfried van Praag, de schrijver van Jeruzalem van het Westen. Bij Schiller, waar Willy en ik elkaar na mijn bezoek aan Athenaeum ontmoetten, hadden we het over hem.

    Willy vertelde een mopje dat Van Praag hem eens had verteld: “Twee Joden zaten bij Schiller. Zegt de ene: ‘Doe jij nog wat aan je geloof?’ ‘Jazeker,’ zegt de andere. ‘Wat dan?’ ‘Ik zit twee keer per week bij Schiller.’”

  6. De kinderhoofdjes glommen

    Wegens het mooiste herfstweer sinds mensenheugenis had ik het water ­opgezocht. Vanaf de Gelderse­kade was ik de Waalsteeg ingedoken om er aan de Oude Waal weer uit te komen. Er bloeiden stok­rozen in de steeg.

    Op de Waals­eilandbrug keek ik naar het water en het zonlicht dat eroverheen schetterde.

    Het wit van de Montelbaanstoren was witter dan ooit en ik dacht, daar woonden Matthijs en Phil van De Fabeltjeskrant, en daar Jean-Paul Vroom die zo’n mooie vlindertafel had en hier, op de hoek van de Lastageweg, zat ­café Het Hoekje waar het dichters-paar Alain Teister en Thera Westerman iedere middag zo vanaf een uur of vier met bier en jenever en allerlei tussenvormen keek of het ook op kon.

    En dat kon het, zoals zou blijken.

    Een keurige jongen vroeg me de weg naar het Waterlooplein en een moeder met een klein jongetje aan haar zijde, zei: “Weet je hoe papa en mama die rooie auto noemen?”

    Het jongetje had iets anders aan zijn hoofd dan een rooie auto, maar ik was zo nieuwsgierig dat ik achter de vrouw aanrende en haar naar het antwoord vroeg. “De ­tomaat,” zei ze.

    Door de Buiten Bantammer­straat liep ik naar het met kinderhoofdjes bestrate stuk weg langs het Oosterdok. De kinderhoofdjes glommen in het licht.

    De eerste twee schepen langs het eerste strekdammetje hadden geen naam, het derde schip heette Hendrik, het vierde Lorien, het vijfde Stand By en het zesde ­Beagle. Dat was een soort jeugdhotel zo te zien.

    Tussen de schepen stond een jongen te vissen. “Vang je wel eens wat?” wilde ik weten. Dat deed hij. “Zoals?” zei ik. “Meestal snoekbaars,” zei hij. Toen we onze dialoog beëindigden, was de ene visser er vijf geworden.

  7. Op het eerste plaatje al

    Is Heinz een Amsterdammer? Natuurlijk, zult u zeggen. Heinz praat als een Amsterdammer, Heinz loopt als een Amsterdammer en gedraagt zich als een Amsterdammer, dus zal hij wel een Amsterdammer zijn. Eens, maar is er ook fysiek bewijs? Over een beetje stripfiguur zijn hele veldslagen uitgevochten. Is Guus Geluk een eend of een gans?

    Deed kapitein Rob het met Magda of met Willy, of met allebei? Waar zijn de ouders van Kuifje? Hoe zat het tussen Winonah en Pum Pum? Wat zei Kick Wilstra toen hij met Jenny het riet in roeide? Heeft Midas Wolf behalve het onsterflijke ‘Zonder spek/ word ik gek’ nog meer gedichten geschreven? Wie is Dick Bos en waarom?

    Is Heinz een Amsterdammer? Ik heb het eerste deel van het verzameld werk erbij gepakt en ben eens gaan kijken. Heinz uit de kast pakken is een van de dingen die je beter niet kunt doen. Je slaat Heinz open, bekijkt hier en daar een plaatje en voor je het weet, ben je bij opa Platvink, zit je op zee of in het Vreemdelingenlegioen.

    En zie daar maar eens weg te komen. Maar bladzijde 59 dus bracht uitkomst over de vraag of Heinz niet alleen een Amsterdammer is, waar we van uitgaan, maar ook in Amsterdam woont.

    Op het eerste plaatje al loopt hij samen met Frits tussen twee amster­dammertjes. Frits vindt dat Heinz er eens uit moet en hij wil hem meenemen naar de tentoonstelling van Herman Tenekaas.

    “Die is,” zegt Frits op het derde plaatje, “bezig met de demystificatie van materiaal en object!!” Waarna Heinz op het vierde plaatjes bovenop een ­authentiek Amsterdamse lantaarnpaal is gaan zitten. Nu is er dus Heinz de film. Ik houd mijn hart vast. Maar ik ga kijken.

  8. Omstrengeld en gevangen

    Als ik vanaf de Beethovenstraat rechtsaf de Stadionweg opdraai om naar de Holbeinstraat te gaan, steek ik meteen over naar de tramrails die vanaf het Olympiaplein langs de vluchtheuvel voeren.

    Wel opletten dat er geen tram of taxi aankomt, maar heerlijk fietsen zo tussen de rails en tegen de rijrichting in. Graag zou ik zo eens naar het Centraal Station rijden, bij voorkeur door de Leidsestraat.

    Als je op de fiets rechtsaf wil, zijn er twee mogelijkheden. Er is een stoplicht of er is geen stoplicht. Als er geen stoplicht is, is er geen probleem en kan je gewoon rechtsaf slaan, behalve als de boel verstopt zit.

    In dat geval kan je geduldig wachten, proberen over links bij de afslag te komen of de stoep nemen. Als er een stoplicht is, en het staat op groen, dan is ­alles ongeveer hetzelfde.

    Staat het stoplicht op rood, dan is er de kans dat je toch rechtsaf mag. Mag dat niet, dan kan je geduldig wachten tot het licht op groen gaat, proberen over links bij de afslag te komen of de stoep nemen.

    Is er geen stoep, maar een landje of grasveldje, dan zal daar in de loop van de tijd een olifantspaadje ontstaan.

    Wie van de Breitnerstraat naar de Apollolaan fietst, treft bij de bloemenstal een betegeld olifantspaadje aan, het enige exemplaar mij bekend. Toen ik van de week bij de bloemenstal afstapte om de zaak aan een nader onderzoek te onderwerpen, viel het me op dat de bloemenstal open was, maar er volkomen verlaten bij lag.

    Toen ik verder fietste, zag ik hoe dat kwam. Achter kar en bloemen verscholen zaten het bloemenmeisje en haar geliefde, op hun hurken tegen over elkaar, omstrengeld en gevangen in een oeverloze kus.

  9. Ik wou da'k was

    Met mijn vriend de schaker, die geen schaakvriend is, zat ik na een potje tennis aan het IJsbaanpad nog wat na te praten.

    Hij vertelde dat de Peruviaanse die bij hem de boel schoon houdt, op het punt stond naar Peru af te reizen in verband met een reünie met haar oude volleybalvriendinnen.

    Het ene verhaal haalt het andere uit en dus vertelde ik dat ik enkele weken eerder, tijdens een flitsverblijf in Valencia, in een café aan het grote plein in het centrum ­zeven vrouwen van een Vlaams volleybalteam had ontmoet en dat ik voor ze had gezongen.

    “Wat?” wilde mijn vriend weten. Waarop ik ‘Ik wou da’k was’ voor hem zong: ‘Ik wou da’k was/ een lekker glaasje wijn/ ik wou da’k was een lekker glaasje wijn/ was ik een lekker glaasje wijn/ ’k zou altijd op je lippen zijn/ ik wou da’k was een lekker glaasje wijn.’

    “Dat lijkt erg op de Broek van Doris Day,” zei Hans, en hij begon al te zingen: ‘Ik wou da’k was/ de broek van Doris Day.’

    Verder kan niet in een nette rubriek en dus viel ik hem in de rede met “Nee, nee, nee, het is om­gekeerd, het glaasje wijn was eerst, de Broek van Doris Day is een variant op dat glaasje wijn.”

    Een paar dagen later mailde Hans me in een heel ander verband dat de beroemde grootmeester Sawielly Tartakower tientallen jaren in hotel Mazagran had gewoond, in de rue de l’Échiquier in Parijs.

    ‘Is de Schaakbordstraat naar hem genoemd?’ wilde ik weten. Nee, dus.

    De vraag is nu wat precies het verband is tussen het Schaakbord en de Broek van Doris Day. Geen idee, maar dat er een verband is, lijkt me zeker.

  10. Eerst de vader een hand

    Het is verbazingwekkend hoeveel plezier een mens kan ontlenen aan het vooruitzicht van een bezoekje aan de slager. Ik was meer dan twee maanden niet langs geweest, wegens hij op vakantie, ik op vakantie en nog zo het een ander, maar nu was het weer zover en was ik op weg naar de Marathonweg

    Onder de eeuwenoude platanen langs de Apollolaan waren mannen in hesjes bezig de bladeren op te ruimen. Geen opzienbarend nieuws, maar ze deden het met een hark, en dat mag een nieuwtje heten.

    Zoals altijd was het een heerlijk ritje. Helemaal blij kwam ik bij Zikking binnen, waar ik eerst de vader een hand gaf en toen de zoon, waarna er een meisje restte dat gehakt aan het draaien was. Na haar gehakthand vertelde ik over een vriend, Hans van Bronkhorst met wie ik zes jaar op de lagere school heb gezeten, die in de jaren zestig als leerlingkok bij het Doelen Hotel werkte.

    In zijn pauze sleutelde Hans graag aan zijn brommer. “Maar krijg je dan geen vreselijk smerige handen,” zei ik. “Een keer gehakt maken,” zei Hans, “en ze zijn weer schoon.”

    Zikking zit op 55, schuin tegenover 66, waar mijn vader heeft gewoond op drie hoog, van 1932 tot 1935, van zijn zeventiende tot zijn twintigste. Hij heeft er nooit een woord over gezegd, maar het moet voor een kind uit Kattenburg vreemd zijn geweest daar in Nieuw Zuid.

    66 driehoog heeft kleine ramen en zit schuin boven een van de poortjes naar de Achillesstraat. Aan mijn vaders kant wordt het poortje opgesierd door een blote vrouw en een half geklede vrouw. Op het poortje aan de andere kant van de Marathonweg rennen twee hardlopers voorbij en staat een derde voorover gebogen uit te hijgen.