live

Klein geluk in Amsterdam: Trompettist zonder tanden

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Bij de visboer stonden we weer eens tegen elkaar op te klagen dat de hele middenstand naar de ratsmodee ging: geen groentenwinkels meer, geen slagers, geen bakkers, alleen nog maar souvenirs en andere rotzooi, toen een man in een geel werkpak zei dat het binnenkort allemaal voorbij zou zijn.

    “Over een tijdje,” zei hij, “willen we weer houvast. Let maar op.”

    We stekkerden nog even door, tot ik vroeg wat hij eigenlijk deed. “Ik ben heier,” zei hij, “ambachtelijk heier.” Ik weet niet waarom, maar ik kreeg een huilbui van het ­lachen.

    Eerder op de dag vertelde de bouwvakkende econoom die bij ons een karweitje opknapte, dat hij sinds enige tijd bouwvakte in de Kolenkitbuurt: “Geen idee waarom het daar zo heette, totdat de bovenste verdieping klaar was en ik voor het eerst op het dak kwam. Daar stond ie, de Kolenkit.”

    Ik kan me goed herinneren dat de Kolenkit werd gebouwd, vooral het moment dat het dak erop ging. Hetzelfde ogenblik nog had de kerk een naam. Heette de Pniëlkerk, die de Duiventil werd genoemd, nog wel eens de Pnielkerk, de Kolenkit heb ik nooit anders horen noemen dan de Kolenkit.

    Onze bijklussende bouwvakker vertelde intussen dat hij onlangs op de Haarlemmerstraat wegens een sterfgeval een huis had leeggehaald. “Boven De Blauwe Druif. Het was van een trompettist zonder tanden.” Hij had een foto gered, waarop je de trompettist uit een vliegtuig springen zag.

    Wie de trompettist was, wist hij niet, maar dat wisten ze bij De Blauwe Druif. Dezelfde avond las ik in de krant dat jazztrompettist Boy Raaijmakers (74) was overleden. Wanneer stond er niet bij.

    Onderzoek wees uit dat de trompettist zonder tanden van boven De Blauwe Druif niet Boy Raaijmakers was, maar een mooie voorbeeld van toeval is het wel.

  2. Hel en verdoemenis

    Toen onze dochter een jaar of zeven was – ze zat in de eerste klas van de openbare lagere school – kwam ze op een dag thuis met een verontrustend nieuwtje. Haar vriendin Monique, alle meisje heetten Monique in die dagen, had onthuld dat wij ‘heidenden’ waren en voor eeuwig moesten branden in een heel groot vuur.

    Waar, zo kun je je afvragen, had de kleine Monique dit akelige verhaal vandaan? Van haar ­ouders, zult u zeggen, ja, maar van wie hadden die het? Want de vader van Monique kon dan wel goed aardappels bakken, zoals ik kon ruiken als ik onze dochter na het spelen ophaalde uit Huize ­Monique, maar dat had hij in zijn eentje hel en verdoemenis voor de heidenen verzonnen had, leek me stug.

    Ik denk eerlijk gezegd dat Vader en Moeder Monique het van de dominee hadden. Die weten dat soort dingen. En vertellen ze graag verder.

    Onlangs kwamen de heidenen weer eens ter tafel. Een paar mannenbroeders waren met een Verklaring uit de christelijke kast gekomen. Heel goed, dan weten we weer waar ze voor staan. Maar prompt kwam er een die zei dat hij er niet mee eens was, en dat ­homo’s, Joden en heidenden, het maakte hem niet uit, bij hem allemaal welkom waren.

    Homo’s, ­Joden en heidenden! Allemaal welkom in zijn kerk. De arrogantie van deze lui grenst aan het onwaarschijnlijke.

    In de tweede klas van de middelbare school moesten we ineens vrijwillig-verplicht naar godsdienstles. De dominee nam ons mee naar de synagoge in de Jacob Obrechtstraat.

    Toen we weer op straat stonden, vertelde hij waarom er tijdens de oorlog zoveel ­Joden vermoord waren. Iets met Jezus, Joden en het kruis.

    “Daar ga ik niet meer heen,” zei ik tegen mijn moeder.

  3. Naar de Zoutketen

    We liepen op de Berlagebrug toen het ineens verschrikkelijk begon te plenzen. Maar de 12 kwam eraan, rennen dus en even later zaten we in de rijdende wachtkamer behaaglijk te genieten van de slagregens die buiten over het asfalt spoelden.

    “Waar gaan we heen?” zei ik. “Wat dacht je van de Zoutketen,” zei mijn geliefde. Een goed plan. De vervaarlijke Zoutketen zijn een poort naar veel moois, maar dan moest het wel droog worden. Dat werd het.

    Maar toen we op de halte Concertgebouw stonden en bleek dat de 3 nog wel even op zich wachten liet, namen we toch maar de 5, naar de Bloemgracht, waar we uitstapten.

    Toen ik op de Keizersgracht op de Eerste Vijf zat, fietsten we daar vanuit Bos en Lommer via Rozengracht of Van Galenstraat naar toe. De keuze had te maken met veronderstellingen over het open dan wel dicht zijn van Wieg- en Beltbrug. Namen we de Jan van Galen dan was de tweede keuze Bloemgracht of Bloemstraat.

    Waarom er gekozen moest worden, weet ik niet meer. Wel weet ik dat het stukje Keizersgracht naar school wegens eenrichtingverkeer gelopen moest worden, en dat je, als ze je op fietsen betrapten naar de Zoutketen werd verbannen om zware dwangarbeid te verrichten.

    Om niet te ver van de grachten te raken liepen we muizentraps­gewijs door de Jordaan en belandden zo voor het Theo Thijssen ­Museum. Dat gesloten was, maar in de etalage stond een mooi silhouet van Thijssen naast allerlei uitgaven van De gelukkige klas. ­

    En aan de ruit hing de liniaal van meester zelf. Daar sta je dan naar te kijken in de Eerste Leliedwarsstraat en daar laat je je dan door ontroeren. Door een liniaal. Omdat hij van Theo Thijssen is geweest.

  4. Linksaf of rechtsaf

    Van de Willemsstraat via de Lindengracht naar ’t Smakzeil en vandaar over de Nieuwendijk en door de Sint Luciensteeg naar de halte Nieuwezijds waar ik de tram nam naar het Spui. Was ik in de Willemsstraat in plaats van rechtsaf de Tweede Goudsbloemdwarsstraat, linksaf de Palmdwarsstraat in gegaan, had ik een heel andere stad te zien gekregen.

    Linksaf of rechtsaf, het zijn ­werelden van verschil, maar uiteindelijk was ik toch bij Luxembourg beland, want ik had een afspraak. Met een oude vriendin die ik uit de menigte zag opdoemen als was ze Jaap, Jaap uit het vers van Jacqueline van der Waals: ‘Jaap, mijn jongen,/ De vogeltjes zongen/ Hoog in de bomen/ En ­alle vinken begonnen te slaan’.

    Ik was, kortom, blij haar te zien. Een gesprek met een oude vriendin die je lang niet hebt gezien, is een merkwaardig iets.

    Terwijl er voor de serre van Luxembourg twee kinderen over de stoelen heen en weer huppelden, liet ik Martie het exemplaar van Harlekijntje op kasteel Hemelhoog zien dat ik op de Lindengracht gekocht had. De Harlekijntjes zijn geïllustreerd door Eelco ten Harmsen van der Beek, de vader van Fritzi en zo kregen we het over Maaike Meijer, van wie je Frederike zeggen moet.

    Maar waar we het eigenlijk over hebben wilden en het uiteindelijk ook over kregen, waren de dagen dat we iedere dag nog stopten met de drank om even later, op de Albert Cuyp, met een tas waar de zojuist gekochte preien bovenuit staken een vriend tegen te komen die vroeg of je zin had om wat te gaan drinken.

    “Drie dagen op sjouw,” zei Martie, “maar toen ik thuis kwam, had ik die tas nog bij me en de preien staken er nog steeds boven uit.”

  5. Buitenlands gedestilleerd

    Lijn 3 reed langzaam over de Ceintuurbaan toen er naast de tram een jongen op een racefiets opdook die met zijn linkerhand een bord vasthield waarop zes taartjes stonden. Ik was nog maar nauwelijks van mijn verbazing bekomen toen er een meisje op een huurfiets verscheen dat al net zo’n bord met taartjes meevoerde, maar dan op haar stuur. Het tweetal reed een tijdje met ons mee om vervolgens in een zijstraat te verdwijnen.

    “Zulke dingen zie je niet in de metro,” zei ik tegen mijn geliefde nadat we op de halte Linnaeusstraat waren uitgestapt. Omdat we nog wat tijd over hadden, betraden we Caffe Milo op de hoek met de Wijttenbachstraat. Toen ik ging zitten, wist ik weer waar ik was.

    In de zomer van 2011 ging ik ­regelmatig op bezoek bij een vriend die stervende was. Voorafgaand aan die bezoekjes was ik gespannen en een borrel wou dan nog wel eens helpen.

    Zo was ik een keer bij Milo beland, waar ze na lang zoeken de jeneverfles hadden gevonden. De rekening voor mijn borrel bedroeg zesenhalve euro. Pardon? Weer op straat zag ik dat er ‘buitenlands gedestilleerd’ op het bonnetje stond.

    Mijn vriend vroeg me een keer gebakken spiering mee te brengen. Na twee viswinkels en een viskar had ik het opgegeven en een bakje kibbeling gekocht, maar toen bleek er nog een kar op de markt te staan. Die wel spiering had. De kibbeling hebben mijn vriend en ik laten staan, maar de spiering hebben we samen op­gegeten.

    In een hoek van Milo, zag ik, stond een vitrinekast met daarin oude fototoestellen en 8 milli­metercamera’s, foto’s van La Loren en Claudia Cardinale. Een oude wekker stond er stil te staan.

  6. Geen kroket zo kroket

    Soms ga je haast ongemerkt van café naar café. Lag het volgende café vroeger vlak naast het vorige, tegenwoordig kunnen ze een heel eind uit elkaar liggen. Van café Smackzeil op de Brouwersgracht was ik in de ijskoude schemering op weg naar Luxembourg op het Spui, maar niet via de kortste weg ­natuurlijk.

    Ik had de Langestraat genomen en vanuit de Korsjespoortsteeg was ik het Singel overgestoken om vervolgens een eindje met de gracht mee te lopen.

    In The Paris Years, het boek over zijn vriendschap met Henry Miller, beschrijft fotograaf Brassaï de opwinding die zich van Miller meester maakt als hij ontdekt dat er in Parijs pisbakken zijn van waaruit je al pissend zomaar naar de voorbijlopende vrouwen kunt kijken. Inderdaad, maar wonderlijker nog vind ik de krul die uitzicht biedt op ramen waarachter meisjes van plezier hun droevig beroep uitoefenen.

    Waarom die krul? De mannen die hierheen komen, komen toch niet voor een plasje?

    Het doolhof van stegen hier doet altijd een beetje middeleeuws aan, vind ik, en het is altijd weer een verrassing om vanuit het duister op de drukke Nieuwendijk aan te komen. Vroeger gingen we hier naar de bioscoop, naar knokfilms in de Luxor, de Passage, de Royal, de Cineac.

    Daarna een kroketje bij Van der Linde op wie ik eens een versje heb gemaakt, en dat gaat zo: ‘De kroketten van Vijn/ waren fijn en die van/ Van Dobbe niet minder/ ook Kwekkeboom/ wist ik te vinden/ maar geen kroket zo/ kroket als de kroketten/ van Van der Linde.’

    Maar Van der Linde bakt ze niet meer, die heerlijke krokante Van der Lindekroketten. Hij doet enkel nog in ijs. En ijs, daar moet je van houden. Zeker als het vriest.

  7. Een hekje in het Spanderswoud

    Omdat ik het koud had en ook wegens dorst een beetje, was ik neergestreken in het café dat net als Papeneiland op de hoek van Prinsen- en Brouwersgracht ligt, maar dan aan de andere kant van het water.

    De naam van het café was me ontgaan, maar ik wist dat ik hem wist en toen het meisje kwam om af te rekenen, stelde ik haar drie vragen: “Hoeveel krijg je van me?” (twee vijftig), “Hoe laat is het?” (precies drie uur), “Is dit café ’t Smakzeil?” (klopt).

    Eenmaal op straat had ik het meteen weer koud, maar de bruggen die me richting Langestraat voerden, maakten veel goed. In de Langestraat denk ik aan mijn ­ouders. Als veertienjarige werkte mijn vader hier bij een smederij, als zestienjarige werkte mijn moeder bij drukkerij De Weduwe G. van Soest (‘Degelijk Werk Gaat Voor Succes’).

    Als mijn moeder tijdens haar pauze voor de drukkerij haar ­boterham zat op te eten en mijn vader op zijn bakfiets voorbijkwam, zeiden de andere meisjes van de drukkerij: “Kijk, je smidje.” Dat was in 1928.

    Bij drukkerij Van Soest ben ik als kind wel geweest, maar waar het precies was, weet ik niet meer, ­zoals ik ook niet weet waar de smederij zat waar mijn vader werkte.

    We weten maar weinig, blijkt telkens weer. Heeft hij haar aangesproken of zij hem? Wat ­deden ze op hun eerste afspraak? Een jaar later zaten ze samen op een hekje in het Spanderswoud, heel jong en heel gelukkig, een heel leven voor zich, een leven dat behoudens de slotakkoorden lang niet slecht is uitgepakt.

    Dit alles overdenkend loop ik neuriënd de Langestraat uit, want: ‘Leentje leerde Lotje lopen/ Langs de lange Lindelaan/ En toen Lotje goed kon lopen/ Is ze weer naar huis gegaan.’

  8. Eindeloze tuimeling

    Als jongen, ik denk dat ik tien was, heb ik eens ­iemand van een balkon zien vallen. Het gebeurde in de zomer, tijdens de zomervakantie meen ik me te herinneren. De straten lagen verlaten in ieder geval, het was warm en ik liep me te vervelen.

    Midden in de straat op een balkon op een tweede verdieping was een stel kinderen aan het spelen. Er werd ­geduwd en getrokken, ze gooiden elkaar met water, en op een stoeltje tegen het hek van het balkon stond een jongetje bellen te blazen. De zeepbellen met hun kleine regenbogen dreven door de straat. Ik volgde ze met mijn blik tot ze uiteenspatten en keek dan weer naar het jongetje dat met een stenen pijpje de bellen blies.

    Tot hij van zusje zo’n zet kreeg dat hij voorover over het balkonhek viel en aan zijn eindeloze tuimeling begon. Hij viel en viel en viel totdat hij tegen de stoep smakte en van alles brak. Ik had het gezien. Het was mijn verhaal. Dat ik vaak verteld heb. En nog steeds vertel.

    Vijfenzestig jaar later heb ik mij, voor het eerst, ondergedompeld in Les Misérables van Victor Hugo, een beest van een boek dat alle kanten tegelijk op gaat en tegelijkertijd nauwgezet de plot volgt rond Jean Valjean en Javert, Marius en Cosette. Het derde deel, waarin Gavroche opduikt, is een verhandeling over de straatjongens van Parijs die uiteraard heel anders zijn dan straatjongens uit andere steden, maar er toch veel van weg hebben.

    Zo zegt Hugo een straatjongen te hebben gekend die zeer gerespecteerd en gewaardeerd werd omdat hij een keer iemand van een van de torens van Notre Dame heeft zien vallen. Een balkon in de­ ­Esmoreitstraat is geen Notre ­Dame, maar toch.

  9. Zoals markten bedoeld zijn

    Toen in de 3 het Marnixplein werd aangekondigd, stond ik op en posteerde me bij uitgang.

    “Ga nog maar even zitten,” zei de man die achter mij had gezeten. “Dat wordt april.”

    Inderdaad bleek het nog wel even te duren voor we bij de Willemsstraat waren aangeland. Het eerste wat ik daar zag, was een galerie waar Minnie Mouse-schilderijen tentoongesteld werden. Minnie Mouse als Marie Antoinette, Minnie Mouse als Madame Pompadour en vul verder zelf maar in.

    Het was zaterdagmiddag en ­waterkoud. Op een afgedankte ijskast lag post van de Postcode Loterij die 58 miljoen in de aanbieding had, een eind verderop in de straat bracht een draaiorgel 'Let it snow' ten gehore.

    Ik liep de Tweede Goudsbloemdwarsstraat in en maakte halt en front voor een sigarenwinkel waar een grote, enigszins vergeelde poster Oei, oei, oei (‘dat was me weer een loei’) van Johan Cruijff aankondigde. Op de begeleidende foto droeg Cruijff een koptelefoon en hij lachte. Op een door hem gesigneerde foto werd gevoetbald, naast de foto lag een paar eeuwenoude kicksen. Zou Johan er op gevoetbald hebben?

    De zaterdagse Lindengrachtmarkt bleek nog altijd een markt zoals markten bedoeld zijn. Geen stroopwafels en houten tulpen ­bedoel ik, maar fruit en vis en vlees, bloemen en grappige pantoffels natuurlijk.

    Een koor liet ten bate van Artsen zonder Grenzen stemmige liederen horen en het beeld van Theo Thijssen, zag ik, maakte deel uit van een groentekraam. De lessenaar waarop de bronzen Thijssen plaatsgenomen heeft, was geheel overdekt met boerenkool waar net de eerste vorst overheen geweest was.

    Precies op deze plaats, herinnerde ik me, had ik eens een kraam gezien waar ze voor een rijksdaalder schilderijen van Kees Manders verkochten. Minnie Mouse was er niks bij.

  10. Voor altijd verdwenen

    Mijn vriend Peter van der Winde, die het op de Eerste Vijf aan de Keizersgracht net als ik niet erg naar zijn zin had, had een klein rood fietsje waar hij verbazingwekkend hard op fietsen kon. Ik had geen fiets van mezelf. Toen ik te groot was geworden voor mijn jongensfiets, mocht ik de fiets van mijn moeder, een sportfiets met drie versnellingen en trommelrennen. Maar geen slot.

    Als je op zaterdagmiddag naar de stad ging, zoals Peter en ik dat vaak deden, gaf dat problemen. Want de stalling kostte een kwartje en dat kwartje kon je beter gebruiken dan voor de fietsenstalling.

    Maar wat als je moeders fiets aan het einde van de middag gestolen bleek? We besloten het risico te nemen en zetten onze fietsen tegen de Nieuwe Kerk, die van mijn moeder achter het rode fietsje van Peter, dat wel op slot kon.

    Het was druk op de Dam. Er werden duiven gevoerd en voor de ­gesloten poppenkast zaten kinderen op Jan Klaassen te wachten. De fotograaf fotografeerde een meisje, een meisje met blond haar en een glimlach en toen ik haar zag, was ik verliefd.

    Peter wilde naar de platenafdeling van de Bijenkorf, maar nee, nee, ik was verliefd, ik moest erachter komen hoe het meisje heette, haar adres vragen aan de fotograaf. Toen ik de fotograaf aan- sprak, zei hij dat hij daaraan niet beginnen kon. Geld zou geholpen hebben, denk ik, maar ik had geen geld en toen de fotograaf klaar met mij was, was het meisje verdwenen.

    We liepen door de Kalverstraat en over het Spui, langs het Rokin naar het Damrak en over de Nieuwendijk weer terug, maar ze was weg, voor altijd verdwenen. Maar mijn fiets stond er nog gelukkig.