live

Klein geluk in Amsterdam: Naamloze kruispunten

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Naamloze kruispunten

    De naam van naamloze kruispunten is een zorgelijke zaak. Is het de Krommerd, de Krommert of de Krommerdt?

    Wie het weet, mag het zeggen. Maar ik bemoei me er niet mee, want voor je het weet, is het ruzie.

    En de beroemde sigarenwinkel op de Krommer(t)(d)(dt), waar ’s avonds de man met de leren jas en de geldtas op zijn buik de wacht hield bij een rij sigarettenautomaten, hoe heette die voor hij Primera Shamoun ging heten?

    Toen ik binnen eens ging vragen, trok de jongen achter de toonbank een lade open en overhandigde mij een glazen cliché, waarop Laurel en Hardy stonden afgebeeld.

    Ze rookten allebei een sigaar, wat Hardy heel blij maakt en Laurel aan het huilen. Het bijschrift luidde: ‘Hardy rookt een lekkere sigaar van Veenendaal. Laurel niet. Veenendaal geeft/ wat een ander niet heeft.’

    De winkel heette Veenendaal meende ik te mogen concluderen. Wonderlijk, dacht ik, al dat Veenendaal in de stad, de Veenendaalse lingeriewinkel op de Ceintuurbaan, klokkenwinkel Veenendaal op de Vijzelgracht, en nu weer een sigarenboer op de Krommer.

    Maar inmiddels weet ik beter. Onlangs stuurde Lex Lammen (1938) mij zijn in 2006 verschenen en inmiddels onvindbare boekje De kromme Admiraal, waarin hij herinneringen ophaalt aan een jeugd op en om de Admiraal de Ruijterweg.

    In dit meesterwerkje trof ik een door Eddy Posthuma de Boer gemaakte foto van de winkel in 1956 die er geen twijfel over laat dat hij Kersten heette. Ze hadden er van alles in de aanbieding en de voorverkoop, en heel gek, geen sigarettenautomaat te zien.

    Hoe zit dat? Stonden die automaten ergens opgeslagen en werden ze pas ’s avonds naar buiten gehaald? Dat lijkt omslachtig, maar vooralsnog kan ik niets anders verzinnen.

  2. 'C'est un Amsterdammertje'

    ‘Aan namen heb ik niks! Rugnummers moet ik hebben!” zou verslaggever Barend Barendse geroepen hebben toen via de Tour radio het nieuws binnenkwam dat Pompidou was gevallen.

    Toen de beroemde anekdote weer eens langskwam, bleek mijn geliefde al een leven lang in de veronderstelling te verkeren dat het Poulidor was die gevallen was, waarmee en nieuwe anekdote was geboren.

    Toen ik de nieuwe anekdote enige tijd later door vertelde, zei Hans: “Ik heb ook altijd gedacht dat het over Poulidor ging.” De liefhebbers in ons gezelschap stonden versteld, zoals u zult begrijpen.

    Even later bleek dat Jan niet wist wat een Amsterdammertje is. Nu komt hij uit Noord, waar ze frivoliteiten als het Amsterdammertje niet hoog zullen hebben zitten, maar toch.

    Toen Noord uitbehandeld was, kregen we het over het Amsterdammertje in het buitenland en dus over de inmiddels overleden fotograaf Joop Schaaps. Joop was de enige Amsterdammer die ik woorden heb horen gebruiken als ‘pikketanussie’, ‘kalletje’, en ‘in het snotje krijgen’, maar als hij ze uitsprak, klonk het niet als de folklore die het is.

    We stonden we tijdens het Festival eens aan een bar in Cannes toen de barkeeper een Amsterdammertje schonk. “C’est un Amsterdammertje,” riep Joop en in een teug dronk hij zijn glas leeg. De barkeeper kende het fenomeen niet, zo bleek, en het had geen naam, maar hij onderging het als het weer.

    De Marokkaanse vrouw die ons een paar weken terug op haar terras in Parijs een Amsterdammertje schonk, wist van de hoed en de rand.

    “Het heet een krijgertje,” zei ze. “Overal in de wereld heb ik ernaar geïnformeerd,” zei ik, “maar nooit heb ik het gevonden.” “Tot het lot je naar mijn tafeltje voerde,” voegde zij er aan toe.

  3. Krijsend langs de hemel

    Boven de berm langs het meertje aan het IJsbaanpad zag ik mijn eerste atalanta van dit voorjaar. De atalanta was niet kakelvers maar ook niet oud en verkreukeld. Een migrant uit Zuid-Europa of Noord-Afrika dus.

    In de voorbije jaren begonnen atalanta’s net als dagpauwogen en kleine vossen dat doen te overwinteren, met als gevolg dat er eind mei al een nieuwe generatie vloog. Maar de vorst van eind maart heeft aan dit feest een eind gemaakt en atalanta’s komen weer van ver dit jaar. Maar ze zijn er, wat ik van de gierzwaluwen niet durf te zeggen.

    De voorzitter van het Wereld Natuur Fonds die tot voor kort uitsluitend op panda’s jaagde, kreeg de eerste gierzwaluwen al half april in het vizier, maar ik zie ze nergens en ik hoor ze ook niet. Niet goed opgelet misschien?

    Maar gierzwaluwen die in groepjes krijsend langs de hemel jagen, kunnen je toch niet ontgaan? Ik liep door de oude straten van de binnen stad, mijn oren gespitst, de ogen open, maar niets.

    Wel zag ik in de Korte Koningstraat een smalle gang die leek uit te komen op een tuin. Voor de ingang stond een jonge vrouw met een ouder echtpaar te praten. “Mag ik even kijken?” vroeg ik. Dat mocht.

    De man die in de tuin op een ligstoel zat bij te komen van een lange werkdag heette Franz. Vroeger was hier de smederij van zijn vader die ook Franz heette, net als zijn grootvader trouwens. Hun oude uithangbord hangt er nog.

    “Als je hier binnenkwam,” zei Franz, “brandde er altijd een vuur. En daar stond een groot aambeeld. Daar hebben de hele oorlog twee Joden onder verborgen gezeten.”

    De Bremer Tuin, een van de verborgen parels van de stad.

  4. Half vier wintertijd

    Omdat ik sinds een tijdje stilstaande klokken spaar, begaf ik me naar de Hildo Kropbrug, want daar staat een zeldzaam exemplaar, dat aan de ene kant half vier en aan de andere kant tien over negen wijst.

    Half vier wintertijd, tien over negen zomertijd trouwens, maar dit terzijde. Ik ging kijken om te zien of alles nog bij het oude was, zodat ik de klok een plaatsje in mijn verzameling kon geven, maar helaas, hij liep weer. Aan beide zijden.

    Enigszins teleurgesteld vervolgde ik mijn weg. Eerst door het ­Beatrixpark, dat er vredig bij lag, maar waar binnenkort de hel losbarst, toen achter de RAI langs en met uitzicht op Zorgvlied naar de Amstel.

    Ik sta altijd versteld als ik de rivier hier zie. In de stad zit de rivier gevangen tussen de kaden, maar hier is ie zo breed, zo statig, zo onaangepast. Een onaangetaste herinnering aan lang vervlogen tijden. Ik fietste langs Amstelrust met zijn seringen en langs het Amstelpark tot ik bij de Molen van Rembrandt kwam en de Buitenveldert in dook.

    Bij het Maimonides aan de Van Boshuizenstraat staat het ‘Monument voor het ondergedoken kind en beschermer’, dat is mooi, maar de school zelf heeft een hek nodig, wat een stuk minder mooi is.

    Een eindje verderop, op nummer 12, trof ik op het dak van een doosvormig gebouw zowaar een regel van de dichter Kees Winkler.

    ‘… HET ZOMERSGROEN’ stond er in grote groene letters op het dak. Via allerlei sluipwegen door laantjes en parkjes bereikte ik de Parnassusweg, die me onder het Amsterdams door naar het Vondelpark voerde.

    Daar zag ik nog net hoe een ooievaar neerstreek op zijn nest. Onderweg heb ik geen klok gezien, maar ze liepen allemaal op tijd.

  5. Waar zijn de soldaten heen

    Afgelopen winter vroeg een deelnemer aan een tennistoernooi mij waar we na afloop gingen eten. “In Amsterdam,” zei ik.

    “Ja,” zei hij, “maar waar?”

    Zelf kreeg ik laatst een uitnodiging voor een etentje bij Cradam. Cradam? Toen het muntje was gevallen, dacht ik terug aan de Kadi. Tijdens mijn opleiding in het militaire leger stond er iedere week een dag velddienst op het menu. Dat was een dag die je rennend doorbracht met 25 kilo op je rug en geweer in je handen.

    We renden door bos en door hei, over rulle zandpaden, door zandverstuivingen en meertjes. Heel verfrissend allemaal. Maar omstreeks half een werden onze exercities onderbroken. Want wat heeft de soldaat op zijn brood? Recht. De soldaat heeft recht op zijn brood. Zo zit dat.

    En als je je dan neervlijde op de heide stond daar het wagentje van de Kadi. Hoe het wist waar je was, weet ik niet, maar het wist het en het was er. Het wagentje van de Kadi verkocht een soort koffie en thee alsmede pennywafels, dennekoeken, rondo’s en beroepskoeken. Alles een dubbeltje als ik me goed herinner.

    ’s Avonds waren er soms voorstelling van de DWL (Dienst Welzijnszorg Leger) in de kazerne. Daar heb ik een keur van artiesten zien optreden, aangekondigd door Peter Piekos of Frans Vrolijk met een helm op hun kop. Het leukst was Ria Valk. Zangeres Conny van den Berg verscheen eens geheel in het zwart en begon ‘Waar zijn de soldaten heen/ waar zijn ze gebleven?’ te zingen.

    Zevenhonderd dienstplichtigen kwamen als één man overeind en brulden “Hier trut. Heb je geen ogen in je kop? Ga je poes begraven.” En op de koele kadi liep de kale koelie met een kilo kali op zijn kale koeliekop.

  6. Gewoon, Alies uit Appingendam

    Omdat het vandaag precies 80 jaar geleden is dat de Herenkapper met de sanseveria’s in de Ferdinand Bolstraat zijn deuren opende, vervoegde ik me er voor een knipbeurt.

    Veel slingers en ballonnen natuurlijk, de eerste tachtig klanten gratis en tompouce toe. Voor Alies uit Appingedam die onder het knippen vaak zo gezellig met me praat, maakte het geen verschil. Ze was gewoon Alies uit Appingedam, zoals ze altijd is.

    “Ik zal het maar eerlijk zeggen,” zei ze nadat ik in de stoel had plaats genomen, “de twee boeken die u hebt geschreven en die u me cadeau hebt gedaan, heb ik aan mijn moeder gegeven. Ze heeft ze gelezen, en nou, ze vond ze waardeloos. ’Dat kan iedereen,’ zei ze, ‘dat heb ik ook allemaal meegemaakt.’” “Ik hou nu al van haar,” zei ik. “Ja,” zei Alies, “met haar hoef je ook nooit te vervelen.”

    “Tachtig jaar,” zei ik, “dat is een hele tijd. Ik herinner me dat ik hier als kleine jongen wel eens langs kwam.” ”Dan hebt u mijn vader misschien gekend,” zei Alies.

    “In Suriname verkocht mijn vader vliegers en schaafijs, maar in ­Nederland was daar niet zo’n markt voor. Toen is ie kapper geworden. Hij stond een paar stoelen verderop, naast een klein dik mannetje. Zelf was hij lang en dun.”

    “Ik kwam hier niet langs om ­geknipt te worden,” zei ik, “maar met de tram.” Naar de kapper ging ik bij kapper de Boer in de Marieken van Nimwegenstraat. Op ­zaterdagmiddag. Dat kostte een kwartje geloof ik en dan werd je door een oude man met een handtondeuse hardhandig opgeschoren. Au.

    Nadat ik mijn tompouce had opgegeten, rekende ik af en ging weg. “De groeten aan je moeder,” zei ik. “Doe ik,” zei Alies.

  7. Kale kop en kippennek

    Alles wordt wel duurder maar niet goedkoper zei Gerard Reve lang geleden en nog steeds heeft hij gelijk. Bij de visboer stond ik naast een man die klaagde dat de vis steeds duurder werd betaald, van pieterman tot sprot, van heek tot spiering, duivel, wolf en griet.

    “Je moet niet klagen, maar beter opletten,” zei de visboer. “Hoezo?” zei de man. “Nou,” zei de visboer, “de haring is goedkoper geworden.” En verdomd, kostte een haring vorige week nog tweevijftig, nu was dat tweedertig geworden.

    We worden wel ouder maar niet jonger. Ook dat is nog altijd waar. ‘Je ziet het aan hun handen en hun ogen,’ schreef ik op mijn dertigste of daar omtrent.

    Tegenwoordig heb je aan kale kop en kippennek genoeg om te zien dat het een aflopende zaak is. Het klaaguurtje dat aan alles vooraf gaat wordt steeds langer en als de klachten zich beperken tot PHPD heb je mazzel.

    En dan ons tennis, laten we het over ons tennis hebben. Zo kort geleden nog maar joegen we de bal meedogenloos in alle hoeken, plukten we hem hoog uit de lucht voor een smash en werden we gevreesd om onze dodelijke volleys.

    Als de dag van gisteren herinner ik me het toernooi waarin Jan en ik bijna de finale haalde door op het nippertje van twee topfitte dertigers te verliezen.

    En nu? Voorbij, voorbij, voorgoed voorbij. We zwaaien onze rackets, maar strompelen machteloos heen en weer op zoek naar de rally die maar niet komen wil.

    Het regent dubbelfouten en de pauzes tussen de games duren inmiddels langer dan de games zelf. “Dat weten jullie niet,” zei Jan, “maar ik heb een video gemaakt en na afloop gaan we die bekijken en daarna uitgebreid analyseren.”

  8. Eten en drinkelen

    Langs de spoordijk fietste ik over de Archimedes-laan. Een paar jongetjes waren bezig een hut te bouwen, een citroenvlinder fladderde een eindje met me mee en bij kinderboerderij de Werf stond een meisje het schaap te aaien. Af en toe kwam er een trein voorbij.

    Bij Zeeburgia kon ik niet verder of in ieder geval, zo leek het. Ik kom niet vaak in deze streken, maar ik wist dat ik als rechtdoor bleef gaan aan de Valentijnkade kwam, want daar heb ik eens een tennistoernooi gespeeld.

    Eenmaal op de kade zag ik in de verte een huttendorp. Jongensland? Hoe vaak heb ik me niet voorgenomen daar eens een kijkje te gaan nemen. Al was het maar omdat je er misschien wel een stempel in je paspoort krijgen kon, maar nu ik vlakbij was, fietste ik door.

    Langs de Tie Breakers, tot de hoek waar ik achter een hek Joodse grafstenen ontwaarde. Een uitloper van het Jodenmanussie bleek na enig speurwerk.

    Een eindje verderop, bij Buurttuin Valentijn, stond zo’n ouderwetse ANWB paddenstoel. De ene zijde wees ‘Flevopark, Oost Indisch Groen, Zwembad’, de andere ‘Flevopark, Het gemaal, Jeugdland, Tennisbaan’. Jeugdland? Wat is er mis met Jongensland?

    In het midden van de kade dreef een vlot waarop een meerkoet nestelde. Op de hoek van de Linnaeuskade en de Middenweg stak ik over naar de Transvaalkade. Op een zijmuur van de Hema las ik: ‘Wonen en winkelen/ Eten en drinkelen’, wat er niet stond, maar wat ik wel las.

    Aan het einde van de Valentijnkade zag ik plotseling drie kamelen lopen. Een van de drie kamelen liep in zijn eentje een eindje voor de andere twee uit. Drie kamelen op een viaduct, in Oost. Ik stapte af om mijn ogen beter niet te kunnen geloven.

  9. Lekker in het zonnetje

    De Archimedesweg kwam als een verrassing. Frivole gebouwen met torentjes en tuintjes, erkers en balkons en camelia’s die net aan het uitvallen waren. Op een bankje in een tuintje voor haar huis zat een oude dame lekker in het zonnetje.

    Normaal gesproken zou ik het niet in mijn hoofd halen om oude dames die op een bankje in het tuintje voor hun huis lekker in het zonnetje zitten lastig te vallen, maar als het om een Kleingelukje gaat, gaat geen zee me te hoog. Dus meldde ik me na een paar omtrekkende bewegingen aan haar hek om te zeggen hoe mooi ik de straat wel niet vond.

    De dame was het helemaal eens. “Hoe lang woont u hier al?” zei ik. Vijftig jaar, en ze was 88. Eenmaal aan de praat vertelde ze me over haar achtertuin die vroeger een spoowegtuintje was geweest waar mannen van het spoor groenten verbouwden. “Maar op een gegeven ogenblik is het spoor daar mee opgehouden en konden wij het huren. Voor vijf gulden per jaar. Nu is het 85 euro. Nog niet duur.”

    Als kind had ze al in de Watergraafsmeer gewoond, vertelde ze. “Op zondag gingen we de ene week naar Ajax en de andere week uit wandelen. Mijn vader was bouwkundige en wist van alles van over de huizen. Welk huis je niet moest kopen bijvoorbeeld.”

    “En de andere zondag naar de Meer,” zei ik. “Nee,” zei de oude dame, “die bestond toen nog niet. We gingen naar het oude stadion. Dat stond waar nu het Christiaan Huygensplein is. Een houten stadionnetje.”

    Van dat stadion had ik nog nooit gehoord. “Hoe heette het?” vroeg ik. De oude dame dacht even na en zei toen “Het Ajax stadion.”

  10. Bewoners van de Transvaalbuurt

    Vlak voordat ik de rivier overstak, zag ik in een etalage aan de Ceintuurbaan een kleine Solex staan. Geen schaalmodel, maar meer een kindersolex, als die al bestaan.

    Ik stopte om een en ­ander nader te bekijken, maar wat betreft de minisolex werd ik weinig wijzer. Wel wist ik de etalage bij een kapperszaak hoort die gedreven wordt door Salvatore Zeno.

    Zeno, las ik, op zijn ‘Bediende diploma Herenkappersvak’ werd op 2 juli 1950 in Napels geboren en haalde zijn diploma in Loosdrecht, op 15 oktober 1978. Een leven in de notendop, zou ik zeggen, alleen die Solex kan ik niet goed plaatsen.

    Een opgeheven halte later stak ik de rivier over. Ik was van plan naar het Muiderpoortstation te gaan om vandaar de spoordijk te volgen. Maar toen ik langs het Iepenplein fietste en daar in de verte het treinviaduct zag, stelde ik mijn plannen bij. Eerst de spoordijk naar het Muiderpoort, dan zag ik wel weer verder.

    De spoordijk ligt aan de Tugelaweg en langs het talud loopt een laag hek waarop ik letters ontdekte die woorden maakten die deel uitmaakten van een vers, een vers over de Transvaalbuurt.

    ‘Een wijk waar geknikkerd werd en diefje met verlos gespeeld touwtje gesprongen/ waar het sabbatsmaal op vrijdag het hart van alles was familie en kippensoep warme drukte en snoepgoed/ een wijk waar je bij de winkels op de lat kon kopen/ en waar men elkaar hielp ondanks de armoede’.

    De naam van de schrijver zag ik niet, maar het mooie vers is van K.Michel zag ik op internet. Ik had inmiddels de Polderweg bereikt en dacht aan de bewoners van de Transvaalbuurt die hier vandaan zijn weggevoerd. Eerst naar Westerbork, vandaar naar de dood.