live

Klein geluk in Amsterdam: Een paar hoge hakken

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Een paar hoge hakken

    In de serre van café Ménilmontant, aan de place de Ménilmontant, twintigste arrondissement, Parijs, Île de France, Frankrijk, Europa, ­wereld, heelal, zat een meisje aan de thee.

    Nadat ze een tweede kopje had ingeschonken, haalde ze uit een elegant papieren tasje een paar hoge hakken tevoorschijn, dat ze vervolgens aan haar telefoon liet zien tegen wie ze ook praatte. Een en ander maakte haar zo te zien heel gelukkig.

    Op weg naar het Zonderbroeken restaurant waar we omdat ze ook in Parijs waren met Eddy en Henriëtte hadden afgesproken, konden we op een straathoek een kwartier lang niet oversteken omdat er honderden mannen in de menopauze op motorfietsen voorbij reden.

    Het was een demonstratie. Ze mochten in woonwijken de knalpot niet meer laten knallen en geen 150 in het uur meer rijden, en vandaar.

    Zodoende arriveerden we in het restaurant wat aan de ­late kant, maar Eddy en Henriëtte waren nog later. Eenmaal op straat was Eddy niet vooruit gekomen. Nadere inspectie leerde dat het kwam omdat hij zijn rechtervoet in zijn linkerschoen had gestoken en omgekeerd. “Echt waar?” zei ik. Echt waar.

    Zo kregen we het over schoenen en over een vriend van mij die eens met ongepoetste schoenen op een begrafenis was verschenen, wat hem zeer kwalijk was genomen. Van daar naar het canal Saint Martin was maar een stap.

    Eddy vertelde dat zij wat gedronken hadden in het Hotel du Nord. “Dat is,” zei hij, “vernoemd naar een oude film met Jean Gabin, de affiche uit 1938 hangt er nog.”

    Toen ik uitgelachen was, vertelde ik hoe opmerkelijk ik het vond dat als het tennisseizoen ten einde loopt de blaadjes altijd van de bomen vallen om als het tennisseizoen begint weer terug te komen.

  2. Overtreffende trappen

    Als wij, in Parijs aangekomen, met bus 26 in de richting rijden van het
    appartement dat wij ­huren, passeren we in de rue ­Simon Bolivar een doorgang waarin zich het begin aftekent van een trap die zich laat aanzien als steil en hoog.

    Geen idee waar hij heen gaat. Naar het aanpalende park Buttes-Chaumont? Maar nee, dat kan niet, want er loopt een weg langs het park. Er moet zich dus iets bevinden tussen de huizen aan rue Bolivar en de weg langs het park, en dat iets kan je bereiken via de trap.

    Na jarenlang dubben besloten we eens te gaan kijken. Onder aan de trap keek ik omhoog en dacht aan andere overtreffende trappen. Die in het metrostation Abbesses bijvoorbeeld, waar halverwege een bordje hangt met de tekst ‘Sterkte, meer dan 75 treden.’

    Boven aan de Bolivartrap bleken we op de Butte Bergeyre beland. Eens bevond zich hier pretpark Les Folles Buttes, nu is het een woonoase op een berg in de stad. We liepen door de stille straten en belandden op een bankje met een schitterend uitzicht op Montmartre.

    De merels lieten hun merelzang horen en de wijngaarden lagen er prachtig bij. Na een tijdje verschenen een man, een vrouw en een meisje van een jaar of vijf.

    De man wees naar de Sacré Coeur. “Wat zie je daar?” zei hij tegen het meisje. “Versailles?” zei ze. Wij lachten mee. “U zit,” zei de man tegens ons, “op wat beschouwd wordt als een van de mooiste bankjes van Parijs.” “En daar hebben we recht op,” antwoordde ik.

    Later, op de Buttes-Chaumont, zagen we een vrouw die iets zocht en vervolgens wegsneed uit het gras. “Wat zoekt ze,” zei ik. “Haar lenzen,” zei mijn geliefde.

  3. Buitenaards blauw

    Geen stad zo zwart-wit als Parijs. Het zal te maken hebben met de zwart-witalbums van fotografen als Doisneau, Izis, ­Ronis, Brassaï die in de loop van de tijd de stad zijn kleur hebben ontnomen.

    Maar misschien zien we geen kleur, ook niet als we goed kijken. In Kleuren van de stad, het poëtische voorwoord van Jacques Prévert bij het boek Kleur van Parijs van Peter Cornelius, zegt hij: ‘Kleuren van Parijs./ De daken van de Opéra zijn groen, de Moulin Rouge is rood en Notre Dame is grijs en de Sacré Coeur wit./ Maar de Parijzenaar ziet die kleuren niet meer, hij zit er alsmaar in.’

    Ik ben maar af en toe in Parijs, maar ook ik heb moeite met de kleur. ‘De kleuren van het canal Saint Martin,’ schrijft Prévert: ‘overzees blauw, buitenaards blauw en van de mooie Donau blauw als de Donau blauw is.’

    Wij slaan het canal Saint Martin nooit over, maar blauw heb ik het, geloof ik, nooit gezien. Wel muisgrijs en olijfgroen en modderig.

    Nee, dan de bloemenwinkel op de hoek van de rue de Pyrenées en place Gambetta. We nemen de bus aan de overkant om er een tijdje naar te mogen kijken, naar het fluweelrood van de bossen gladiolen, het cadmium van de ranonkels, het Delfts blauw van de ridderspoor.

    Hoger in de wijk staan meisjes met kunstig geschikte bosjes narcissen die over enkele weken plaats zullen maken voor bosjes seringen. Voor de kleuren van groenten en fruit in de vier seizoenen op de markt van de rue Mouffetard om twaalf uur ’s middags geef ik nog één keer het woord aan Jacques Prévert: ‘Rood kers, geel citroen, oranje oranjeappel, groen appel en roze radijs.’

    Geen stad zo vol van kleuren als Parijs.

  4. De aarde aan het draaien

    Op de Nevski Prospekt in Sint-Petersburg, bij de ingang van het Majakovskaja-metrostation als ik me goed herinner, kocht ik eens, van een kleed, een ingebonden jaargang van het Franse kindertijdschrift La Semaine de Suzette.

    Omdat het de jaargang 1909 betrof, trof ik tussen de strips, ­rebussen en feuilletons een bouwplaat aan van de Blériot XI, het toestel waarmee Blériot op 25 juli van dat jaar het kanaal overstak.

    Ik blij en terug in het vaderland meteen een paar stevige vellen papier gekocht om het vliegtuigje in ­elkaar te knutselen. Het ontroerend onhandige toestel staat sindsdien op een boekenplank in mijn werkkamer.

    Om de Blériot XI in het echt te zien gingen we naar het Musée des arts et métiers in de rue Réaumur in Parijs, want daar hangt ie. Een heerlijk museum, het Musée des arts et métiers, al moet je wel van stoommachines, scheepsmodellen, locomotieven en oude vliegtuigen houden.

    De Blériot XI bleek groter dan het model op mijn werkkamer, maar niet eens zo heel veel groter. Het blijft een raadsel hoe ze met zo’n constructie van houten spanten en zeildoek de zware motor ooit de lucht in hebben gekregen.

    Na Blériot bezochten we de Slinger, de Slinger van Foucault die hier om te bewijzen dat de aarde om zijn as draait rustig heen en weer zwaait en haast ongemerkt met de klok mee van links naar rechts opschuift.

    Terwijl we daar zo stonden te kijken, voelde mijn geliefde plotseling dat de aarde niet alleen onder de slinger maar ook onder haar aan het draaien was. Een soort zeeziekte met duizelingen en misselijkheid was het gevolg.

    Ik vond het naar voor haar, maar tegelijkertijd voelde ik me dichter bij haar dan de aarde ooit geweest was.

  5. Parijs is overal

    ‘Als je zwanger bent,” zei Marcel van antiquariaat Feniks laatst, “zie je overal zwangere vrouwen.” Hoe hij dat wist, weet ik niet, maar het is wel waar. Omdat we naar Parijs gaan, is Parijs overal.

    Zo vond ik bij ­Feniks een stadsplattegrondje van Parijs, waarin de plattegronden helaas ontbraken, maar waarin wel 127 tramlijnen stonden vermeld, plus een funiculaire van place de la République naar Bellevile via de faubourg du Temple. Wanneer zou dat geweest zijn, vroeg ik me af.

    In stadsplattegronden staat nooit een datum, zo gaan ze een jaartje langer mee, maar na enig zoeken vond ik de mededeling dat Parijs 720 kilometer bij Petrograd vandaan ligt. Sint Petersburg heette Petrograd tussen 1914 en 1924. De funiculaire naar Belleville is in 1924 opgeheven, waarmee het tijdvak stevig afgebaand is. Voor wie het interesseert: koetsjes rekenden 75 cent per 645 meter.

    Omdat Eddy en Henriëtte ook naar Parijs gingen, Parijs is overal, ging ik bij ze langs. Nadat ik de bloedrode bloemen van hun ­camelia had bewonderd, vertelde ik over de 127 trams. “Reed de metro toen al?” zei Eddy. Na mijn bevestigende antwoord, vertelde hij dat hij een keer op een lijntje tussen Tunis en Carthago oude metrostellen had zien rijden. Daar kon ik makkelijk overheen.

    “Op Corfoe,” zei ik, “zat ik eens in de bus toen de chauffeur vroeg of ik misschien uit Nederland kwam. ‘Jazeker,’ zei ik en toen zei hij dat ik in een bus van Maarse en Kroon zat en dat ik dus vast wel wist hoe hij hem in zijn achteruit moest krijgen.” Maar een wereldreiziger als Eddy Posthuma de Boer laat zich niet makkelijk aftroeven. “In Ghana,” zei hij, “nam ik eens een bus met bestemming Heerenveen.” Einde van dit palaver.

  6. Allemaal minstens een brandgaatje

    Omdat ik in de Nationale Pakken Loterij een pak gewonnen had, begaf ik mij naar de P.C. Hooftstraat om het aan te laten meten. De winkel waar ik zijn moest, is genoemd naar zijn eigenaar die een naam draagt die op twee manieren uitgesproken wordt.

    Om een en ander te verduidelijken heb ik een aa-bb versje op hem gemaakt, en dat gaat zo: ‘René Froger/ koopt zijn pakken bij Oger./ De broer van mijn tante Gré/ gaat liever naar Oger.’ Waarmee dat probleem ook weer is opgelost.

    In een pakkenwinkel spreek je over pakken. Dus vertelde ik over mijn vader die in de fabriek waar hij ons dagelijks brood verdiende tussen de machines doorliep in een maatpak dat hij op de een of andere manier vlekkeloos wist te houden.

    Zijn pakken kocht hij bij Diks, in de Leidsestraat , zijn overhemden liet hij maken bij Sinemus, een eindje verderop. Mijn vader rookte Three Castles uit een kartonnen doosje, maar als ik thuis was, wilde hij een shagje van me draaien.

    “Zal ik het voor je doen?” zei ik dan, maar nee, nee, nee, dat deed hij zelf of dacht ik soms dat hij dat niet kon? Toen hij dood was, heb ik zijn overhemden uit de kast gepakt en een voor een bekeken. Ze hadden allemaal minstens een brandgaatje.

    “Ik heb,” zei ik tegen de vriendelijke jongeman die mij mijn pak aanmat, “van mijn achttiende tot mijn negenenzestigste geen pak of jasje gedragen.” “Waarom niet?” zei hij. “Omdat ik mijn smaak niet betalen kon,” zei ik.

    De grote ruit van de verdieping waar wij stonden, keek uit op de P.C.Hooft, de duurste straat van heel de stad, maar ik herinner mij dat aan de overkant een groentenwinkel zat.

  7. Brakend als een poes

    Als je het hekje van de Hortus eenmaal door bent en de stad achter je hebt gelaten, waan je je in een exotische wereld waar alles anders is. Hier bloeien de azalea’s zalmroze en zijn dagpauwogen nooit ver weg.

    Het grind op de ­paden knerpt onder je voeten en als altijd denk ik terug aan de verrukkelijke zomer dat de paden blauw gekleurd waren en zich als beekjes door de tuin slingerden. Ik heb toen een paar blauwe steentjes meegenomen als herinnering. Waar zijn ze gebleven? Verdwenen als de sneeuw van weleer?

    Hoe vaak zullen we met onze kleindochter naar de Hortus zijn geweest? Ze was dol op de gietijzeren wenteltrap en de omgang in de oude palmenkas, waar ik onveranderlijk overvallen werd door hoogtevrees. In Florence bezochten we eens de koepel van de Santa Maria del Fiori van Filippo Brunelleschi, u weet wel, de uitvinder van het ei van Columbus.

    Een deurtje gaf toegang tot de omgang in de koepel. Onverschrokken deed ik de stap voorwaarts om vervolgens achterwaarts brakend als een poes terug te deinzen. Kleinkind zou waarschijnlijk over het hekje zijn gaan hangen om eens goed naar beneden te kijken.

    Ook mooi waren de lijsten van planten met dieren in hun naam die zij aanlegde samen met haar grootmoeder: ‘wolfsmelk, muizendoorn, muizenoor, muurleeuwenbek, kattendoorn, hondsdraf, hondstand, wolfskers, gestreepte ooievaarsbek, bevertjes, beerwortel, hertsmunt, adderwortel, veldhondstong, wilde kievitsbloem, koeieoog, schildpadbloem, kattekruid, kattesnor, slangenkruid, paddelelie, hazenzegge, grote ratelaar, zeewolfsmelk, hertshoornweegbree, geelwitte ossentong, schapenzuring, schermhavikskruid, hazenpootje, dagkoekoeksbloem, zwaluwtong, reigersbek.’

    Daarna gingen we naar de vlinderkas, om naar de poppen te kijken en naar de grote blauwe vlinders die lui voorbij zeilden om even later neer te strijken op een sinaasappelpartje. Lente in de Hortus.

  8. Het gaat prima met die meiden

    ‘Ga naar de markt/ koop een koe/ stukje pens/ voor de zieke mens/ stukje longen/ voor de zieke jongen/ stukje lever/ stukje toe’ en dan kriebelde je elkaar in de hand in het klapspelletje dat ik lang geleden in bed met mijn moeder speelde.

    Nu zit ik in lijn 3 richting Zoutketen en kijk naar buiten, en naar rechts, want bij de halte Museumplein zie ik dan het Rijksmuseum, aan het einde van de Overtoom het torentje van Americain, bij de Kinkerstraat de toren van de Oude Kerk, bij de Clercqstraat de Westertoren, bij het Hugo de Grootplein het torentje van het politiebureau aan de Marnixstraat, aan het einde van de 1e Hugo de Grootstraat de torens van der Zaaier op de Rozengracht, op het Frederik Hendrik Plantsoen vier trams die elkaar net niet in de staart bijten, op het Marnixplein de Oude Wester, bij de Brouwersgracht de Oude Kerk en vanaf de halte Haarlemmerplein de torens van de Posthoorn.

    Eenmaal op de Haarlemmerdijk begint het spelletje opnieuw, dit maal met de Baanbrugsteeg, de Binnen Dommersstraat, de Mouhaansteeg en de Binnen Oranjestraat, straten en stegen die aflopen naar het water van de Brouwersgracht.

    “Hier kan je goed zien dat je op een dijk loopt,” zei mijn vader dan.

    Voor de Sint Antonia school voor Meisjes naast de Posthoorn staan drie meisjes te roken en gillend met elkaar te lachen.

    Vanuit zijn anonieme en smetteloos witte bestelautootje dat half op de stoep geparkeerd staat, zit de Marokkaanse chauffeur met emigratie- achtergrond en een kleurtje het­ ­allemaal aan te kijken.

    “Volgens mij zijn ze stapelgek,” zegt hij tegen mij.

    “Welnee,” zeg ik, “het gaat prima met die meiden.”

    “Nou,” zegt hij, “dan zal het Amsterdam wel weer wezen.”

  9. Allemaal oude vrouwen inmiddels

    Wie zoals Hans en ik dat deden de hele Admiraal de Ruyterweg afloopt, krijgt onderweg onherroepelijk te maken met de vraag waar het goede gedeelte ophoudt en het slechte gedeelte begint, of omgekeerd.

    De tweedeling is ooit gemaakt door pater K. Fens MO, maar waar Jan Jurk de grens precies legde, weet niemand meer. Karel Doormanstraat? De Rijpstraat?

    Wij hielden het op de Jan van Galen. Waar de winkels in het stukje naar de Admiralengracht tot mijn ­onuitsprekelijke genoegen nog altijd boven etalages hebben.

    De Stofzuigerkoning op nummer 163 bijvoorbeeld. Gaat dat zien, voor het te laat is.
    “Ging je wel eens naar VVA?” vroeg ik aan Hans. Dat deed ie niet. “Speelde je wel eens in ’t Slootje?” Dat kon hij zich niet herinneren.

    “Herinner je je de man in zijn leren jas die bij de Krommert voor de sigarenwinkel stond en die kwartjes wisselde voor de sigarettenautomaat?” Die was hij straal vergeten en dat je daar op zondag ook de voetbaluitslagen kon bekijken, had hij nooit geweten.

    Met de herinneringen die hij aan de Admiraal de Ruyterweg niet heeft, kan je een boek vullen. We waren de hoek omgeslagen en ­keken nu het laatste stuk van de Admiraal de Ruyterweg af, het stuk naar de Wiegbrug toe, het stuk dat er eigenlijk niet bij hoort.

    We liepen langs de van Speijkstraat waar Eddy Posthuma de Boer lang geleden de foto maakte waarop al die meisjes een handstand doen. Allemaal oude vrouwen inmiddels, zoals Hans en ik oude mannen zijn geworden.

    Maar bij de Wiegbrug werden we opgewacht door onze geliefden die ons als hadden we de Avondvierdaagse gelopen een bosje bloemen in de hand drukten, ­zodat we ons heel even weer jongens konden wanen.

  10. Pannenkoeken zonder n

    Als ik het goed heb, begint de Admiraal de Ruyterweg bij nummer 1 en eindigt hij bij 549.

    Hans en ik die van 549 naar 1 liepen, waren bij de Bos en Lommerweg aangekomen, waar we ons lieten verleiden door het zonnige terras van café ’t Binnepretje, zonder n, zoals ze er ook pannenkoeken zonder n op de kaart hebben die ongezien beter smaken.

    Naast ons zat een jongeman met een rugzakje die al snel gezelschap kreeg van een jonge vrouw met op haar buik een baby met het mooiste rode haar had dat ik van mijn leven bij een baby gezien heb.

    Intussen vertelde Hans over de uitleenboekwinkel die vroeger op de Bos en Lommer had gezeten. Alle boeken die je daar kon huren waren oranje gekaft.

    “Ik was een keer ziek,” zei Hans, “en toen lag er de hele tijd een stapel van die oranje boeken naast mijn bed. Nu nog word ik misselijk als ik oranje zie.” “Wat mankeerde je?” vroeg ik. Niets ernstigs, dacht Hans, maar evenzogoed.

    “Kunt u de baby even omhoog houden?” zei ik tegen de jonge vrouw. Dat deed ze, met plezier. “Vorige week,” zei ik, “zag ik op een terras een baby die in een rugzak stond te slapen. Alleen zijn hoofd stak er boven uit. Prachtig. Maar hij had niet van dat mooie rode haar.”

    “Ja, mooi hè,” zei de vrouw niet zonder trots. “Dat het maar een mooie jongedame mag worden,” zei ik bij het afscheid.

    Even later stonden we voor het huis waar Hans vroeger woonde. “Herinner je je het geluid van de Blauwe Tram?” zei ik. “Nee,” zei Hans. “Ik kan nu wel gaan zeggen dat ik me dat herinner, maar dat doe ik niet.”