live

Klein geluk in Amsterdam: Een aardig woordje Omkeer

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Een aardig woordje Omkeer

    Af en toe riep mijn moeder uit de keuken: “Dato katoffato atos klator!” Maar vaker zei ze: ­“Gatosjato gatot nator batodjato tato.”

    Het schoot me te binnen toen ik Dik Trom en zijn dorpsgenoten las. Dik Trom en zijn dorpsgenoten las ik omdat ik eerder op de dag Uit het leven van Dik Trom had gelezen. Wat me ernstig ­tegenviel, terwijl ik me Dik Trom en zijn dorpsgenoten herinnerde als een meesterwerk.

    Misschien heeft u het niet ­paraat, maar in Dorpsgenoten draait het om Nelly, Diks buurmeisje dat blind is en daarom niet kan zien. Al in het tweede hoofdstuk raakt Dik ons in de ziel door ongezien zijn worst, waar hij zo dol op is, op het bord van het arme meisje te schuiven.

    Later zorgt hij ervoor dat ze mee mag op schoolreisje naar Wijk aan Zee. Aldaar wordt Dik gewezen op professor Donders uit Utrecht van wie Dik weet dat hij blinden vaak weer ziende maken kan. Dik neemt Nelly bij de hand en mee naar de beroemde geleerde tot wie hij de volgende woorden richt: “M’sr’r-profester, dit meisje is blind. Wilt u haar ook beter maken?”

    Huilen!

    Maar daar gaat het nu niet om, het gaat om de keer dat Dik de straat opgaat en dan ‘het eigenaardige geschreeuw (hoort) dat jongens soms met een hoge stem doen horen, als zij alleen over straat lopen’.

    “Halloïo!” hoort Dik, “Diktrommio! Gajeméïo.” Het is zijn vriend Pitio van Drillio die hem roept. Dorpsgenoten is uit 1920, maar als Tim en ik elkaar zien, klinkt het “Timmio”!” en “Guussio!”

    Mijn moeder sprak niet alleen dieventaal, maar ook een aardig woordje Omkeer. Als meisje geleerd, zoals alle jongens en meisjes vroeger dat deden.

  2. Deze expeditie kan lang duren

    Voor je het weet, kan het niet meer, ik doe het dus voor het te laat is. Maar eerst de nodige voorbereidingen, want deze expeditie kan even duren. Flesje water? Check. Boterham? Check. Potje met goede humeur? Check. Flesje met spraakwater, ja, ja, ja, nou, goede prijs dan!

    Te voet begeef ik mij door het Vondelpark naar het beginpunt van de reis, de halte van lijn 1 richting stad op de hoek van Overtoom en Jan Pieter Heije. De tram moet van heel ver komen, het einde van de wereld zo ongeveer, dus dat ik een tijdje op de halte sta, verbaast me niet. Maar daar is ie, lijn 1 naar het Leidseplein, met die lekkere bocht bij het Leidse Bosje.

    Op het Leideseplein stap ik over op lijn 2 richting Nieuw Sloten. Op naar het Rijks, het Van Gogh en het Stedelijk waar ik, niet vergeten uit te checken, uitstap en naar de halte van de 3 loop. Die er meteen aankomt. Ik heb dit altijd al eens willen doen, en ik moet zeggen, het valt niet tegen. Waar het plezier precies in zit, kan ik niet zeggen, maar in ieder geval rij ik heel anders door de stad dan ik ooit gedaan heb.

    Bij de Van Wou, u raadt het, is het weer overstappen geblazen, voor een lekker lang ritje met de 4, helemaal naar het Centraal Station. Ik ben nu twee uur onderweg en ik zou, overweeg ik als ik op de halte van de 5 sta, er snel een kunnen kopen, bij de Ster bijvoorbeeld, of de Flying Dutchman aan de overkant, waar ik nog nooit geweest ben. Maar gelukkig, daar is de 5 en ik weet waar die mij brengen zal.

  3. En dansen konden ze ook niet

    Ik fietste door de Gerrit van der Veenstraatstraat toen ik werd ingehaald door een zwarte auto die zo’n 150 kilometer per uur leek te rijden. Hij was me nog niet voorbij of hij maakte voor het torentje van het Gerrit van der Veen College een draai naar de linker weghelft en stoof toen plankgas achteruit om in te parkeren. De jongen die de auto bestuurde, deed dat door met de palm van zijn hand in een cirkelbeweging over het hart van het stuur te draaien. Jongens van een zekere leeftijd kunnen dat.

    Een paar auto’s verderop stond een bankje met drie meisjes, van wie er een opgestoken haar droeg en een gelukzalige glimlach had. De jongen in de auto is haar vriendje, dacht ik en omdat ik wilde weten of dat inderdaad zo was, stapte ik af en wendde voor de rozen in het perkje te bewonderen.

    De jongen in de auto was haar vriendje. Alles bij het oude dus, al kwamen wij indertijd op de fiets om onze vriendinnen op te halen. Tien jaar eerder, in het begin van de jaren vijftig, stonden er geen jongens voor school en als er een feestje was en het was de bedoeling dat er gedanst werd, werden de jongens van Zeevaartschool in Den Helder uitgenodigd. “Want daar hadden ze weer geen meisjes,”schreef Esther Huisman me onlangs, “en dansen konden ze ook niet.”

    Dat was voor mijn tijd, maar ik heb nog wel meegemaakt dat je om met een meisje naar een feest van de Breitner MMS te kunnen eerst een soort fatsoensexamen afleggen moest bij de directrice van de school. Ik slaagde, maar had na die ondervraging geen zin meer in het feestje, wat me door Elsbeth zeer kwalijk werd genomen.

  4. Binnenkort komen ze hier niet meer

    Op het Azartplein, waar zoals iedereen weet Amphitrite op haar hippocampus uit een ­vijver oprijst terwijl zoonlief niet onverdienstelijk de hoorn bespeelt, keek ik naar het Lloyd Hotel.

    Onlangs werd café Helmers in de Bilderdijkstraat gesloten en het aardige is dat het heropend weer café Helmers heet, met dezelfde letters op de ruit, maar anders van binnen. Zo heet het Lloyd Hotel nog altijd Lloyd Hotel, maar nu omdat het een hotel is en vroeger omdat het een gevangenis was en daarvoor een hotel.

    Een eindje verderop, langs de Veemkade, ligt een cruiseschip afgemeerd. Goed kijken, Guus, maan ik mezelf, want binnenkort komen ze hier niet meer. Ik vond die cruiseschepen altijd aardige dingen, met die spuitende slepertjes voor en achter als ze de haven binnenvoeren, maar het schijnt dat er duizenden passagiers op zitten die de binnenstad onveilig maken. De schepen worden nu naar het westelijk havengebied verbannen, waar de passagiers gaan passagieren op de Transformatorweg, waarmee dat probleem ook weer is opgelost.

    Op de Levantkade heeft de storm van vannacht een ware slachting onder de stokrozen aangericht. Twee meter hoge bloemen liggen geknakt voorover, sommige met wortel en tak tussen de tegels vandaan gerukt. Bij Ode Uitvaart staat een mobile in de zaak waaraan duizend vaantje hangen met de namen van 1000 mensen ‘waarvan Ode de uitvaart heeft begeleid,’ Harm, Jet. Tjeerd, Theo, Ronald, Corry, zie ze zweven.

    Tim vertelt me dat er een programma is dat gesproken taal omzet in geschreven woorden. “Ik zit hier met Guus in het café,” zegt hij tegen zijn telefoon, “Hij drinkt bier en ik drink thee.” Dan laat hij me het scherm zien en ja hoor, daar staat het: ‘Ik zit hier met Guus in het café, hij drinkt bier en ik 3D.’

  5. Heimwee naar Caïro

    ‘Ik wou dat ik een stoel was in een dameskapsalon,” zingt Gwanazanger Amazigh Kateb. Desgevraagd zei Joséphine Baker toen haar schip vanuit New York vertrok, dat ze naar Europa ging in de hoop daar de ‘volmaakte pik’ te vinden. Sidney Bechet die ook aan boord was, zei later: “La nuit est une sorcière”, wat zich niet gemakkelijk vertalen laat.

    Ik had eens een leuke vriendin met wie ik graag Lollipop zong, bij voorkeur op de fiets: “Lollipop, lollipop/ O lolli, lolli, lolli, lollipop,/ lollipop, o lolli, lolli, lolli, lollipop,” heerlijk lied waar we die zomer tussen het zoenen door maar geen genoeg van konden krijgen.

    In de herfst van dat jaar, 1958 denk ik, een herfst die ook de herfst van onze liefde zou blijken, had ik twee kaartjes bemachtigd voor een concert van Art Blakey en de Jazz Messengers, dat plaats vond in een uitverkocht Concertgebouw.

    Maar mijn vriendin wou niet mee, want diezelfde avond trad Sidney Bechet op in Carré en daar wilde ze met alle geweld naartoe omdat ze Sidney Bechet zijn handtekening wilde vragen. ­Bespottelijk, Sidney Bechet, van dat weeë Petite fleur, kon het ­erger?

    Voor straf nodigde ik haar leuke moeder mee die het prachtig vond met mij een jazzconcert te bezoeken. Toen zij overleed, vertelde ik mijn vriendin van toen over die avond met haar moeder. Daar wist ze niets van, of was ze het vergeten? in ieder geval was ze blij met een mooie herinnering aan haar moeder. En, o ja, het was geen concert van Sidney Bechet ­geweest waar ze naartoe ging, maar van Benny Goodman.

    Soms heb ik heimwee naar Caïro waar ik lang geleden nooit naartoe ging om Oum Kalsoum te horen zingen.

  6. Het mag niet meer zoals zoveel niet

    Amsterdamse jongens pissen nooit alleen. Als je in het café aankondigde dat je ging pissen, ging er altijd iemand mee. Als er buiten werd gepist wegens file bij de wc, stond je vaak met zijn zessen langs de gracht bruisende gaten te prikken in het donkere ­water.

    Er werden daar lacherige gesprekken gevoerd, vaak over het vrouwelijk schoon in het café en uitgeplast had iedereen weer dorst gekregen. Dus gauw naar binnen toe en kijken hoe het verder ging.

    Het had wel wat, maar het mag niet meer zoals zoveel niet. Wel is er een monument voor de Onbekende Wildplasser verrezen. Het staat aan de sloot langs de sportvelden van Arsenal aan het IJsbaanpad, het beeld van een morsige oude man die het vanuit de geopende broek dag en nacht laat klateren.

    Hij staat met zijn rug naar het sportveld toe en plast de voorbijganger recht in het gezicht, een onaangenaam schouwspel, temeer daar al dat plassen voor grote vieze vlekken rond de gulp heeft gezorgd.

    Liever dan deze vieze oude man is mij het vier, misschien vijf jaar oude jongetje dat ik in de Cliostraat onder het wakend oog van zijn moeder in een geveltuintje zag wateren, de korte broek op zijn enkels, de billen bloot. Maar het mooiste plasje behoort toch mijn geliefde.

    Ze deed het in Porto, boven aan een hoge stenen trap met uitzicht op de stad en de Atlantische Oceaan, in de schaduw van een kathedraal. Nadat we de afdaling hadden ingezet, zag ik na enkele treden hoe het plasje ons inhaalde en vervolgens met ons mee liep, tree na tree na tree, gleed het langzaam met ons mee. Tot helemaal benee.

  7. Scherp geschoren en geknipt

    Aan het pleintje dat ­Coöperatiehof heet, staat een elegant ­gebouw met aan de ­gevel een bord met de woorden ‘Welcome to Selmore, from a proud past to a promising future.’

    In de tufstenen gevelversiering lees ik van ­boven naar beneden ‘leeszaal’.

    De tijden veranderen. Midden in het plantsoentje staat op een stervormig voetstuk een enorme stenen bol. Wie om de bol heenloopt krijgt vier teksten te zien: ‘Van Buuren/ Amsterd. pionier volkshuisvesting/ Voorz. Verbouwmij Eigen woningen/ aangeboden door de leden Dec. 1936.’

    De ­Amsterdamse School heerst in ­deze buurt met harde hand, de stenen golven als de golven van de zee van rimpelingen naar machtige brekers, je zou er duizelig van worden.

    Ik fiets onder de poort van de ­Carillonstraat door en beland in de glinstering van edelstenen, ­saffier, granaat, topaas, robijn, smaragd, om tenslotte te parkeren bij een broodjeswinkel op de hoek van de Van Wou en de Lutmastraat.

    Op het smalle terras zitten vier Marokkaans-Nederlandse jongens aan de koffie verkeerd en de smoothies met een broodje erbij. Ze zijn alle vier net zo scherp ­geschoren en geknipt als de vijfde jongen die naast mij plaatsneemt met de woorden ‘Ik kom naast u zitten’, een prima plan.

    Een van de jongens vertelt een verhaal, dat hij met een uitbundige pantomime illustreert. De jongen spreekt prima Nederlands, ik versta hem woord voor woord, maar wat hij zegt begrijp ik niet merkwaardig genoeg, het is of ik de voorwaarden van een verzekeringspolis zit te lezen.

    De andere jongens lachen, waarop het hele toneelstuk nog een keer wordt ­opgevoerd. Deze keer lach ik mee.

  8. Het pontje aller pontjes

    Vlak voorbij de ingang van de Markthallen ligt langs de Jan van Galenstraat een naamloos stukje water. Er liggen een paar mooie woonschepen en er staat een groot billboard waarop wordt beloofd dat ze binnenkort alles gaan verpesten met nieuwbouw.

    Een elegant ijzeren bruggetje voor fietsers en wandelaars verbindt de twee oevers. Toen dat bruggetje er nog niet was, was er heel lang niks en daarvoor een pontje.

    Alles bestaat. Zo sprak ik ­onlangs iemand wiens vader een handel in hondentrimartikelen dreef. Ook zijn er fabriekjes in ­leverpastei, maar het Groot ­Amsterdams Pontjes Boek bestaat niet, geloof ik.

    Het pontje aan de Jan van Galen kan ik me nauwelijks herinneren. Dat zal komen doordat de oversteek nog geen minuut geduurd kan hebben. Het pontje waarmee je de Amstel overstak naar de ­Omval met zijn watertoren en zijn gashouder was van een andere ­categorie. In de bocht van de rivier waande je je op volle zee, wat ik leuk vond, met name omdat ik wist dat de oever nooit ver weg was.

    Er was een pontje over de Schinkel, en verderop een pontje over de Nieuwe Meer en nog verderop een pontje over de Ringvaart. Over het Merwedekanaal bij Diemen ging het pontje aller pontjes, dat luisterde naar de naam Vadertje Langbeen.

    Ik ben er eens wezen kijken met mijn vader. Vadertje Langbeen was een veerwagen of railpont en voer niet, maar reed, over rails op de bodem van het ­kanaal. De pont gleed over het ­water of hij met het water niet van doen had. En dan had je nog de pont transbordeur, een pontje dat over het water zweeft.

    Alles bestaat. De hoogste tijd voor een boek over pontjes.

  9. Je moet gewoon geen haast hebben

    Zonder dat ik het in de ­gaten had, is er aan de schaduwzijde van het Rokin een lange eet- en drinkboulevard ontstaan met enorme eenheidsparasollen die zich slechts van elkaar onderscheiden door de naam van de zaak die ze drooghouden, Metropolitain, Tinner, café de Paris, het Groene Paleis. Het Groene Paleis? Was dat niet een bordeel? Ja, maar dat is lang geleden.

    Een eindje verderop nadert Hudson’s Bay zijn voltooiing en Scheltema viert de zomer en zijn zomer­sellers door rijen strandstoelen neer te zetten. Wat me iedere keer verbaast, is dat het overal druk is. Aan de tafels onder de parasollen op het Rokin, bij de strandstoelen, bij Madama Tussaud, op de Dam.

    Ik stak de Dam over en bereikte, behendig tussen de toeristen door manoeuvrerend, de Zoutsteeg. ­Iedere keer als ik de Zoutsteeg ­inloop voor een broodje haring, vraag ik me af of hij er nog wel zou zitten, de winkel die broodjes vis verkoopt. Maar gelukkig, daar zag ik de haringvlag al wapperen.

    “Dat is lang geleden,” zei de man achter de toonbank. Hoe hij heet, weet ik niet en hij weet niet hoe ik heet, maar wij kennen elkaar zo’n veertig jaar. Hij kwam eens een middagje invallen voor een zieke maat en is toen gebleven, zoals die dingen gaan.

    “Druk als een bejaarde,” zei ik bij wijze van excuus. “Ja, druk,” zei hij, “door al die toeristen. Ben jij antitoerist?” “Ik niet,” zei ik. “Ik ook niet,” zei hij. “Je moet gewoon geen haast hebben, en haast heb ik niet, nooit gehad. Bij mijn ­geboorte had ik al geen haast.” “Vandaar zeker dat je niks bent opgeschoten,” zei ik.

    We waren het weer helemaal eens met elkaar.

  10. Een heuse Schucobaan

    We herinneren ons meer dan we ons denken te herinneren. Toen ik de herinneringen aan mijn eerste zes ­levensjaren in kaart bracht, bleek dat keer op keer. Het is een kwestie van geduld, ontdekte ik, maar heb je eenmaal een spoor dan zal de herinnering vroeg of laat boven komen drijven.

    Deze keer ging het om autootjes. Ze moesten opgewonden met een sleuteltje, herinnerde ik me, maar er was meer. Reden ze op rails? Ik probeerde me de verpakking voor de geest te halen, het specifieke geluid dat ze maakten, maar het lukte niet.

    Geduldig tuurde ik naar mijn dobber en ja hoor, uit de krochten van mijn geheugen kwam het woord naar boven, ‘Schuco’.

    Petertje, het goedaardige zoontje van mijn verschrikkelijke tante Mies, had een speelkamer vol spullen. Hij had een tafelvoetbal en pingpongbatjes, bouwdozen die ik me herinner als een voorloper van playmobiel en een heuse Schucobaan.

    Schuco’s reden over een kabel die je uit kon leggen in een landschap vol snelwegen, benzinepompen, spoorwegovergangen en wegrestaurants.

    Op bezoek bij Petertje mocht ik helpen de baan uit te zetten, maar de Schuco’s met het sleuteltje opwinden en laten rijden mocht ik niet, van tante Mies, die mij daar veel te dom en onhandig voor vond.

    Niet erg, want liever las ik Petertjes’ Kuifjes. Mijn favoriet was De Blauwe Lotus, waarin Kuifje Sjang Hai aandoet . Op mijn favoriete plaatje zat Kuifje in een riksja die getrokken werd door een Chinees.

    Als ik in de Runstraat in een file ­terecht kom, sta ik plotseling ­ tegenover een fietstaxi waarin drie Chinezen zitten. Ik schiet in de lach, niet om de Chinezen, maar om het Kuifje dat de riksja trekt.